Idee 1165-2.                                                


[0] Lezers die gesteld zyn op deftige pozie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozasch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n kastalische-fonteinnimf - tevens van beroep: waschvrouw - met 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel!

Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dr bevond, toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit had-i duidelyk gezien. 

Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's - 'n nicht... hoe zat dt in elkaar! - op de Kolveniersburgwal sliep, of 's avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...

Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te veel geweest, en hy hard er maar n. Hy viel dan ook weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.

De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van 't geval - hy toch kon ziek, gewond of dood wezen - lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed. [1]

Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.

Z'n droomen bleven - als 't wakend leven-zelf - 'n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog... ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over n soort van leugen. Even als dichters en lasteraars! - vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. [2] Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou gedaan hebben, d.i. onder den indruk van de gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met hr geldje: honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: massa - persoon geworden - met 'n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i met God in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben... dit was weer de schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au plus vaillant, en scheen daarmee bror Stoffel te bedoelen, die er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.

Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom. [3]

Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield n figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op 'n tafel stond, en haar armen kruiste.


[0] Zie 1160-1.


[1] Een onderzoek naar de oorzaken van 't geval - hy toch kon ziek, gewond of dood wezen - lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.

Als iemand die al vele jaren ziek is kan ik de lezer die dat niet is melden dat de zeden nog steeds zo zijn in Nederland.


[2] Z'n droomen bleven - als 't wakend leven-zelf - 'n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog... ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over n soort van leugen. Even als dichters en lasteraars! - vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen.

Zie 244 voor de "dichters en lasteraars". Multatuli beweerde dat hij zelf heel weinig droomde, en hetzelfde geldt voor mij - en ik bedoel dan dat ik ls ik 's nachts droom mij dat zelden herinner en gewoonlijk ontwaak uit het niets. Maar de weinige keren dat ik mijn dromen wel herinnerde, zal ik maar schrijven, suggereren sterk dat wat M. schrijft niet zo is, en dat wie droomt in ieder geval minder kritisch is over zijn eigen ervaringen in de droom dan iemand die wakker is. Het lijkt er dus meer op alsof er niet zozeer gelogen wordt op "n" manier, als minder goed dan normaal kritisch wordt nagedacht.


[3] Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom.

Hm. Hier suggereert M. iets dat een zekere geloofwaardigheid heeft, namelijk dat het voornaamste mechanisme dat dromen genereert een combinatie van wensdenken en gebrek aan rationele kritiek is, en suggereert geheel onterecht dat de "werkelykheid" niet anders zou zijn dan een droom.

Idee 1165-2.