Hoe hy zoo spoedig
dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn... fancy?
Had
ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke
historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe
zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder?
De
zaak is dat-i, lichaamskracht borgend van z'n gemoed - en was zy
dit niet? - zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan.
Maar
de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den
man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem van-boven
gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. [1] Althans hy meende
bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de
Amstelstraat gekomen was. En dit was ook zoo, maar:
- Is
hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo duidelyk
de vreeselyke drukte toeliet.
De
man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen - dit deed
‘iedereen’ ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap
Kaïns op groote schaal! [2] - de man kon niet antwoorden. Maar Wouter
bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte
hieruit op dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen
haar wil dan, daar binnengestuwd was.
Hy
raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en
stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra
't jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan
buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!
Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die
Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg- en
koffihuislooper. Gister in ‘Polen’ heden in ‘de gekroonde
Jeneverbes... [3] daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't
een-of-ander geperst... 't is te veel!
Maar
hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.
Hy meende haar te
ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek, op 'n tafeltje dat
in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen lippen, de armen over
elkaar geslagen, en met iets als uittarting in haar trekken, zag 't
meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap hing haar aan
flarden in den nek - zy, zoo net altyd! - en, erger nog, Wouter
meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, lieve,
lieve gezicht van Femke!
Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit
behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar
tafeltje. Hy riep, maar ze hoorde niet.
Met
onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de
aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy
in-een: ze wilde hem niet kennen!
- O
God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m'n
lafheid by de Holsma's! [4]
-
Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen
wilt, ga dan na je moeder! [5]
Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet
verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen de
jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in 't oog
te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van wrevel
en smart vloeiden hem over de wangen.
-
Wat doe je dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet tegen
ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r 'n
borrel op, jongen, of ga heen!
Lust of niet, hy had heel graag 'n ‘borrel’
besteld om z'n plaats te betalen. Maar - ‘daar-i thuis altyd alles
kreeg wat-i noodig had’ - hy bezat geen duit, en liep nu gevaar de
deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van matigheid. Doch ook
dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog altyd even
groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door de
drukte van 't gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra dreigde
de kroeg te kiezen tot ‘operatie-bazis’ zooals dit in 't jargon
der krygskunde genoemd wordt. De ware reden was dat elk der
strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n tegenparty wou
onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste ‘krygskundige
evolutien hebben van ouds-her geen anderen grond. (475)
[1] Maar
de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den
man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem van-boven
gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen.
Ik vermoed niet dat
ik de lezer bijzonder verras als ik onthul dat dit Klaas Verlaan is.
[2]
't was 'n gezelschap Kaïns op groote schaal!
Kortom, een
mensenmenigte van broedermoordenaars in aanleg en aard, trouwens
zowel volgens de Romeinen - "homo homini lupus" - als de
bijbel van de Christenen.
[3]
Gister in ‘Polen’ heden in ‘de gekroonde
Jeneverbes...
Het restaurant en
hotel "‘Polen’"
bestond echt in de Kalverstraat, en M. heeft er zelf zowel gelogeerd
als gegeten.
[4] - O
God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m'n
lafheid by de Holsma's!
Namelijk toen Wouter
leerde dat Femke bij dokter Holsma werkte als kindermeisje, en
Wouter haar niet durfde aan te spreken of noemen. Zie
1130 en 1131.
Het mag hier ook opgemerkt worden dat Wouter's deugd- en
eer-begrippen heel ridderlijk zijn, maar sommige jongens zijn zo,
waarbij komt dat we geheel van het begin af Wouter hebben gezien als
geïnteresseerd in ridderromans, waarvan hij er bovendien
ongetwijfeld een flink aantal doorgelezen heeft in zijn vorige
werkkring bij Motto, Handel & Cie. Zie 1094.
[5] -
Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen
wilt, ga dan na je moeder!
Ik begrijp het
sentiment van de waardin, maar was Wouter werkelijk zo klein en jong
ogend voor z'n leeftijd, of waren de aanspreekvormen indertijd heel
anders?
Letterkundige
opmerking: Ik vermoed dat "na"
"naar" had moeten zijn. In ieder geval is het opvallend dat de
laatste twee delen van de Ideen, dus 6 en 7, wat meer kennelijke of
evidente spelfouten hebben dan de eerdere delen, die dan ook vaker
nagekeken en gecorrigeerd zijn door Multatuli.