Idee 1161-2.                                                


[0] Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.

Sedert eeuwen vernemen wy uit boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van de ‘deugd.’ Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen, dan de ‘roosverwige’ van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n ‘deugd’ was er niet minder om. 

Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De volheid van z'n gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door 't verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buiten'shuis geweest was. Egoïst als alle gelukkigen , kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op. [1]

Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: ‘Botermarkt’ en: ‘hier gaat men uit porren.’ Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman, of... ‘in’ 't een-of-ander...

Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man ‘uit porren’ ging, of ‘in’ effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden en duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch - wáár was het! - hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem ‘broeder’ genoemd!

't Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en - voor 't byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen - hoogstens gevraagd hebben: of zy zich bezeerd had?

Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar oude gewoonte 'n saterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z'n soort is gebleven.

Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i ‘in’ effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde. [2]

Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf laatste uren herhaaldelyk voortezeggen, om verzekerd te zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen meenemen - de pink was genoeg geweest, die lieve pink! - als tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z'n lippen voelde!

Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van 'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem ‘broeder’ genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effektenluî, kon daaraan iets veranderen.

Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets veranderen aan het feit...

Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van ‘vrindje’ waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?

Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de kreditposten van z'n geluk voor - men bedenke dat-i ‘in den handel’ geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou - en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde [3] vergiffenis voor 't verloochenen.

Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu...

Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy 't niet begrypen kon. [4]


[0] Zie 1160-1.


[1] Egoïst als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.

Wouter was verliefd, en het is waar dat men in een dergelijke stemming verdwijnt of één wordt met al wat is of lijkt te zijn. Maar het is niet waar dat "alle gelukkigen" egoistisch zijn. In de eerste plaats beoogt ware liefde het welzijn van de geliefde, en in de tweede plaats wordt vrijwel alle kwaad in de wereld gedaan door ongelukkigen. Wie werkelijk gelukkig is voelt zich te goed om kwaad te doen. (Het zojuist gezegde is niet van toepassing op sadisten e.d., maar de ware mensenvriend neemt aan dat deze, al dan niet vanwege God's goedheid, in de minderheid zijn.)


[2] Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i ‘in’ effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde.

Als gezegd meen ik het gevoel te kennen uit eigen ervaring. Maar Wouter's vergevingsgezindheid verbaast me: In een dergelijke toestand is men veel minder geneigd dingen of mensen te vergeven dan ze goed te vinden zoals ze zijn.


[3] .. de erlangde ..

Dit is toch echt een germanisme: bereikte. (Ik heb wel de indruk dat dit germanisme in M.'s tijd tamelijk gebruikelijk was.)


[4] De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy 't niet begrypen kon.

Dat was zo dom of onverstandig niet. En de oplettende lezer weet dat Wouter's huidige liefdesgeluk stevig op illusies gebouwd is. Dit schijnt vaker voorgekomen te zijn, zowel wat betreft de stevige bouw als de illusionaire bouwsteen.

Idee 1161-2.