Idee 1116.                                                


Misschien was Stoffel's opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een ‘verkwister’ is dan toch altyd 'n persoon, 'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!

Prodigue, prodigue... asjeblieft prodigue!’ mompelde hy treurig. Want - tot verbazing van den lezer misschien - hy kende dit woord.

In een der omnibus-slaapkamers hing 'n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. 't Was 'n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening dat de daarop voorkomende uitdrukking: prodigue niets anders kon beteekenen dan ‘verloren.’ Dit had dan ook Stoffel tegen een van z'n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout...

- Want: ‘verloren’ stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.

...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de beteekenis van 't woord prodigue: ‘verkwister’ wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin. [1]

Eerste tafereel. De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z'n vader. De oudeheer had 'n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf... o hé! Er fladderde hem 'n mantel om de schouders - 't scheen erg te waaien in dien zuilengang! - 'n mantel... prinselyk! En z'n turksche broek was van puur goud! De jongen had 'n krommen sabel op-zy, en op z'n hoofd n tulband met aigrette... zeker 'n onix, of sardonix, of paarl, of... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. [2] Zulke zaken kosten niets op 'n prent.

De oudeheer keek verdrietig - en daarin had de man geen ongelyk - maar... al die beladen kameelen! En die slaven. En al die toestel voor 'n verre, verre reis! 'n Pikzwarte knecht hield 'n paard by den toom. 'n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: ‘komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!’

Welk jongentje zou niet graag zoo'n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.

Tweede tafereel. Hm... scabreus! Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en 't gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. ‘Liever zóó verloren, dan anders gevonden’ moest de indruk zyn dien 't feest maakte op de verbeelding van 'n kind.. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter's opmerking. Of liever, hy wist wel wat het beduidde, maar... voelde anders. En alweer was z'n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem 't meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van 't gezelschap. [3] Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van 't begrip: verkwisting, had de teekenaar 'n wynvaas doen omwerpen door 'n paar jachthonden...

Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, 't is te veel! 

...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf 'n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. 't Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was 't maar met 'n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!

De teekenaar spreekt: ‘meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?’

Volstrekt niet! Zie maar:

Derde tafereel. Heerlyk! Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op 'n rots, starende in de onpeilbare diepte van 't verschiet, en... alléén!

Denken, denken, denken!

Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z'n hart, z'n tyd, z'n elbogen, en z'n broek! De jonge man op 't plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z'n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z'n wydgeopende oogen! Men kon wis 'n dubbel stel longen gebruiken in zoo'n ruimte, en, ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i 't eens mocht gebracht hebben tot zoo'n verheven keizerschap over 't onmetelyk Ryk: eenzaamheid!

Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon best z'n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem 'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.

En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig 'n hut... voor Femke, natuurlyk.

De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. 't Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met 'r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook 't eenige verdriet dat 'n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.

Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had 'n onsmakelyk voorkomen.

- Als 't my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!

De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.

Maar... 't vierde? Evenmin! Minder nog!

Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in den zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuis gebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.

Maar... hy? De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!

Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!

En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydendste tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje's vader osselappen op 't weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering 'n ribstuk.

Op 'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!

En zie, ditmaal had-i aan z'n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer 'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar - op z'n pietersens! - werd megedeeld. Zy sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:

- Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar... och, mogen 't deze keer geen schapen zyn?

Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor 't beoogde kammen, en dus ook niet voor 't blauwzyden halsdasje dat Femke's lievelingslam zoo snoepig staan zou.

Maar... 'n verkwister wàs-i, verzekerde 't mensch.

Goddank!


[1] ...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de beteekenis van 't woord prodigue: ‘verkwister’ wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.

M. legt Wouter's "zin" uit in de rest van dit idee, maar ik merk hier op dat M. zelf doorging voor een "verkwister" bij nogal wat van zijn familieleden, vooral die van z'n eerste vrouw, en bij nogal wat hoteliers, die hij verliet zonder te betalen.

M. leefde graag op grote voet, of minstens als lid van de gegoede burgerij, maar had daar na 1856 zelden of nooit geld voor, en kon overigens ook niet met geld om gaan.


[2] Men kan er den geleerden Schrant op nalezen.

Dit is een zeer hooggeleerde 19e-eeuwse Nederlandse letterkundige, die M. eerder citeerde in 1064, waarvan het, gezien zijn evidente letterkundige voortreffelijkheid, nogal vreemd is dat hij geen standbeeld heeft.


[3] Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van 't gezelschap.

Ook dit is een overeenkomst tussen Wouter en Multatuli, want waarschijnlijk was M.'s voornaamste emotionele bezwaar tegen het Protestantisme waarin hij opgevoed was dat het zo stijf en bekrompen was. Dit bezwaar was ongetwijfeld terecht, en ikzelf vermoed dat het voor mensen die niet in de 19e eeuw zijn opgegroeid, en overigens ook niet extreem Protestants christelijk, héél moeilijk is zich adekwate voorstellingen te vormen hoe bijzonder bekrompen, stijf, achterbaks, en doods dit toen geheel normale, fatsoenlijke klimaat geweest moet zijn.

 

Idee 1116.