[0] Een hoofdstuk zonder
aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien
't om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op 't slot
wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door 't zonderling
lotgeval van 'n kruiwagen en 'n onbillyken droom, 't eenige wat de
uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.
Sedert eeuwen
vernemen wy uit boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon
vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de
opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van
de ‘deugd.’ Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus
met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen,
dan de ‘roosverwige’ van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust
had, en... menschelyk gesproken, z'n ‘deugd’ was er niet minder om.
Het
gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De
volheid van z'n gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der
straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel
door 't verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken
geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buiten'shuis geweest was.
Egoïst als alle gelukkigen , kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al
wat leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn
geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee
dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n
trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording,
met dat ééne gevoel: ze gaat er in op. [1]
Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de
hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: ‘Botermarkt’
en: ‘hier gaat men uit porren.’ Ook kon-i te weten komen waar
kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n
timmerman, of... ‘in’ 't een-of-ander...
Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand gekust!
Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, na dàt
evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht,
of schoensmeer? Of die man ‘uit porren’ ging, of ‘in’
effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden en duizenden op de wereld
zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs
de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch -
wáár was het! - hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem
‘broeder’ genoemd!
't
Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht.
Horatius had er 'n aardige illustratie by
gewonnen voor z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk
dat Wouter by zoo'n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en - voor
't byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen -
hoogstens gevraagd hebben: of zy zich bezeerd had?
Het
kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend zyn
dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar oude
gewoonte 'n saterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z'n
soort is gebleven.
Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze
Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman
dat-i ‘in’ effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo
gelukkig voelde. [2]
Toch
kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde
geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf
laatste uren herhaaldelyk voortezeggen, om verzekerd te zyn dat
nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten
der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch...
hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen
meenemen - de pink was genoeg geweest, die lieve pink! - als
tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i
ooit weer haar hand aan z'n lippen voelde!
Doch
neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van 'n
tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem
‘broeder’ genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen,
porders of effektenluî, kon daaraan iets veranderen.
Ga
je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent
voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets
veranderen aan het feit...
Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk
houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde
Femke hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En...
die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer
beduiden dan de oude betrekking van ‘vrindje’ waarop hy altyd zoo
had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?
Hy
begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i
redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de
kreditposten van z'n geluk voor - men bedenke dat-i ‘in den handel’
geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou - en trachtte hoog
gewicht te hechten aan de erlangde [3] vergiffenis voor 't verloochenen.
Nu
ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert
gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs
sedert z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol
uur geleden dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting,
en nu... nu...
Toch
begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig
geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van
zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy
't niet begrypen kon. [4]
[0]
Zie 1160-1.
[1]
Egoïst als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al
wat leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn
geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee
dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n
trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording,
met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.
Wouter was verliefd,
en het is waar dat men in een dergelijke stemming verdwijnt of één
wordt met al wat is of lijkt te zijn. Maar het is niet waar dat "alle
gelukkigen" egoistisch zijn. In
de eerste plaats beoogt ware liefde het welzijn van de geliefde, en
in de tweede plaats wordt vrijwel alle kwaad in de wereld gedaan
door ongelukkigen. Wie werkelijk gelukkig is voelt zich te goed om
kwaad te doen. (Het zojuist gezegde is niet van toepassing op
sadisten e.d., maar de ware mensenvriend neemt aan dat deze, al dan
niet vanwege God's goedheid, in de minderheid zijn.)
[2]
Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze
Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman
dat-i ‘in’ effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo
gelukkig voelde.
Als gezegd meen ik
het gevoel te kennen uit eigen ervaring. Maar Wouter's
vergevingsgezindheid verbaast me: In een dergelijke toestand is men
veel minder geneigd dingen of mensen te vergeven dan ze goed te
vinden zoals ze zijn.
[3]
.. de erlangde
..
Dit is toch echt een
germanisme: bereikte. (Ik heb wel de indruk dat dit germanisme in
M.'s tijd tamelijk gebruikelijk was.)
[4]
De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy 't niet begrypen
kon.
Dat was zo dom of
onverstandig niet. En de oplettende lezer weet dat Wouter's huidige
liefdesgeluk stevig op illusies gebouwd is. Dit schijnt vaker
voorgekomen te zijn, zowel wat betreft de stevige bouw als de
illusionaire bouwsteen.