Wouter had het recht
veroverd - 'n recht dat zoovelen zich aanmatigen zònder grond - dat
hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, maar 't is
voldoende te verklaren uit het vorig nummer - zelfs het...
kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.
Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of...
toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind, meer kind
zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner geboorte
verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog... 'n kind in
alle beteekenissen van 't woord.
Doch
zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, die
hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n ‘opvreter van
Stad en Land.’ Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf
de kracht - en den lust zelfs - die waarschuwing te trotseeren.
Zeker was geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden
dikwyls ‘brutale bliksems’ gezien, en konden niet weten dat
Wouter... nu ja, van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i
niet. Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als 'n
persoonlykheid, eenigszins als 'n persoon... jazelfs - op 'n beetje
na! - als 'n wezenlyke man. [1]
Kort
daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op z'n
ridderlykheid. ‘Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!’ De
gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren,
werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te
treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet
omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die
zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou
gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet
der belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had
aan ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem
slechts gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar.
Zoo'n onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter
te verdenken van... terugtrekkende krygskunde [2], zou men hem moeten
hebben waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe
dit zy, de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd
getrokken als 'n man. En... juffrouw Laps - 'n volwassen persoon
toch! - had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al
spoedig dat-i haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan,
byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren
beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd
dat ze hem liever had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog
altyd - waarheid bovenal! - 'n paar duim langer was dan hy.
Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven
zich in veel opzichten ‘groot’ te voelen. Maar toch zou er 'n gaping
bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet
méér geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw - hoe afschuwelyk ook
vroeger in zyn oog - had de verdienste gehad, snaren aanteroeren,
die lang na 't verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n
gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en - meer, of iets anders
ten-minste - 'n màn! [3]
Dit
werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met z'n
gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen van z'n
mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons - en niet elk
protestantsch handelsjongetje gegeven! - te kunnen dienen als schild
tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve
onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid
aangetoond, dat hy - hy, Wouter! - kon bemind worden als verloofde,
als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in
'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó - ànders
ook, God weet het! - maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de
oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n
verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet
over den weg dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg.
Had ze niet als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was
't niet 'n pynigend: sic illae - Femke! - non mihi?
Zóó
althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan
Virgilius niet by te-pas. Er was geen
twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, met den vinger als 't ware,
gewezen had op 'n vroeger onbekende plek in z'n gemoed, en tevens
dat deze ontdekking in-verband stond met z'n eerzucht zoowel, als
met z'n begeerte om te weten, en ‘het Lot uittedagen’. En
over dit alles lag de gloed - we moeten oprecht zyn! - niet van z'n
liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die hy
natuurlyk met deze liefde verwarde... zooals meer gebeurt, by
dokters en patienten beiden. [4]
Van
dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich
tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als
'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit,
o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze ‘maagd’ was, en ook
niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld
hebben met het malle woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden,
zoo goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover
Femke niet passen zouden in den mond van 'n ‘man.’
Het
dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid voor
't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was...
Men
bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de
onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot
het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.
[5]
...
dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen had
op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n
vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk
tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de
prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het
was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en
wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van z'n
hart... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer Stoffel
afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste
gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend advies.
Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom dan háár
niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy
aanzag voor z'n eigen geluk?
[1]
Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als 'n
persoonlykheid, eenigszins als 'n persoon... jazelfs - op 'n beetje
na! - als 'n wezenlyke man.
Multatuli legt dit
uit in de volgende alinea, en ik legde er iets van uit in
1112.
[2]
..
terugtrekkende krygskunde ..
Zie
475.
[3]
Z'n zonderlinge gastvrouw - hoe afschuwelyk ook vroeger in zyn oog -
had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na 't verlaten
van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had hem geleerd
dat-i man was, en - meer, of iets anders ten-minste - 'n màn!
Dit verbaast me
nogal, voor een jongen van 16. Ik bedoel: Een jongen die baardgroei
begint te vertonen heeft daarvoor toch al geleerd dat vrouwen
bijzonder zijn (als we een normale sexuele aanleg veronderstellen)?
Om sexuele gevoelens voor vrouwen te hebben is het toch niet nodig
eerst verleid te worden door een veel oudere vrouw?
[4]
En over dit alles lag de gloed - we moeten oprecht zyn! - niet van
z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die
hy natuurlyk met deze liefde verwarde... zooals meer gebeurt, by
dokters en patienten beiden.
Ik mag aannemen dat
dit een sexuele gloed is. Maar als in de vorige noot: Het komt me
een beetje vreemd voor dat deze plotseling ontstaat, en dan
aangestoken door juffrouw Laps. 't Waren andere tijden, en andere
zeden, en andere fatsoensopvattingen, dat wel.
[5] Men
bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de
onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot
het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.
Hm. Ik wil graag
geloven dat Wouter's drie zusters weinig sympathiek, zeer bekrompen,
niet lieflijk en behoorlijk dom waren, maar toch niet dat het geen "meisjes"
zouden zijn.