Idee 1088.                                                


Wouter's eerste studien in menschenkennis. Il y perd son latin. Leentje's extra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.

Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen uiting en daden, of - want hiermee nam z'n studie 'n aanvang - tusschen woord en meening. [1] Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z'n naveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was 'n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z'n moeder iets in 'n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was 't eens: dat dit nu al heel dom was voor 'n jongen die...  

Volgt: de schoolknapheid.

...en: die in den handel zou gaan.

- Maar, moeder, de man zei toch...

Allen bersten uit in schamper gelach.

- Als men drnaar luisteren zou!

- Nu, wat men in zoo'n winkel zegt!

- Uiliger heb ik 't nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo'n man bly is als-i z'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?

- Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?

- Wat is er aantevangen met zoo'n kind!

De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter's hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.

- Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.

Dit ikzelf was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: ik, 't hooge hof van appl! als: ik, die anders zoo graag party voor je trek. Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter's eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.

- Maar de man zei toch...

- Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dt niet? [2]

- Maar... hy gaf er z'n woord op!

- Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter...

Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in 'n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje's woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van 'n krypt. By de diepte van haar wysheid zou 'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over 't ontsluieren van 'n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...

- Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo'n man de waarheid zegt of niet!

- Wel, jongen...

De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.

- Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maar fut, zieje!

Wouter kende dit woord niet. [3] Als meer uitdrukkingen die tot 'n lager soort van spreekwys behooren, was 't hem zeker meermalen in 't oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z'n onnoozelheid. Hy had het nooit in z'n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen 't gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch 'n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje's toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan 'n stembuiging, aan 'n toonval, aan 'n melodie...

Neen, 'n melodie was 't niet! Waar toch had-i - en onlangs nog - iets gehoord, dat... dat...

Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als 't ware 'n weerslag was...

Hy ws er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: wel zeker, ieder moet handelen naar z'n overtuiging! en op den klank af, begreep hy Leentje's apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien 't woord fut bekleedt in de nederduitsche taal.

Zelf uit de oogen zien! En ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging. Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Welaan dan...

Ach, z'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag 'n verdrietig geval op den hals. 't Was diep in 't voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen 't hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.

Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z'n school...

- Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of 't geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober opgedaan en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen, overblyvers...

- Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo'n man zegt, is... fut!

- Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor 't schavot? Ja, voor 't schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, 'n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en... God verachten? Want dt zeg ik maar, God heeft ze laten groeien... die aardappelen! Weet je dt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg jy, Stoffel?

Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z'n eerste heldenfeit. [4] Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.

- Ja, zieje, Wouter, dit is nu z: de aardappelen, zieje, zyn... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zieje, 'n mensch z'n moeder... gut, ik lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je 't nooit weer zal doen.

- Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En... ieder moet toch handelen naar z'n overtuiging, niet waar?

De laatste opmerking ging Leentje's sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy...

Wanneer? Waar? Hoe?

Indien de oorzaak van z'n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z'n vreeselyke schavotzonde kwam hem 'n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By 't behandelen van een der jonge juffrouwen - in den burgerstand zyn altyd 'n paar huisgenooten ziek - had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z'n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op 'n wys die niet paste by Holsma's toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z'n verbazing, toen-i z'n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toen hy zich beklaagd had over dezelfde zaak.

- Juist, dokter, zei ze. Ik zeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. 't Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als 't nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wl gedaan, niet waar, dokter? Maar z deun hoeven we 't goddank niet te overleggen, en ik zeg ook: liever goeie boonen dan aardappels die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m'n oudste dochter - Trui heet ze, maar we noemen d'r Sertrude - zy heeft k gezegd: niet waar, Trui?

- Ja, moeder.

Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z'n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in 't late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als 'n oude bekende dien men byzonder genegen was. 't Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep. [5]

En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z'n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z'n... zonderling bezoek, en wist dat ook z'n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van hr kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral lke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z'n afgelegd examen - of wat daarvoor heette doortegaan - 'n normaal verloop genomen. Maar nu?

Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waarm er niets geschied was, en waarm hy op zoo vreemde manier 't mensch verlaten had? Zker was het dat er iets haperde, en dit iets zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z'n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan 't licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter's kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?

De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht 'n middel om 't huis te verlaten, en was juist gereed met 'n voorwendsel, toen er gescheld werd:

- Daar is ze, riep Petro die 't spionnetjen in 't oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft 'r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op 'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar 'ns open, als 'n jongen!

Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo'n wys hielp 't uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:

Tweede verwondering. - Zoo, lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je... ik heb altyd gezegd dat je zoo'n best kind bent!

En ze gaf hem 'n tikjen op den wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.

- Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat's niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo'n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zeg ik maar.

En ze biologeerde Wouter den trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.

Derde en vierde verwondering. De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybel-verwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: dat zoo'n kind lles weten zou!

Als Wouter latyn te verliezen gehad had...

- Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw 'r hoed op 't kammenet... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in 't spionnetje, en ze zei... nou, dat 's tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar 't is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft 't weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt... we hebben er koekdeeg op. Maar 't wil niet drgaan. Anders... koekdeeg is 't beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo'n goeien dokter... niet omdat-i zweeren snydt - gut n, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn - 't is maar om te zeggen dat we zoo'n goeien dokter hebben. En hoe gaat het uwe!

De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich 'n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op den trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en 't viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by 't binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z'n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:

vyfde verwondering. - En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m'n goeie juffrouw Laps, wat 'n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut 'n booschap doen - hy moest 'n potlood koopen, weetje, om 'n landkaart te teekenen - want in landkaarten is-i knap, en als 'n land niet deugt, veegt-i 't uit met gommelistiek - en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef 'm 'n stuiver, en-i gaat, en... daar zit-i nu weer! Dat's geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?

- Wat ik zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met 'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat's m'n zinnigheid en m'n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik...

- Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen...

- Zwyg, brutaal kind! Nu zl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dr, daar in 't hoekje, zal blyven zitten zoolang ik 't verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot... er is 'n barsie in. Neem 'n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?

- 't Zit 'm alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.

- In de dominees?

- Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat. 't Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo'n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had - met pinkster wordt het zeven jaar - maar jawel! [6] Prulwerk is 't, niets dan prulwerk. 't Heele woord dominee komt in de Schrift niet voor. En preek ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus' voeten. Dt 's 't ware, zieje.

Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse 't verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen 't kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op 't ontbreken van 'n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar z nauwkeurig kwam 't er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men 't minste scheurtjen opmerkt en betreurt.

- Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? 'n Dominee is net 'n mensch als 'n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht... hoe heet-i ook, Sertrude!

Trui noemde een naam.

- Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel... och, 't is 'n naam die... hy heet... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont 'n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders...

- De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in 't minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn...

De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen 'n heel andere afkomst hebben?

...toch is 't beter dat-i dr zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut n! De gemeente moet zich oefenen... met mekaar, zieje! Dt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan 't kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In 't geheel niet, volstrekt niet! 't Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.

Hier volgde een beschryving van Wouter's gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden - wat ze dan ook niet was - en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand. [7] Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z'n bezoek, al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor 'n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van 'n berisping drover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan overhoord had?

- Want, zieje, 'n ieder leert uit z'n eigen boek. En als je dan op-eens uit 'n ander boek gaat vragen...

- Ik vraag nooit uit 'n boek, riep juffrouw Laps, met 'n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, drin zit het hem niet!

- Maar, juffrouw, zei Wouter met z'n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!

- Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m'n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders 't kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis' wil waar 't naar toe moet? Z verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z'n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van 'n enkelen zondaar, landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moest ik je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, h? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! [8] Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja... maar dat's 't ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet... zie, zooveel!

En ze knipte met de vingers.

 - Maar... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?

- Stuur 'm gerust 'ns by me... al was 't van avend nog.

Wouter rilde. Maar gelukkig drong z'n moeder dien dag niet op de herhaling van 't bezoek aan. Integendeel, na 't vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.

Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z'n onnoozelheid meende hy slechts de keus te hebben, hr voor waanzinnig te houden, of... zichzelf!


[1] Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen uiting en daden, of - want hiermee nam z'n studie 'n aanvang - tusschen woord en meening.

Voor Multatuli is dit van groot belang, zoals uit de conceptie van de Ideen blijkt, maar wat hier staat is nauwelijks geloofwaardig: Een jongen van 15 die niet weet dat mensen vaak liegen is te naef, hoe intelligent overigens ook.


[2] - Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dt niet?

