Idee 1080.                                                


By het sluiten van dezen vyfden bundel der Ideen, 'n paar woorden ter toelichting. 

Men heeft zich beklaagd dat de totaal-indruk myner geschriften zoo treurig was, en dikwyls 'n bitteren nasmaak naliet. [1]

Als opmerking neem ik dit aan.

Mocht men 't als aanmerking geven, dan moet ik ernstig protesteeren.

Ik zou onwaar moeten zyn, om iets anders te leveren dan bitterheid.

Vindt men dit vreemd?

M'n arbeid is de Times van m'n ziel. (34) Meent men dat er vroolykheid kan geoogst worden van den akker die byna uitsluitend met smart bezaaid werd? (324) [2]

Ik ben geen ‘schepper uit niets’ (244) en kan slechts wat vorm geven aan de grondstof die me van buiten-af wordt meegedeeld. Klacht over den droefgeestigen toon myner werken zou dus gelykstaan met ontevredenheid over den pottenbakker die geen porseleinen vazen wist te vervaardigen uit pypaard.

Des-te-verdrietiger valt me zoodanige aanmerking, omdat ik waarlyk veel liever... porselein leveren zou! Liefelykheid, zachtheid - welluidendheid in alle beteekenissen - was een der illuzien van m'n jeugd. Men heeft niet gedoogd dat ik die richting volgde. Deze domme wreedheid zal wel - gelyk alles! - tevens haar goede zyde hebben. Wie weet of ik niet vervallen ware in 't sentimenteele, waarvoor ik nu door den eisch om steeds op voet van oorlog te blyven tegenover laaghartigheid, allerongenadigst bewaard bleef.

Maar... maar - de mensch is zwak - het spyt me!

Een tweede aan- of opmerking is, dat ik geen voortgang maak met Woutergeschiedenis. [3]

Indien ik by 't begin der historie van dien kleinen jongen 'n roman had aangekondigd, zou deze klacht volkomen gerechtvaardigd zyn. Jonge schryvers die iets wenschen te leveren voor leesbibliotheken, worden hartelyk gewaarschuwd tegen 't gebruik van dit stuk als model. Ik raad hun 't vertalen van een-of-ander buitenlandsch produkt aan, waarvan ‘zeker geacht tydschrift’ gezegd heeft... enz.

Maar... de Woutergeschiedenis is geen roman, en geen enkel ‘geacht tydschrift’ heeft tot-nog-toe gezegd wat ze dan wèl was. [4]

Ikzelf zal dus genoodzaakt zyn dit den lezer meetedeelen, en hoop dit dan ook later te doen met woorden van Lamartine die, naar me dezer dagen bleek, zonder iets te weten van m'n nummer 361, met de grootste nauwkeurigheid voorzien heeft - dichterplicht! - wat er geleverd moest worden, of althans wat ik zou trachten te leveren. Dat ik de hier bedoelde woorden nu niet aanhaal, heeft z'n reden. Ik zal my later daarover verantwoorden, want de lezer heeft er aanspraak op, te weten wat ik wilde voortbrengen, om 'n maatstaf te hebben ter beoordeeling of ik geslaagd ben. [5]

Dit laatste is tot-nog-toe gewis het geval niet! Waar ikzelf dit erken, kan de kritiek eenig geduld oefenen, dunkt me. En dit doet ze dan ook zoo trouw, dat ik raden en gissen moet of er hier-en-daar iemand leeft, die belang-stelt in de lotgevallen van m'n mensch-exemplaartje. De onverschilligheid waarmee men ook weer dit stuk bejegent, zou verschoonbaar zyn of althans begrypelyk worden door de opmerking dat ik nog altyd den zoo-even bedoelden maatstaf niet gegeven heb. Men ‘weet niet waar 't heen wil.’ Het uitstellen van beoordeeling zou inderdaad kunnen getuigen van meer omzichtigheid en kunstbesef dan waaraan m'n Publiek my gewoon maakte, indien ik niet op 'n gelyksoortig zwygen stuitte by 't publiceeren van heel andere stukken, welker bedoeling en strekking niet afhankelyk zyn van 't huwelyk der helden en heldinnen.

Om echter van myn zyde niet meer voorwendsel tot doodzwygen te geven, dan hoognoodig is, herhaal ik hier m'n beroep op 't program der Ideen, dat in m'n eerste brochure over ‘Vryen-Arbeid’ voorkomt. [6] Ik erken dat het daar gezegde geenszins voldoende is ter beoordeeling van de Woutergeschiedenis als kunstprodukt. Maar wel mag men aan dat program afmeten, of ik - al of niet over dien kleinen jongen sprekende - in m'n Ideen tracht te geven wat ik beloofd heb? En dit is - altyd met terugzicht op 30! - voorloopig alleen de vraag.

Toch wenschte ik dat m'n arbeid ook eenige waarde had als Kunstwerk...

Ach, waarom laat men my zoo zelden de stemming die daartoe noodig is!

...en daarom stel ik me voor: van nu af de Geschiedenis van Woutertje wat meer aaneengeschakeld te vervolgen. [7]

Ik hoop daaraan 'n paar der eerstvolgende bundels te besteden. Mocht ik voor dien tyd komen te overlyden - o, gaarne! - dan zal ik toch zorgen dat de lezer wete wat ik had willen leveren. [8]


[1] Men heeft zich beklaagd dat de totaal-indruk myner geschriften zoo treurig was, en dikwyls 'n bitteren nasmaak naliet.

