[0] Lezers die
gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer
overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de
hydrogymnastische oefeningen van 'n kastalische-fonteinnimf - tevens
van beroep: waschvrouw - met 'n ridder in de luur, die 'n
brief ontvangt uit den hemel: mirakel!
Toen Wouter zich in
't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n voornemen daar te
blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke's huisje.
Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou
hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem
zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de
wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze
geweest, dit had-i duidelyk gezien.
Hy
wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's - 'n
nicht... hoe zat dàt in elkaar! - op de Kolveniersburgwal
sliep, of 's avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen
mocht, iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...
Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te
veel geweest, en hy hard er maar één. Hy viel dan ook weldra om, en
lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en
verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.
De
zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n
beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om
bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong
ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van 't geval - hy toch kon
ziek, gewond of dood wezen - lag niet in de zeden. Dat zyn
politiezaken. 't Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed
deed. [1]
Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog
zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't
grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te
zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg
liggen, dat was zeker.
Z'n
droomen bleven - als 't wakend leven-zelf - 'n zonderling mengsel
van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog...
ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men
erkennen dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen.
Even als dichters en lasteraars! - vinden ze niets uit, en bepalen
zich tot eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen.
[2]
Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen
van elkander 't heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander
in zyn geval zou gedaan hebben, d.i. onder den indruk van de
gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den
boomwortel waarop z'n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel
speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak
daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z'n moeder zag
het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika
had gekocht, en betaald met háár geldje: honderd kromme pietjes.
Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en zat schrylings op 'n
gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over 'n
dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: ‘massa’ - persoon
geworden - met 'n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest
heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i ‘met God’ in
effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over
menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben... dit was weer de
schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au
plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die
er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n
wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.
Zoo
ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in
werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom. [3]
Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven
en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één
figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat
aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat
op 'n tafel stond, en haar armen kruiste.
[0]
Zie 1160-1.
[1]
Een onderzoek
naar de oorzaken van 't geval - hy toch kon ziek, gewond of dood
wezen - lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was volgens
die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.
Als iemand die al
vele jaren ziek is kan ik de lezer die dat niet is melden dat de
zeden nog steeds zo zijn in Nederland.
[2]
Z'n droomen
bleven - als 't wakend leven-zelf - 'n zonderling mengsel van schyn
en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog... ziedaar
alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen
dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als
dichters en lasteraars! - vinden ze niets uit, en bepalen zich tot
eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen.
Zie
244 voor de "dichters
en lasteraars". Multatuli
beweerde dat hij zelf heel weinig droomde, en hetzelfde geldt voor
mij - en ik bedoel dan dat ik àls ik 's nachts droom mij dat zelden
herinner en gewoonlijk ontwaak uit het niets. Maar de weinige keren
dat ik mijn dromen wel herinnerde, zal ik maar schrijven, suggereren
sterk dat wat M. schrijft niet zo is, en dat wie droomt in ieder
geval minder kritisch is over zijn eigen ervaringen in de droom dan
iemand die wakker is. Het lijkt er dus meer op alsof er niet zozeer
gelogen wordt op "één"
manier, als minder goed dan normaal kritisch wordt nagedacht.
[3]
Zoo ziet men,
hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt
z'n deel in 'n anderen droom.
Hm. Hier suggereert
M. iets dat een zekere geloofwaardigheid heeft, namelijk dat het
voornaamste mechanisme dat dromen genereert een combinatie van
wensdenken en gebrek aan rationele kritiek is, en suggereert geheel
onterecht dat de "werkelykheid"
niet anders zou zijn dan een droom.