Idee 1121.                                                


Het verregaand liberalismus van juffrouw
Pieterse is oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor. ‘Dat is Gods vinger’ en: ‘is 't niet, of er 'n Duivel in 't spel is?’ eenigszins toegelicht. Als hagel! Platonistische hoestbuien, model-uithangborden van wysgeerighedens: cave!

Wil je me-n-'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m'n rechterzy, want ik ben doof hier. 

En hy wees op z'n linkeroor.

- Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik 'n kleine jongen was... kan je goed klimmen?

- N...é, m'nheer!

- Zoo? Nu, ik wel! In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens 'n bloempotjen uit 'n venster van de derde verdieping gehaald. En... onze pastoor was niet gemakkelyk, in 't geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik 't potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was 't potje van 'n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de twintig confiteors zat ik vast, hoorje, vast als 'n bliek aan den hoek. Ik hou niet van bliek... 't is 'n gemeene visch. Nu, er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng...

Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor.

Op 't simmenarie was 'n student... hy is nu kanunnik, in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i... Vink heette... maar z'n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was 'n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of... paus! [1] Je moest hem 'ns hooren als-i 'n brok uit de Vulgata opzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in 'n tekst.

Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in gedrag...

Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als Vink durfde denken, maar... hy stond niet op zoo'n goeden voet met de professers. Ik mag je z'n naam wel noemen, omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen... hy heette Kruger. O, 'n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.

Ja, Kruger was 'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink... misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger... omdat ik zooveel van hem hield.

Eens nu, toen de tyd van 't examen naderde, was Kruger's vader ziek geworden - ik kende den man heel goed, hy was bakker in Tilburg - en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, want hy was Vink 'n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon meedingen in 't Specimen, klasse: rhetoriek-eerste, en: theologie-derde. Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de kleine les best missen.

We hadden in rhetoriek-eerste dat jaar: de eloquentiâ, en in theologie-derde: de substantiâ archangelorum... heele moeielyke stukken, dit voelje wel!

Kruger zond z'n: de eloquentiâ van-huis - en 't was heel goed... mooi, hoor! - maar hy schreef aan onzen pater theologie-derde: dat-i 'n: de substantiâ archangelorum reeds vroeger had behandeld... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was, en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z'n pleizier doet...

- Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met 'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, zeg ik je, hier! In huis... terstond! Heere-jesis-kristis, wat heb ik 'n last van dàt kind!

Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking met pater Jansen af.

De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby Wouter's woning, en z'n moeder die juist in onderhandeling was met 'n groentejood over 'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich 'n beroerte te krygen van ergernis.

- Met 'n pastoor! Stoffel, kom 'ns gauw beneden... de jongen loopt met 'n pastoor!

Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen 'n lieve goede man die zoo'n bejegening niet verdiende. En dit was de zuivere waarheid.

De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove slechts bereikte aan den linkerkant?

Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z'n woning was, en dat-i geroepen werd door z'n moeder, antwoordde de man heel goedig:

- Zóó... woon je daar? Nu dan zal ik je-n-'n volgenden keer vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor... heelemaal doof, weetje?

Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z'n tranen af.

Het kwam hem voor dat z'n moeder 'n zware zonde begaan had, en dat 'n vyftigtal confiteors...

Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op 't ‘simmenarie’ 't krabbedieven van 'n bloempot gestraft wordt?

- Ah... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw Dungelaar... 't was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, zieje, maar alleen omdat ik zoo'n lust in klimmen had. Anders... men moet nooit iets wegnemen wat 'n ander behoort, al staat het nog zoo hoog. Dag, jongeheer!.

En na 'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging de man zyns weegs.

Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen... [2]

- 't Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.

- Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo'n manier komt er nooit iets van hem te-recht.

Onze wysgeer had wel 'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.

- Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, 't kind moet werk hebben. Als-i maar letterzetten wou! Of in 'n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet dat-i zelf 'n schoen maakt!

- Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loop ik met 'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar m'n school ga.

- Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.

- Anders... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, dat was ook 'n soort van pastoor. En wat deed-i?

- Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.

- Luthersch, moeder! Nu, dat 's byna 'tzelfde. We moeten niet zoo bekrompen wezen, moeder!

- Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch. [3]

Enz. Enz. Enz.

Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw Claus den rang aanmatigde van iemand die ‘in den handel’ geweest was, en weer ‘in den handel’ gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer ‘in.’

Door bemiddeling van zekeren leerkooper die - kommercieel gesproken - zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by 'n firma wier weledelheid iets minder apokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. [4]

De zaak erlangde haar beslag op 'n woensdag, en de nieuwe betrekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.

Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was - god-bewaarme! - tot 'n romanheld. [5]


[1] Die Vink was 'n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of... paus!

Pater Jansen wordt door Multatuli opgevoerd als goed maar onnozel, maar het lijkt me niet érg waarschijnlijk dat enige katholieke pater, hoe onnozel ook, zich ergens in het begin van de 19e eeuw zo kritisch zou uitlaten over de paus tegen een protestantse jongen die hij net kent.
 


[2] Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen...

Natuurlijk geldt dit in het bijzonder voor personen van de ware P.G. (Zie 1089)
 


[3] - Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.

Dit is weer één van die verheffende staaltjes logisch redeneren van juffrouw Pieterse, waarvan ik het vreemd vind dat Wouter er geen of weinig problemen mee had.

Hoe dit zij, het is ook waar dat deze redeneergang heel normaal is waar het morele principes betreft, en van dezelfde soort als Henry Ford's liberalisme inzake autolak: "Wij hebben autoos van iedere kleur, zolang het maar zwart is".
 


[4] Door bemiddeling van zekeren leerkooper die - kommercieel gesproken - zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by 'n firma wier weledelheid iets minder apokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.

Hier leren we dat juffrouw Pieterse de waarheid niet sprak over de herkomst van de schoenen die haar man verkocht, en dat Wouter opnieuw "de handel" ingaat als jongste bediende, en wel bij een firma die zó oud is dat de hele naam er naar ruikt, want coprolieten zijn versteende uitwerpselen, bijvoorbeeld van dinosauriërs.

Ideen 7 zal voor een flink deel gewijd zijn aan de firma "van de heeren Ouwetyd & Kopperlith", en ik merk hier op dat het mij niet onwaarschijnlijk lijkt dat de jonge Multatuli, die door z'n vader van de Latijnse school werd gehaald, of daar niet voldeed, rond dezelfde leeftijd als Wouter voor een dergelijke firma gewerkt heeft.
 


[5] Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was - god-bewaarme! - tot 'n romanheld.

Namelijk: Door het meemaken van gebeurtenissen die onwaarschijnlijk zijn dat ze wel uit een roman lijken te komen.

Idee 1121.