Idee 1115.                                                


‘Wel,’ veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z'n ‘geloof.’ 

Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens' huis. De blunders in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Één woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar de bitjara kossoeng van z'n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm. [1]

Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z'n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem 'n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z'n belangstelling in 't oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op 't gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.

Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden 'n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.

Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarde schelling waren overgebleven...

Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weggrissen van 'n paar stuivers... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben. [2]

Hoe dit zy, 't uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over, 't gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van't gebeurde. Hy sloeg in z'n relaas van de zaak, 't gevaar dat-i geloopen had, over. En... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z'n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z'n verkwisting, grooter was dan die op lof over z'n... ja, hoe moet ik 't noemen?

De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk genomen, en 't was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z'n ontydige mildheid was gestempeld geworden tot uittarting.

- Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z'n moeder. Jy verdient immers geen duit, jongen! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt? [3]

By zulke toespraakjes viel 't Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want... z'n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!

Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. [4] Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z'n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z'n moeder tegen hem inbracht.

Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als 'n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op 't laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.

De moeder had het woord: ‘verkwisting’ uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:

- Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!

- Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren... als ze-n-'n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?


[1] Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens' huis. De blunders in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Één woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar de bitjara kossoeng van z'n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm.

Ik heb hier al een opmerking over gemaakt onder 1114, en voeg hier toe dat het mij ongeloofwaardig voorkomt: Wouter moet op de leeftijd waar hij ondertussen was (namelijk 15 of 16) moeiteloos in staat zijn geweest de "blunders in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig maakten" als zodanig te herkennen.

En afgezien van de terechte en voor de hand liggende diagnose dat z'n familie-leden niet zo slim waren als hij valt er ook het een en ander te leren van de redeneerfouten die z'n familie maakte, omdat dit vaak leerzame voorbeelden zijn van wensdenkerij of het ophouden van conventionele waardigheid of evident gehuichel.

Eenmaal gearriveerd bij wat ik niet erg geloofwaardig vind in M.'s schets van Wouter's geestelijke rijping merk ik ook op dat ik het van een zeer intelligente jongen van zijn leeftijd wat moeilijk vind te geloven dat hij nog steeds geloofde in de God van z'n omgeving, vooral omdat deze intellectueel geheel ongeloofwaardig was en moreel overeind werd gehouden door de gelovigen met evident gehuichel.

Het is echter waar dat M. hierover komt te spreken in 1118, dat snel volgt.


[2] Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weggrissen van 'n paar stuivers... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.

Het is een interessante vraag hoe en vanwaar de feitelijke ideeën en waarden vandaan komen waarmee een mens arriveert in volwassenheid. Ik vermoed dat ze tegenwoordig vooral ontleend worden aan TV, maar kan over mijzelf vertellen dat ikzelf, net als Wouter, meende het een en ander aan mensenkennis op te doen door het lezen van literatuur.


[3] Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?

Gezien het weekloon dat een Nederlands werkman of onderwijzer vijftig jaar later zouden ontvangen, van zes à acht gulden, was de klacht van juffrouw Pieterse, hoe onrechtvaardig ook over Wouter, niet geheel onbegrijpelijk.


[4] Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes.

Dit kan weer eens plausibel geïnterpreteerd worden als een Multatuliaanse "note to self", want M. had er zelf nogal een handje van edelmoedig te zijn ook in omstandigheden dat dit feitelijk heel onverstandig was voor z'n eigen belang of dat van z'n familie. Zie ook M.'s eerste publicatie.

 

Idee 1115.