Idee 1152.                                                


- Z vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen tot den schouder toe. En ervan ligt nog altyd in 'n doosje by de Staten-overzetting. [1] 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n toren van poeier... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was lief, dat moet ik zeggen!

En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of sivepl-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, en 't zg als de bliks... lager. Maar ze liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!

Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei - met 'n vloek, want ik vloekte nog in dien tyd - dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik. 

- Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel. [2] En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dr was ik als de kippen by!

- Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?

Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m'n riem! *) [3]

Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amstel te liggen draaien als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch - 'n fluweelen ding met gouden knip, dat met 'n haak in haar middel zat - en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en wees het me. [4] Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.

Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht worden [5], en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.

- Rcken? riep ze.

- Wrikken, riep ik. Kyk... z! **)

En ik wou 't haar wyzen.

Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien roeiers te krygen tegen n wrikker.

Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had witsatynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug.

Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, op vechten af!

Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze: rcken, rcken!

Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch weten waar-i heen wil!

We sukkelden stroom-af - meest gatje-voor! - en naderden de Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap is uit. Maar jawl!

Op-eens houdt ze met wrikken op - 't zweet liep haar by droppels van 't gezicht! - en le den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen, omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wl wou, kon ik eerst niet begrypen... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water!

Ik schrok er van! 't Mensch was dr en dr van zweet. Maar... ze wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk, en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Drvan is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje - dat nu jelu Grietje-meu draagt - is van dien tyd.

Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt, of sterven, of rimmetiek krygen... [6]

Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. [7] En ze gooide haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!

Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als 'n dobber, hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan. [8]

Maar dat tot draan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den styger, en er stond veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag, en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag 'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net 'n wilde kat. [9]

Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? [10] Die zou 't heel kwalyk hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jachthuisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, dat kn - om den dukaat, weetje - maar... m'nheer Kopperlith woont op de keizersgracht. Dt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat... geen land boven Holland, dat's maar zeker! [11]

Maar... binnen ws ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.

En daar stond ik!

De menschen van de brug riepen: dat is 't huisje van m'nheer Kopperlith, denk er om!

Ja, dacht ik, daar denk ik wl om, maar wat zal ik doen? Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...

Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:

- Vader, laat 'r in ns huuske! Daar kan ze zich klaren.

Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.

Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt 't huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen.

Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?

Maar... 'n rare dag ws het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, voor bedtyd! [12]

*) Het materiaal waarmee breeuwers arbeiden, is uitgeplozen touw = werk, misschien ten-rechte: werg. By 't stoppen van naden tusschen planken en deelen, geven ze dat werk uit de hand. Vandaar de niet onaardige uitdrukking.

**) Onze Klaas meende ten-onrechte dat de prinses 'n vreemde taal sprak. Er was slechts dialekt-verschil. Wrikken en rukken is volkomen 'tzelfde, en - even als werken - van de zeer uitgebreide familie kr of wr. (488) [13]


[1] de Staten-overzetting

D.w.z: de Statenvertaling van de bijbel, uit de 17e eeuw, verreweg de fraaiste vertaling van de bijbel in het Nederlands die er geweest is, ondanks alle latere vertalingen, die wellicht nauwkeuriger vertalingen zijn, maar zeker geen beter Nederlands.

Of Klaas Verlaan, die hier spreekt en een eenvoudige Amsterdammer was, werkelijk de term "overzetting" gebruikt zou hebben betwijfel ik nogal, want het klinkt mij als een germanisme in de oren. In het Nederlands zet men immers koffie en - zeugmatisch - over.
 


[2] - Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel.

Ik geloof het graag, maar het is wat verbazend dat Klaas Verlaan, immers een platte Amsterdammer en hier de verteller, dit toch in goed Duits spelt.
 


[3] Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m'n riem! *)

M. legt de zegswijze uit in z'n noot, en die is inderdaad aardig, en nu geheel verouderd.
 


[4] Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch - 'n fluweelen ding met gouden knip, dat met 'n haak in haar middel zat - en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en wees het me.

De lezer mag aannemen (ik doe het ook) dat dit het restant van het geld was dat prinses Erika eerder van de paltsgravin via prins Erik had ontvangen. Zie 1150.
 


[5] Aan zeilen kon niet meer gedacht worden

Het was nog steeds windstil, zodat het "kon niet meer" wat vreemd is.
 


[6] Als je dan asseluut ziek worden wilt, of sterven, of rimmetiek krygen...

Hier hebben we in de spelling toch iets van Klaos Verlaon's - comment on dites en Amsterdam -authentieke Amsterdams.
 


[7] Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen.

We zijn verbaasd, lezer, dat prinses Erika niet aan naaktzwemmen voor publiek deed.
 


[8]  't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.

In Nederland-waterland is het eeuwen lang zeer ongebruikelijk geweest voor de inwoners om te leren zwemmen. Verlaan's uitleg is een goed voorbeeld van een redeneerwijze volgens een schema als: Bij ons is alles beter, dus als het elders anders is dan bij ons, dan moet dat door een gebrek of tekortkoming van de mensen daar komen. Want bij ons is alles beter.
 


[9] Net 'n wilde kat.

We zien dat Klaas Verlaan eenzelfde karaktertrek in prinses Erika onderkent als de paltsgravin en prinses Erika's broer in 1148.
 


[10] Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui?

Hier verdicht zich Multatuli's plot, want "m'nheer Kopperlith" is Wouter's nieuwe werkgever waar hij de volgende ochtend voor het eerste acte de prsence moet geven. Ongetwijfeld werkte M. dit in z'n plot om Wouter te kunnen redden uit de moeilijkheden waarin hij aan het eind van deel 7 van de Ideen was geraakt. 
 


[11] Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat... geen land boven Holland, dat's maar zeker!

De echt-Hollandse lezer weet natuurlijk dat hier een bijkans goddelijke waarheid uitgesproken wordt, en de niet-Hollandse lezer moet na z'n dood maar gaan klagen bij de Heer vanwege het onrecht niet als Hollander geboren te mogen zijn. In Holland is alles beter! Dat weet iedere Hollander immers.
 


[12] Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, voor bedtyd!

We zien dat Klaas een echte Nederlandse wijsgeer is, al drukt hij een overweging uit die niet geheel nieuw is.
 


[13] Onze Klaas meende ten-onrechte dat de prinses 'n vreemde taal sprak. Er was slechts dialekt-verschil. Wrikken en rukken is volkomen 'tzelfde, en - even als werken - van de zeer uitgebreide familie kr of wr. (488)

Geheel afgezien van Multatuliaanse taalbegrippen: Voor echte Duitsers, die niet het geluk hadden als Hollander geboren te worden, pleegt Hollands - "Dutch" immers - te klinken alsof het Plattdeutsch is, dat bovendien gesproken wordt door intellectueel niet zeer begaafden, en dat laatste  dan vanwege hun - voor echte Duitsers - evidente gebrek aan begrip voor grammatikale fraaiheden als naamvallen.

Idee 1152.