Dit was een terechte klacht, en afgezien van M.'s gedeprimeerdheid, zoals o.a. tot uitdrukking gebracht in Ideen 4, is een belangrijke reden daarvoor natuurlijk dat Multatuli zéér veel Nederlandse wantoestanden en praktijken aanviel. Dit geeft om te beginnen al weinig reden tot vrolijkheid, waarbij komt dat wat Multatuli in toenemende mate depressief maakte was dat hij nauwelijks opgang maakte met zijn kritiek, en er geheel niet in slaagde zich aan het hoofd te stellen van een belangrijke maatschappelijke beweging die Nederland en z'n kolonieën veranderde en verbeterde in tal van opzichten.
 


[2] M'n arbeid is de Times van m'n ziel. (34) Meent men dat er vroolykheid kan geoogst worden van den akker die byna uitsluitend met smart bezaaid werd? (324)

Toch valt ook dat welbeschouwd wel mee, want er is toch ook vrij veel om te lachen op tal van plaatsen in Multatuli's werk.
 


[3] Een tweede aan- of opmerking is, dat ik geen voortgang maak met Woutergeschiedenis.

Het is niet onwaarschijnlijk dat de eerste opmerking van Multatuli's uitgever en vriend Funke was, en de tweede van zijn minnares en latere tweede vrouw Mimi.
 


[4] Maar... de Woutergeschiedenis is geen roman, en geen enkel ‘geacht tydschrift’ heeft tot-nog-toe gezegd wat ze dan wèl was.

Er werd feitelijk heel weinig aandacht aan besteed, zoals aan de hele Ideen. Een kommentaar zoals ik schreef heeft nooit iemand gemaakt, en het enige werk dat zich er bij mijn kennis serieus mee bezig hield, de Multatuli-Encyclopedie van de socialistische onderwijzer en burgemeester K. ter Laan werd pas, lang na diens dood, in 1995 uitgegeven.
 


[5] Ik zal my later daarover verantwoorden, want de lezer heeft er aanspraak op, te weten wat ik wilde voortbrengen, om 'n maatstaf te hebben ter beoordeeling of ik geslaagd ben.

Dit gebeurde nooit. Wat er in feite nog uit Multatuli's pen vloeide voor publicatie waren twee bundels Ideen, grotendeels gevuld met de geschiedenis van Wouter, maar zonder uitleg of verklaring van wat M. feitelijk beoogde met het vertellen van die geschiedenis, die zo'n groot deel van zijn Ideen inneemt.

En Ideen 7 eindigt met Wouter te Halfweg, nog steeds niet volwassen, nog steeds maagd, en in aanzienlijke problemen met weinig hoop voor een oplossing.
 


[6] Om echter van myn zyde niet meer voorwendsel tot doodzwygen te geven, dan hoognoodig is, herhaal ik hier m'n beroep op 't program der Ideen, dat in m'n eerste brochure over ‘Vryen-Arbeid’ voorkomt.

Zie de conceptie van de Ideen.
 


[7] Toch wenschte ik dat m'n arbeid ook eenige waarde had als Kunstwerk...

Ach, waarom laat men my zoo zelden de stemming die daartoe noodig is!

...en daarom stel ik me voor: van nu af de Geschiedenis van Woutertje wat meer aaneengeschakeld te vervolgen.

Ik heb al herhaaldelijk opgemerkt dat Multatuli volgens mij minstens enigszins manisch depressief was, vrijwel zeker z'n hele volwassen leven door, en toenemend depressief raakte naarmate hij ouder en teleurgestelder werd.

Er waren maar heel weinig recensies van M.'s Ideen, en ook van Woutertje Pieterse, zeker bij Multatuli's leven.

Eén reden daarvoor was dat M. controversieel was in z'n meeste meningen, zodat recensenten veel liever geen aandacht aan hem en z'n ideeën besteedde, want dat betekende dat ze zelf een standpunt zouden moeten innemen over controversiële kwesties, en wie carrière wil maken pleegt dat liever niet te doen.

Een andere reden is dat de Ideen, zoals de lezer die ze tot hier toe overwegend doorgelezen heeft weet bij ondervinding, nogal moeilijk leesbaar zijn omdat er zoveel in behandeld wordt in regelmatig veeleisend taalgebruik, en alle ideeën schots en scheef doorelkaar heen liggen.

De voornaamste redenen dat M. vanaf deel 6 van de Ideen deze voornamelijk over Woutertje Pieterse schreef zijn kennelijk dat zijn minnares en latere vrouw Mimi Haminck-Schepel dat graag wilde, en dat M. zowel depressief was in algemene zin als niet veel geloof meer had dat hij erin zou slagen een maatschappelijk en politiek leider te worden.


[8] Ik hoop daaraan 'n paar der eerstvolgende bundels te besteden. Mocht ik voor dien tyd komen te overlyden - o, gaarne! - dan zal ik toch zorgen dat de lezer wete wat ik had willen leveren.

Zie [7]. De tussenwerping "o, gaarne!" is nogal typisch depressief, en ook van het hier door M. beloofde kwam niet veel terecht, ondanks nog twee delen Ideen die voornamelijk de Wouter-geschiedenis betreffen, want M. bracht deze niet véél verder waar het Wouter's levensloop en ontwikkeling aangaat, en liet zich ook niet uit over "wat ik had willen leveren".

Het enige dat wel duidelijk is, is dat als M. de Wouter-geschiedenis vervolgd had na Ideen deel 7 op dezelfde voet van gedetailleerdheid als in de eerdere delen, er nog vele delen geschreven zouden hebben moeten worden, althans indien M. bedoelde Wouter een jaar of 60 te laten worden, en dat M. althans enig idee had wat hij daarin wilde behandelen. (Zoals: Femke zou sterven voordat ze moeder werd, en Wouter en Prinses Erika zouden iets met elkaar krijgen dat er in ieder geval toe zou leiden dat hij en zij elkaars maatschappelijke posities beter zouden kunnen leren kennen.)

Idee 1080.