Idee 1091.                                                


Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk ‘P.G.’ werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo. [1]

- Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?

- Ja, moeder, 't kan niet mooier.

- Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.

- Op goed zedelyk gedrag, moeder! [2]

- Ja, goed zedelyk gedrag... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?

- Ja, moeder, maar... hy moet lust in werken hebben.

- Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies 'tzelfde gezegd? En... ze vragen: ‘P.G.’ Dat ben je, goddank! [3]

- Ja, moeder, dat is-i!

- En, Stoffel, als jy nu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?

- Maar... er staat: eigenhandig!

- Wel zeker! Als jy nu eens 'n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo'n kind het doet?

Stoffel slaagde niet zonder moeite in 't begrypelyk maken dat hier zeer in 't byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne - hoe mooi ook - in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan 't schryven gezet.

- Maar... wat moet ik er boven zetten?

- Weet je dàt weer niet? 't Is heel eenvoudig! Je moet schryven: Weledele Heeren! Er staat immers dat het 'n gevestigde handelszaak is?

- Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook 'n zaak heeft gehad, 'n zaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.

- En schryf dat je de-n-eerste bent op je school...

- En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent...

- En van goed zedelyk gedrag...

- En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.

Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in 't voor-den-dag brengen van 'n staatsstuk dat aan alle eischen voldeed. 't Adres werd, na rype deliberatie: Aan de Weledele Heeren, den heeren... motto: ‘handel.’

Maar... 't frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z'n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren... motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. ‘Maar, zeid-i, zeg 't er dan by, als je m'nheer Maaskamp te zien krygt.’  

Met 'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers 't hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den ‘handel’ te bestormen. De geringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden by Weledele Heeren die 'n ‘gevestigde zaak’ hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen. [4] By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man 'n gevestigde zaak hebben? En 't was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar 'n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo'n ‘gevestigde zaak’ dan toch eigenlyk voor 'n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?

Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.

Stamelend vroeg hy aan 'n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter's dokument in 'n bakje waarin reeds 'n paar dozyn stukken van gelyken aard op 't goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den printwinkel niet in, daar-i 't juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo'n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar ‘handel’ en niet naar heldendaden.

- Later, later! dacht-i.

Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z'n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit 'n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z'n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.

- En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo'n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op 't goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!  

Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu ‘haantje-de-voorste speelden’ zouden achter 't net visschen. [5] Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op 't voorrecht dat z'n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.

- Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn 'tzelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve zaak! Gut, de man nam nooit 'n elst in z'n hand. [6] Is 't waar of niet, Stoffel?

De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met 'n leesbibliotheek, gesticht op den Zeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de ‘grootste koopstad van Europa’ werd opgezet door 'n paar visscherlui. [7] Van paralel tusschen 't succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.

Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van 'n paar lood snuif, waarop 'n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan toen ze beweerden aan 't hoofd te staan van 'n ‘gevestigde zaak.’

Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van 't woord: ‘handel’ zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z'n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van 't woord ‘handel’ niet vroeger had begrepen. Nu wist-i 't! ‘Handel’ beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter 'n toonbank snuif te wegen. En... op den Zeedyk nogal!

Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers - laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren! - die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam ‘stichtten.’ Maar ook aan m'n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, 'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit 'n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om 'n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.

Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van 't plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?

De tabaks- en sigarenwinkel nam slechts de halve breedte van 't huis in, en stond door 'n zydeur in gemeenschap met 'n leesbibliotheek die 't vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van 't perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong. 't Moest 'n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de ‘zaak’ van de heeren Motto, Handel & Cie ‘gevestigd’ was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.

Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets ‘gefabriceerd’ werd. De ordonnateur van 't opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan 't verkoopen. Juist andersom dus dan we 't genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn 't nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd.

Één ding is zeker: wie 't eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en 't andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z'n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.

Of 't evenwel waar was dat er in de hier ‘gevestigde zaak’ inderdaad iets gemaakt werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P.G-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo'n byzonderen lust in werken hebben zou.

De handelswaar waarmee 't winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van 'n jaar huur, en de booze wereld van de Zeedyk durfde zelfs beweren dat de twee blauwporceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: rappee en zinking te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van 'n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z'n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: ιπο θηκη!

De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door 'n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing 'n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel - op dit oogenblik getooid met den jas van den Weledelen heer Motto - en van 't halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop 'n pomadepot aan 'n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door 'n mislukte poging tot tandwisselen. De heer ‘patroon’ Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan ‘handel’ wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z'n gelaat 'n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.

Dat overigens in dien winkel zelf 'n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto's lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m'n verhaal. In Wouter's jeugd was 'n sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid [8], en ik maak me dus hier schuldig aan 'n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.

- Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i 't oude vrouwtje geëxpedieerd had ‘met 'n snuifjen uit den pot toe.’ En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch... hè? En wat doen je ouwers?

- In... schoenen, m'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl... den heelen Strabbe.

- Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf pietje?

Wouter stamelde dat-i 't niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m'n lezers veronderstel, voor zoover ze 't geluk hebben minder dan 'n halve eeuw oud te zyn.

- Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat 'n pietjen is? En ken je-n-'t verschil wel tusschen 'n zest'half en 'n schelling? En tusschen daalders en acht-en-twintigen? Kyk...

De heer Motto trok de lade open, en scheen naar 'n ‘daalder’ te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met 'n ‘zest'half.’ Hy stelde Wouter's handelskennis op de proef, door hem optedragen 'n ‘schelling’ daarnaast te leggen - in z'n verbeelding - en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van 't verschil. Dit alles moest men ‘in den handel’ precies weten en kennen, beweerde m'nheer Motto.


[1] Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk ‘P.G.’ werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.

Hier kan ik verwijzen naar 1089 en 1090, voor wie over P.G. en tijdrekening wil weten.
 


[2] - Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.
     - Op goed zedelyk gedrag, moeder!

Stoffel was kennelijk in de leer geweest bij meester Pennewip, en zou moeten menen dat er ook goed onzedelijk gedrag is.
 


[3] En... ze vragen: ‘P.G.’ Dat ben je, goddank!
 

Zie 1089 voor "‘P.G.’" en merk op hoe goed, wonderbaarlijk en behulpzaam alle goden van alle geloven zijn door ervoor te zorgen dat hun gelovigen tot de gelovigen van hun eigen enige echte waarachtige geloof behoren.


[4] De geringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden by Weledele Heeren die 'n ‘gevestigde zaak’ hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen.

Ik kan mijzelf nog mijn eerste baantjes herinneren, en het lijkt me waarschijnlijker dan niet dat Multatuli's verhaal over Wouter's eerste banen - ik zal 'm nu maar "Wouter" noemen, want hij is 15 en gaat werken - ontleend is aan M.'s eigen leven, al is dit niet zeker, omdat onbekend is wat M. deed in de paar jaar dat hij niet op het gymnasium zat maar werkte, als tiener.

Maar om op die eerste baantjes terug te komen: Ook voor mij was het een heel andere wereld dan de kinderwereld of school, met andere eisen aan mensen, andere gewoontes, een andere manier van omgang, andere opvattingen over wat hoorde en normaal was, en zeker in het begin nogal wat raadselachtigs.
 


[5] Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu ‘haantje-de-voorste speelden’ zouden achter 't net visschen.

Kijk, dat is nu "goed zedelyk gedrag" van mensen van "‘P.G.’" afkomst.

En overigens ziet de oplettende lezer hier de toepassing van een universeel menselijk moreel beginsel: Wie z'n tegenstanders of concurrenten kwaad wil doen, die begint ze met het beschuldigen dat zij het kwaad dat hij zelf tegen hen wil gaan doen tegen hem hebben gedaan.
 


[6] - Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn 'tzelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve zaak! Gut, de man nam nooit 'n elst in z'n hand.

Kortom, waarachtig aristocratisch op z'n Grieks, want die hielden ook niet van handenarbeid of zwaar werk, en lieten dat bij voorkeur over aan slaven. En de lezer kan elders leren in deze bundel dat de schoenen die Wouter's vader verkocht feitelijk niet uit Parijs kwamen.
 


[7] De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met 'n leesbibliotheek, gesticht op den Zeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de ‘grootste koopstad van Europa’ werd opgezet door 'n paar visscherlui.

Indien ik niet fout voorgelicht ben, dan was daar al in de tijd dat het verhaal speelt (welke tijd dat ook precies mag zijn) de Amsterdamse hoerenbuurt gevestigd, die gezien Amsterdam's rol als "koopstad van Europa" en vanwege de vele zeelieden nodig voor de invoer van alle handelswaar een flinke hoofdstedelijke industrie was, en dat al eeuwen was geweest om dezelfde reden.

Helaas gaat Multatuli hier niet verder op in, en leren we niets over Wouter's ervaringen met de hem omringende dames van lichte zeden. Als dit er in Wouter's tijd zo uitzag als op fotoos van ca. 1895 dan was het hoerwezen indertijd een grauwe en armoedige affaire, uiterlijk nogal verschillend van de verlichte kijkdozen die tegenwoordig rond de Zeedijk te vinden zijn.
 


[8] In Wouter's jeugd was 'n sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid

Multatuli zelf hield veel van sigaren, en wist eraan verslaafd te zijn.

Idee 1091.