Idee 1113.                                                


We zyn weer op die ‘markt.’

Nog altyd stonden daar 'n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat! 

Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet. Ze werden door de bestbespraakten onder 't volk uitgescholden. ‘Bloeddieven’ waren ze, en - de lezer raadt het zeker al - ‘opvreters van Stad en Land.’

Wouter vond - o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening! - dat ze 'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als 'n beroep op zyn hulp!

De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's:

 Waar is... warre, warre, wou...
 Wouter die me redden zou? [1]

Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: ‘je bent iets... toon het!’

O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dŕt wil ik blyven verkondigen! [2]

Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:

- Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar 'n pruim tabak had!

- Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z'n nieuwbakken speciale zaakkennis, als opgewonden door 't denkbeeld dat hy 'n blyk geven kon niet tot de ‘massa’ te behooren.

De man begreep noch 't uitgesproken woord - negrohead - noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z'n aanvallers geschaard had.

Wie kon ook raden dat zoo'n kleine jongen 'n geheel ŕndere beweegkracht in z'n ziel had, dan die waardoor zich de ‘massa’ liet voortdryven?

- Komaan, jy snotjongen, hou jy 'r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!

- Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door 't gejoel heen.

- Hč?

- Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.

- Dat salje wel s..... s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker [3] stond. Lâ-de fent ferčkke!

S... s-gauw late’ beduidt: iets volstrekt niet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan 't wčl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of... 'n slag in 't gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.

Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van 't prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:

- Ik zal dien man tabak geven!

Ach, hoe heerlyk hy dat ‘ik’ intoneerde! De ‘nieuwe hoed’ uit z'n leeslesje was er niets by.

- Ik zal dien man tabak geven, ik!

‘Of sterven!’ zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon 't hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als 't gevorderd werd.

Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!

Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabakswinkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z'n zaakkennis. Al ware hyzelf in 't bezit geweest van twee ‘gevestigde’ zaken, hy had niet met meer aplomb z'n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor 'n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die 't wist, met 'n specialiteit! [4]

Nu, 't liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.

Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma's verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in 't heerlyk bezit gebleven van 't geldstuk dat z'n moeder hem had meegegeven ‘voor de meid’ omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op 't fatsoen gesteld was.

Maar 't aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...

De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter 't meest.

- Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met 'n stemmetje zoo zacht, op 'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...

Wat er 'n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!

Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z'n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven 't hoofd - waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met 'n stuiver tabak! - en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...

Wčg was z'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan 't aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z'n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:

- Dáár, man! Ziedaar tabak - negerhit, weetje? - 'n snotjongen ben ik niet!

De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z'n overtuiging: dat-i 't wel s... s-gauw ‘late sou.’ Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z'n voorspelling?

De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door 'n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan 't lachen had gemaakt: ‘beter 'n halve pruim in je mond, as 'n heel stuk in je... kraag!’

Al wat de voorvechter van 't non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegenvierend verwyderde...

O, Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z'n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...

De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat ‘die kleine jongen 'n s...s-brutale bliksem’ was.

Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem - tot z'n eigen verrassing waarlyk! - aan den dag gelegde moed was 'n uitvloeisel van geheel ŕndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z'n ziel groeien. [5]

In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.

Och, als Femken 't gezien had!


[1] De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's:

 Waar is... warre, warre, wou...
 Wouter die me redden zou?

Dit slaat terug op 382 en 384, waar Wouter geďnspireerd wordt door een molen, als ware hij Don Quichot.
 


[2] O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dŕt wil ik blyven verkondigen!

Zie 220 - 222, en trouwens ook 1112. Het is de moeite waard op te merken dat M.'s ingenomenheid met "hoogmoed" teruggaat op zijn voorkeur voor eerlijkheid, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid en dat het, weer in samenhang met het in 1112 gezegde, niet onredelijk is te konkluderen dat de grote meerderheid van de mensen minder eerlijk, zelfstandig en individueel verantwoordelijk is dan M. voor moreel en menselijk wenselijk hield.
 


[3] ..  onzen kleinen zelfdenker  ..

Dit is natuurlijk wat M. wilde dat de mensen in meerderheid zouden zijn. Maar ja: De meeste mensen gebruiken hun eigen zelfstandigheid om deze uit te leveren aan politieke of religieuze voorgangers, en trachten te doen en verschijnen alsof ze normaal zijn en maatschappelijk aangepast zijn, en doen dit gewoonlijk uit een kombinatie van eigenbelang en gebrek aan eigen ideeën en waarden. (Zie 1112 en de links daar gegeven.)
 


[4] Hy had te-doen met iemand die 't wist, met 'n specialiteit!

De term "'n specialiteit" betekende toen zoveel als: een deskundige, een deskundoloog. M. had hierover, toen hij dit idee schreef, pas een fraai boekje over geschreven "Duizend en enige opmerkingen over specialiteiten". Dit heeft ook weer van doen met het onder 1112 behandelde, en de daar gegeven links.
 


[5] Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z'n ziel groeien.

Ik licht dit er uit om te kunnen opmerken dat het gewone zelf óók overwegend een rol is die men speelt, die gebaseerd is op de theorie die men ontwikkeld heeft over wat men zelf is (of zou zijn), en dat de meeste mensen uit eigen ervaring zullen weten dat er gebeurtenissen zijn die iemand boven z'n gewone zelf uittillen, of eronder doen vallen, en dat men in beide gevallen een deel van zichzelf vindt dat onvermoed en ongedacht was.

Idee 1113.