Idee 1083.                                                

 

Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's omgeving. [1] Met den besten wil mogen wy dus 't verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van 't hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.

En toch, toch... Wouter ws eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem - al was 't dan doelloos - ingaf tegen hoogmoed [2], waren niet toereikend om afbreuk te doen aan 'n zelfgevoel dat waarlyk de perken van 't ooit da gewesene ver te-buiten ging. 

Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?

Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?

Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: of 'n bleekersjongetje?

Was ook dat onbescheiden? [3]

Neen, niet zulke nietigheden waren 't onderwerp van Wouter's ongevenaarde eerzucht. Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap [4], was 't by-wyze van spreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, 'n vlucht z hoog dat-i alle verschil tusschen 'n bleekveld en 'n troon uit het oog verloor.

De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. [5] Hy onderging onbewust den indruk van 't verhevene, en z'n onwetende ziel doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op 't gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. [6] Z'n weifelen in keus was 'n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z'n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo 'n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten - 'n zeer ongewone fout dus! [7] - om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze f niet noodig waren f niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. [8] Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!

Later, later! dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En ng een...

Helaas, er stonden er maar vyf in 't boekje van z'n geografie!

Vyf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te spreken.

Wat dn? Wat daarna?

Hier begon zich z'n fantazie te verliezen in de ruimte, en 't firmament verwarrende met 'n gedroomden ontstoffelyken hemel, naderden z'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.

Geen Weg ter Zaligheid en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, en waarmee hy zich - ziehier z'n hoogmoed! - zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. [9] God, of 'n god, moest noodwendig het goede willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. [10] Hy stond dus zoo'n Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter's stamboom.


[1] Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's omgeving.

Nee, dat geloof ik niet, al is het ook waar dat onder protestanten het doen van z'n plicht en het dienen van de Heer als veel belangrijker gelden dan geluk of geluksgevoelens. Maar mensen, voorzover ze geen genot of geluk najagen, proberen in grote meerderheid pijn te vermijden, en een dragelijk bestaan te leiden, met in ieder geval een behoorlijk quantum aan alledaagse tevredenheid en welvarendheid. (Ook protestanten geven gewoonlijk een koekje bij de thee.)


[2] Al de geneesmiddelen die men hem - al was 't dan doelloos - ingaf tegen hoogmoed ...

Voor "hoogmoed " zie 220 - 222, met mijn commentaren. Ik voeg hier alleen toe dat het voor Multatuli verscheen alsof hoogmoed (arrogantie, zelfrespect, trots ... de lezer kieze het woord dat 'm het beste voorkomt in deze context) een noodzakelijke voorwaarde is voor het kunnen ontwikkelen van een individueel en zelfstandig karakter, en ik ben het met hem eens.


[3] Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?

Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?

Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: of 'n bleekersjongetje?

Was ook dat onbescheiden?

Ja, mij lijkt van wel, want wat Wouter wilde was niet het zijn van "'n bleekersjongetje", maar het zijn van het vriendje van Femke. En dokter Holsma had gepoogd hem aan het verstand te brengen dat dit streven heel hoog gegrepen was. (Zie .... )


[4] Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap

Zoals Multatuli zelf, die graag Keizer van Insulinde was geworden, als hem dat mogelijk was geworden, n trouwens ook zoals heel veel kinderen: Het is opvallend dat kleine kinderen heel vaak prins, prinses, koning, ridder etc. willen zijn, kennelijk omdat zo'n positie zowel veel macht en status als veel bewondering geeft.


[5] De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid.

Zie 384.


[6] Hy was goed, innig goed. Op 't gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen.

Dit dacht Multatuli ongetwijfeld ook van zichzelf, inclusief de overweging dat dit voortdurend streven naar "'t hoogste" niet zo praktisch of verstandig was (gebleken).


[7] ... de gewone fout van edele harten - 'n zeer ongewone fout dus!   ...

Ergo: Er zijn heel weinig "edele harten".


[8] En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze f niet noodig waren f niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd.

Ik vermoed dat ook dit in ieder geval voor een deel ook Multatuliaanse zelfkritiek was, en tegen de tijd dat Multatuli dit schreef was hij ook overtuigd geraakt niet te zullen slagen in z'n ambities om Nederland en Nederlands-Indi radicaal te hervormen.


[9] Geen Weg ter Zaligheid en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, en waarmee hy zich - ziehier z'n hoogmoed! - zonder de minste aanbidding vereenzelvigde.

Willem Kloos was een bewonderaar van Multatuli, die ook minstens n van Multatuli's publieke voordrachten bijgewoond heeft. Zijn bekende dichtregel "Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten" zou heel goed ingegeven kunnen zijn door dit deel van de Ideen, want we vinden hem wat later ook in Wouter's gemoed, lang voordat deze in Willem's dichterbrein ontstond.


[10] God, of 'n god, moest noodwendig het goede willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook.

Dit was ook weer - zie Ideen 1 - wat Multatuli zelf geloofde, en ik al eerder afgewezen heb. Het Godsbeeld van de oude Grieken, met goden die jaloers, boos, en bedriegelijk konden zijn, is wellicht niet realistischer (bij volslagen ontstentenis aan goden of dergelijke goden) maar in ieder geval wel minder onlogisch, want er is geen enkele logische noodzaak waarom de of een schepper van het heelal goed zou zijn, of om mensen zou geven, anders dan - bijvoorbeeld - als een helaas noodzakelijk of onontkombaar kwaad in de rest van z'n schepping (die - ik gis maar - vooral dient om katten een aangenaam leven te geven).

Idee 1083.