Idee 1094.                                                


- En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon. 

Helaas neen!

- En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?

Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.

- Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m'n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en l toevertrouw. En... versta je deensch?

- N...e...e...n, m'nheer!

- Zoo! Deensch ook al niet? 't Is maar, weetje, omdat hier soms wel 'reis deensche matrozen komen om 'n onssie tabak te koopen. In 'n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen... dat's 't voornaamste! Anders ben je fittu! Grieken heb ik hier ook al gehad...

Wouter's gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?

- Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden 'n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is 't voornaamste! Anders ben je fittu, zieje? 't Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat's 't voornaamste! Maar dat's nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de l, weetje, en in den handel moet 'n mensch z'n zekerheid hebben. Dat's 't voornaamste!

Anders ben je fittu, dit begryp je zelf wel.

- M'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch 'ns eindelyk wat zeggen wilde.

- Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan!

- Ik... zal... 't... 'r... vragen, stotterde Wouter.

- Wel zeker! Ga jy 'r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Z gezegd, z gedaan, dat's 't voornaamste! Anders ben je fittu. Hier is ng 'n winkel. Daarin heb je ook te werken... als je moeder storten kan. Dat's 't voornaamste!

De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan 'n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en 'n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor 'n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter's tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.

- Zieje, zei m'nheer Motto, daar is 't boek, of wat je zou kunnen noemen: 't grootboek. Je verstaat toch 't boekhouden wel?

Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.

- Ook al niet, jongen? Dat's toch in den handel 't voornaamste! Want, zieje, wie dt niet kan, is fittu. 't Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie 'n boek haalt, met dag en datum er by, en 't huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-'t weerom brengen, dan haal je-n-'r 'n streep door. 't Zou er mooi uitzien als je dt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...

- Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.

- Ja, pand. n gulden voor elk deel van 't heele werk. Want, dit begryp je, als er n deel weg is, is 't heele werk fittu. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder... ga 't 'r maar 'ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd - want aan jongetjes die in 'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek - maar als 't dan aankomt op Mozes en de profeten - de borgstelling, weetje! - dan halen ze bakzeil. En dat's toch 't voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders... je ziet er nogal knappies uit... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!

Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den handel was, kwam niet in hem op. Hyzelf had zich vergist, meende hy, in 't weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker 'n allerontmoedigendst relaas van wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!

Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den handel gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen ten-laatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er 'n som van honderd gulden zou worden gestort, die 'n jaarlyksche rente van drie-en-'n-half procent zouden opbrengen. Hl aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van 'n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z'n kinderen.

Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of 't eerste derde. Hy was zoo vry z'n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen: & Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen [1] behoorde, en dat ook de heer Handel 'n voortbrengsel was van Motto's ryke verbeeldingskracht. Als 'n Atlas droeg deze de dubbel gevestigde zaak op z'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht 'n deel van z'n last op den nek te wentelen van 'n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en... cautie stellen kon. Dit was 't voornaamste... inderdaad!

Wel eenigszins ten-nadeele van z'n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter's gemoed het ander deel van z'n werkkring met 'n liefde... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zoud-i ziek geworden zyn! En... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met 'n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in - vl ryps was er niet by! - en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in 't voorzien van den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen, dan eigenlyk 'n auteur aangenaam is. De bekwaamste faiseur kon geen tien bladzyden lang 'n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee 't kind zou getooid worden op 't laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in 't onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang - eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon 't als 'n stap tot hooger beschouwen - zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zveel welgelukte oefening in juist-raden, die romanknoopjes beneden z'n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z'n begrip, bleef by hem de naveteit van smaak en opvatting ongeschonden. Al wist hy welke ridder straks onder de hoede van 't Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het toernooi, toch had hy 't geduld zich langs de voorgeschreven ficelles te laten leiden tot op 't oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou 't zondig en deloyaal hebben gevonden, n sekonde vr den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:

Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat! [2]

En... en - och, ik durf 't byna niet zeggen, doch wr is het! - hem bezielde daarby 'n gevoel alsof hyzelf...

Ivanhoe was?

Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in Valentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in the Maiden of the mist, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en... van Wouter! Want hy zou precies z gehandeld hebben, n als auteur, n als ridder, n als beschikker over den uitslag van 'n godsoordeel!

En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!

O, als hy 't boek geschreven had, als hy de god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...

Ja... ls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.

't Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op 't gebied van 't goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand 'n sigaar van de tien in-handen stopte voor 'n dito van de acht. En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk van de twintig zou moeten heeten, als zy 'n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z'n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat's 't voornaamste!

Dit nu leerde Wouter, in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hem tien, acht was acht, onverschillig met wien hy te doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: is 't waar wat je daar zegt? zoud-i hoogstwaarschynlyk byna altyd - en toen-i moediger werd: altyd - geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!

Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z'n af keer van onjuistheid - vreemd genoeg! - gevoed door al die lektuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts 'n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef hem - naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso - om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik in Millioenen-Studien zedelyk rym noemde. [3] De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Z behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z'n kleed. 't Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zker is 't, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hd. Prachtig! [4]

Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit 'n oogpunt van Kunst aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, 'n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was 't voldoende dat ieder die in zoo'n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God - Wouter's god - vervulde in al die boeken z'n plicht veel beter dan... byv. op den Zeedyk, waar-i gister nog 'n kleinen jongen had zien mishandelen door 'n groote. 't Moest eens in 'n boek gebeuren... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!

En ook Wouter had getracht...

Kon hy 't helpen dat z'n patroon hem op strengen toon terugriep?

- Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dr op! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't voornaamste! [5]

Ziedaar 'n wysheid van ndere soort dan in z'n boeken stond!

Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte: Sophia's reize van Memel naar Saksen - och, Wouter vond Sophia's oneindige reis veel te kort! - en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. [6] De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika - 't voornaamste zeker! - en de ongelukkige eigenaar van de beide snuifpotten had 'n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden: rappee en zinking al dan niet mochten verzwolgen worden in de faillite massa.

Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op den Zeedyk te Amsterdam geraadpleegd te worden...

Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over: rp. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.

We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: dat er met dien jongen altyd wt was! [7]

Alsof Wouter 't helpen kon!

Maar hm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z'n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo'n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer's Paul Clifford wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan... of wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is. [8]


[1] .. de klasse der welluidende verzinselen ..

Dit is een klasse die verdient zr veel bekender te zijn als begrip en frase dan ze is, aangezien het een fraaie en terechte term is voor het meeste wat de mensen beweegt, wat het ook mag zijn.
 


[2] Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!

De oplettende lezer weet wellicht onmiddellijk, net als ik, en zoals M. wat later zelf zegt, dat dit op  Walter Scott's "Ivanhoe" slaat, dat ook ik nog in m'n jeugd las, en dat ook in het begin van de zestiger jaren als reeks op TV was.

Wat is overigens de zin van deze opmerking? Deze: Hoewel er sinds ca. 1820, toen Scott schreef, bijzonder veel literatuur voor kinderen is geschreven, het althans enigszins interessant is dat maar hl weinig daarvan meerdere generaties overleeft, terwijl het althans mij ook niet echt duidelijk is wat daarvan de reden is.

Een gissing heb ik wel: Het moet goede soap zijn - veel sentiment, kitsch en romantiek, alles zeer overdreven, gesimplificeerd, en bevattelijk voor een kinderlijk gemoed, en zowel sprookjesachtige als realistische kanten hebben. M. geeft hier ook een heel goede karakteristiek van, die ik citeer bij opmerking [4].
 


[3] Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef hem - naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso - om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik in Millioenen-Studien zedelyk rym noemde.

Ja, dat "zedelyk rym" bestaat en is belangrijk, en ook een kenmerk van fantastische literatuur, waarin immers de werkelijkheid gereconstrueerd wordt tot iets begrijpelijks, samenhangends, zinnigs en aangrijpends, met plot, drama en ontknoping, waarin alles samengrijpt op een manier die zelden in het werkelijke leven plaatsvindt.

Maar ik denk dat een andere belangrijke reden waarom kinderen graag lezen is dat het ze (schijnbare) informatie geeft over een andere wereld dan waarin ze leven.
 


[4] De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Z behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z'n kleed. 't Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zker is 't, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hd. Prachtig!

Zie [2]: Dit is het kitscherige karakter van onmogelijke voortreffelijkheid en peilloze slechtheid dat feitelijk zoveel literatuur en film kenmerkt.

De meeste kunst volgt niet het klassieke adagium dat "Natura artis magistra" (de natuur - de werkelijkheid - is de leermeester van de kunst), zelfs niet als de kunst voorgeeft realistisch te zijn. De meeste kunst is kitsch, waarin goed en kwaad, mooi en lelijk, en overige contrasten waar mensen belang in stellen, vl sterker en simpeler aangezet worden dan ze in de alledaagse werkelijkheid plegen te zijn. En dat is ook niet vreemd als kunst een poging is de ervaring te verfraaien of interessanter te maken, of er een leerstuk van te maken, vol voorbeelden van wat goed en slecht zou zijn.
 


[5] - Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dr op! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't voornaamste!

Een hele wijze levensles, voor wie een braaf en aangepast veilig bestaan wil leiden. Aan Multatuli was deze les niet besteed.
 


[6] By planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond.

Ik vind dat jammer, want ik zou graag geweten hebben wat Wouter volgens Multatuli dacht en voelde bij al die literatuur, en ook wat Multatuli er zelf van vond. 
 


[7] We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: dat er met dien jongen altyd wt was!

Enigszins letterkundige opmerking: Ik veronderstel dat sommige lezers er baat bij zouden kunnen hebben als ik opmerk dat de uitdrukking "ieder 't zyne" (suum cuique) de frase is waarmee in het Romeinse recht de rechtvaardigheid wordt omschreven, en dat Hitler of Himmler dit tot sarcasme maakte door in concentratiekampen prominent de leus aan te brengen "Jedem das Seine".

Kortom, het logische probleem van deze welbekende klassieke Romeinse samenvatting van waar rechtvaardigheid op neer zou komen is dat het vronderstelt dat reeds uitgemaakt is wat aan ieder toe zou komen.

En overigens mag de oplettende letterkundig geleerde lezer opgevallen zijn dat we in de geciteerde passage een voorloper hebben van het gevleugelde Nederlandse woord "'t Is een bijzonder kind, en dat is ie".
 


[8] Iets van dien aard dan... of wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is.

Zie [4] en [2]. Toch moet hier ook opgemerkt worden dat ook Multatuli in de "Woutertje Pieterse" hier nogal veel aan doet, zoals de lezer in dit deel van de Ideen zal leren, wanneer Prinses Erika ter sprake komt.

En hoewel ik hier moet gissen lijkt mij dat n reden waarom Multatuli's Wouter's liefde voor Femke herhaaldelijk problematiseert is dat hij ndere plannen met Wouter had, namelijk een verhouding met een waarachtige prinses, naar ik aanneem gevolgd door een keurig burgerlijk huwelijk met Sietske Holsma. 

Idee 1094.