Idee 1160-1.                                                


[0] Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog altyd lag er dat spottende op haar gelaat, alsof ze zeggen wilde: wie durft? 

Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan 'n verwyt aan hm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders voelde hy niet!

Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had - naar-i meende - maar zonder welke hy niet leven kon!

- Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die zoo... wreed - nu ja, maar rechtvaardig toch - had blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens riep hy, maar 't was weer fluisterend:

- Femke! Femke!

Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.

Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vr hem dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim. [1]

Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n steunpunt afgerukt, want waar velen 'tzelfde begeeren, is 't verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten - en jenever misschien - terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, door 't nog altyd onbekende tertium.

Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot? [2]

Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe. Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als 'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die haar te na mocht komen.

En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want de man knikte terug...

- Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft. [3]

Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:

- Zoo, Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, h?

En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van Wouter, in de nabyheid van 't buvet [4] te staan kwam.

- Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!

't Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! [5] Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in dien hoek geblokkeerd stond. [6]

- Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was 't miesserabel, h?

Klaas le den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer byzonders.

- 'n Glas klare?

Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette:

- Skille?

Ook niet!

- Rooie dan?

Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen dan de drukte toeliet.


[0] Cijferkundige opmerking: Ik heb de lezer nu en dan getracteerd op letterkundige opmerkingen, en moet me nu bezondigen aan de eerste van enkele cijferkundige opmerkingen.

Zoals de oplettende lezer ongetwijfeld al heeft gezien is het nummer van dit idee anders dan de andere nummers, want het luidt "1160-1". In de Garmond-editie heet dit nummer gewoon 1160, maar 't probleem is dat er in dit deel van de Ideen 2 verschillende ideen met het nummer 1160 zijn, en trouwens ook idem met de nummers 1161, 1165 en 1177. Ik heb deze ideen dus omgenummerd als met dit idee, als X-1 en X-2, met het hogere nummer voor de latere tekst.

Hoewel Multatuli Ideen 6 en 7 herhaaldelijk heeft nagekeken, net als zijn tweede vrouw dat na zijn dood nogmaals deed voor de Garmond-editie, heb ik nergens een registratie van of opmerking over deze fouten gelezen.


[1] Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim.

De lezer, die vast een Hollander is, en wellicht ook een heel rechtgeaarde van die soort, kan vast raden dat dit "tertium" bestaat in de goudstukken of andere fooien waar Klaas Verlaan op hoopte. Er is immers niets waar een rechtgeaard Hollander meer voor doet, voor strijdt of naar streeft dan eigen geldelijk gewin. Zie 84, voor wie meer wil weten van Hollandse prioriteiten.


[2] Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?

Ik mag dat wel, een trotse en zelfstandige vrouw, maar wat ik wilde opmerken is dat "haar vries-bont voorschoot" te danken moet zijn geweest aan de goede zorgen van Geertje Verlaan. Zie 1153.


[3] - Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.

Petrus loochende Jezus, en de lezer kan 't nalezen in het Nieuwe Testatement, overigens het best in de Statenvertaling, als ie tenminste over dom bijgeloof (...) in goed Nederlands wil lezen. En "dat God rechtvaardig is en alle zonden straft" kan de lezer dagelijks opmaken uit het nieuws, mits hij van groot geloof is, en gewillig de ogen voor veel te sluiten, of zich voortdurend te beroepen op de grote onbegrijpelijkheid van de god waarvan hij wel meent te begrijpen dat deze oneindig machtig, alwetend en goed is.


[4] .. 't buvet  ..

Dat - letterkundige noot! - tegenwoordig "buffet" heet, tenzij de laatste ("ideElooze") of voorlaatste ("apeNkool") spellingswijziging dit anders bepaald heeft, natuurlijk, wat ikzelf niet weet noch wil weten.


[5] 't Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd!

Voor de Verlaanse filosofie zie 1152. Het "brakwater" heeft er vrijwel zeker mee te maken dat de man havenknecht was, en de Zuiderzee nog niet ingedamd en ingepolderd was, zodat het water in het IJ heel wel brak geweest kan zijn. (Ik gis hier, maar niet geheel vrij van relevante kennis.)


[6] Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in dien hoek geblokkeerd stond.

Wouter had dit de voorgaande dag al ondervonden, en de oplettende lezer(es) zal opgemerkt hebben dat 1134 begint met een soort prolegomenon tot de Verlaanse wijsheid.

Idee 1160-1.