Idee 1129.                                                


Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom vertoont. [1] De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in lompen gekleed. 

Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?

De paar paragraafjes waarmee 't vorig nummer eindigt, zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek. [2]

Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... ‘de menschen drongen zoo!’

Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i niet: ‘massa’ op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg, hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.

Maar: ‘de menschen drongen zoo!’

Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen die veel grooter waren dan hy.

- Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er óók een!

Dit ‘ook’ heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt, ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig, vreemd en belangryk vindt...

't Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon ‘aangegeven’ worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken.

Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning!

Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat ‘dringen’ 't prettigst van de zaak.

Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men ze alle tweehonderd veertig duizend - er waren er 'n paar uitgewaaid sedert zoo-even - op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje!

Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.

Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit gedoogt de ‘massa’ niet. Gedrukt wil ze wel worden - daar is ze voor - maar wie zich aan haar wil vasthouden...

Krak!

Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte had de dubbeldeur van 'n koffihuis verkracht. De inbersting was vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en vulde den krater waarin onze held - na 't beschryven van den bekenden bruinvisch-parabool - vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land kwam op 'n tafeltje...

- Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat. [3]

- Heb je je zeer gedaan, Wouter?

Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op en onder allerlei glaswerk, en eindelyk - dit was 't minst verrassende niet! - omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed bekende familie Holsma.

't Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was. [4]

‘Gods vinger’ had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling schynt geweest te zyn den patient nog heel anders heen-en-weer te smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend...

Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein - op doordringen was geen kans - schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de massa's er by.

- Één flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp.

En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog.

- O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder...

In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.

- Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...

Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan van 'n zyweg zich onttrokken had aan de ‘massa’ verklaarde hy ronduit dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen te zien, na zóó'n schandaal!

- 't Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de kolveniersburgwal [5], ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je daar bekomen van den schrik.
 


[1] Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom vertoont.

Dit komt mij niet zo plausibel voor, en zeker niet voor een jongen van zestien. Ikzelf was geheel geen dom jongetje dat opgroeide in de Amsterdamse Kinkerbuurt in de vijftiger jaren van de 20ste eeuw, en één van de dingen die mij al vroeg opvielen was hoe dom volwassen vrouwen met elkaar konden kletsen:

- Neej buuf! Suh sei nog soo, sei suh, maor toen sei ik, seg ik ... etc. ad nauseam.
 


[2] Aan modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.

In Nederland behoorde het gedurende een groot deel van mijn leven tot de bon ton om met een stalen gezicht te liegen dat "alle mensen gelijkwaardig" zijn. Zie 155. Het is typisch een leugen van talentlozen die het ook aan karakter ontbreekt om toe te geven dat een ander iets beter kan dan zij - al moet ik Het Volk nageven dat hun gelijkwaardigheids-ideaal direct ophoudt waar sprake is van bekende voetballers en Ons Koningshuis.

Maar goed ... wie tegen Multatuli's sarcasme zwaarwegende morele bezwaren heeft is geheel vrij om hoog te houden dat al waar men een Nederlander ziet men een gelijkwaardige van Einstein, Shakespeare en Newton ziet. Volgens doorsnee-Nederlanders.
 


[3] - Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.

Ik wil wel geloven dat het "gezelschap" dit uitriep, maar het is toch enigermate vreemd dat Multatuli Wouter pas "Woutertje" noemt op een leeftijd - zestien, ondertussen - waarop het niet erg geloofwaardig is dat hij nog "Woutertje" werd genoemd alsof dat vanzelf sprak.
 


[4] 't Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.

Dit kan opgevat worden als een typische meisjes-aardigheid, maar ikzelf ben zo vrij aan te nemen dat Wouter niet voor niets met z'n hoofd in Sietske's schoot terecht kwam bij z'n val, en dat als Multatuli meer geschreven had aan "Woutertje Pieterse" dan hij deed de dochter van dokter Holsma een heel plausibele huwelijkskandidaat voor Wouter ... zou hebben kunnen blijken te zijn. (We weten het niet, want Multatuli schreef "Woutertje Pieterse" nooit af.)
 


[5] .. de kolveniersburgwal ..

Er is in Amsterdam geen "kolveniersburgwal", maar wel een Kloveniersburgwal. In mijn Garmond-uitgave is meestal sprake van "kolveniersburgwal", maar niet altijd. Ik vermoed dat Multatuli of de zetter zich vergisten. (Letterkundige opmerking.) 

Idee 1129.