Zoals ik in m'n voorgaande opmerking duidelijk maakte geloof ik niet dat dit iemand van 15 onbekend kan zijn, maar het is wel zo dat de normale menselijke leugenachtigheid, oneerlijkheid, huichelachtigheid, en wat er verder tot het behoorlijk spelen van gewone maatschappelijke rollen behoort ook onderwerp zijn van veel leugenachtigheid, waaronder de leugen dat men eerlijk zou zijn heel prominent is. Voor wie er meer van wil weten: Zie 1112, waar ook meer links te vinden zijn.

Voor een kind is het dus heel moeilijk hier vat op te krijgen, en dan vooral omdat er over het liegen dat nodig is voor maatschappelijke carrires veel gelogen wordt, en ook veel verzwegen c.q. niet verwoord wordt.


[3] Wouter kende dit woord niet.

En ik al evenmin, althans in de 19e-eeuwse betekenis die Leentje er kennelijk aan geeft.


[4] Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z'n eerste heldenfeit.

Zoals gewoonlijk, naar men mag aannemen. Het was in het Nederland van Multatuli en ook het idem van mij niet mogelijk publiek "de waarheid" te spreken, althans wanneer die waarheid door het publiek in meerderheid werd afgewezen, zonder gevaar voor het eigen welvaren. Het enige excuus dat hier geldt is dat het ongetwijfeld onder niet-Nederlanders ook zo gaat.

Wie hier anders over denkt als Nederlander liegt of is een dwaas, en heeft het nooit gewaagd temidden van Nederlanders iets te zeggen dat de meerderheid afkeurde.

Trouwens, het gevaar voor eigen welvaren dat men loopt is niet dat men met geweld of tegenspraak geconfronteerd wordt, want daarvoor zijn de Nederlanders in grote meerderheid te laf (zij zelf menen: te moreel) voor, maar dat men geen of zo weinig mogelijk kansen krijgt zich maatschappelijk te ontplooien: Wie onder Nederlanders ontkent wat de meeste Nederlanders voor waar en belangrijk houden maakt zich tot outcast. Ook dit is trouwens algemeen menselijk en niet typisch Nederlands: Er zit kennelijk een gen in de meeste mensen dat tot horden-gevoelens, trouw aan de leider, en conformisme aan de horde (groep, stam, natie) disponeert.


[5]  't Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.

Nee, dat spreekt niet vanzelf, zoals ik onder [1] en [2] uiteenzette.


[6] Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had - met pinkster wordt het zeven jaar - maar jawel!

Het kan voor de intelligente lezer geen grond zijn van groot vertrouwen in de toekomst dat de machtigste man van de wereld anno 2006 ook al een Reborn Christian is, die meent "de genade" te hebben ontvangen van zijn Protestantse Heer. Zie ook [8], voor wat achtergronden en redenen waarom een protestant graag mag denken de genade deelachtig te zijn geworden.


[7] Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden - wat ze dan ook niet was - en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand.

Hm. Juffrouw Laps is minstens een beetje godsdienstwaanzinnig, zou ik zeggen - maar het is waar dat dit een vorm van waanzin is die zich goed laat verenigen met overige normaliteit, aangepastheid en conformisme.


[8] Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn!

Daar is die Goddelijke genade weer, die voor Protestanten vooral terug gaat op Calvijn, die leerde dat de grote meerderheid van de mensheid voorbestemd is door hun liefhebbende en alwetende God tot de hel, en dat er maar een klein percentage van "uitverkorenen" is die toegang zal krijgen tot de hemel.

Dit protestantse leerstuk moet het leven van zeer velen vergald en verbitterd hebben, omdat ze moesten menen dat de kans groot was dat ze na hun dood voor eeuwig zouden branden. Het zal sommigen, zoals Calvijn en juffrouw Laps, ook aanmerkelijke zieletroost hebben gegeven: Zj waren door de Heer voorbestemd naar de hemel te gaan, in tegenstelling tot de meeste mensen met wie ze omgingen. De menselijk-altemenselijke troost van het Ware Geloof! De gristen-morele goedheid en bescheidenheid!

Overigens is het wel terzake om een belangrijke 18e eeuwse protestantse theoloog te citeren over de genietingen van de protestantse hemel voor uitverkorenen:

"The sight of hell's torments will exalt the happiness of the saints forever."
   (Jonathan Edwards)

Het is maar een weet, lezer, voor het geval u met aanhangers van de E.O. te maken mocht krijgen!

Idee 1088.