By het sluiten van dezen
vyfden bundel der Ideen, 'n paar woorden ter
toelichting.
Men
heeft zich beklaagd dat de totaal-indruk myner geschriften zoo treurig
was, en dikwyls 'n bitteren nasmaak naliet. [1]
Als
opmerking neem ik dit aan.
Mocht
men 't als aanmerking geven, dan moet ik ernstig protesteeren.
Ik zou
onwaar moeten zyn, om iets anders te leveren dan bitterheid.
Vindt
men dit vreemd?
M'n arbeid is de Times van m'n ziel. (34)
Meent men dat er vroolykheid kan geoogst worden van den akker die byna
uitsluitend met smart bezaaid werd? (324)
[2]
Ik ben geen ‘schepper uit niets’ (244)
en kan slechts wat vorm geven aan de grondstof die me van buiten-af
wordt meegedeeld. Klacht over den droefgeestigen toon myner werken zou
dus gelykstaan met ontevredenheid over den pottenbakker die geen
porseleinen vazen wist te vervaardigen uit pypaard.
Des-te-verdrietiger valt me zoodanige aanmerking, omdat ik waarlyk
veel liever... porselein leveren zou! Liefelykheid, zachtheid -
welluidendheid in alle beteekenissen - was een der illuzien van m'n
jeugd. Men heeft niet gedoogd dat ik die richting volgde. Deze domme
wreedheid zal wel - gelyk alles! - tevens haar goede zyde hebben. Wie
weet of ik niet vervallen ware in 't sentimenteele, waarvoor ik nu
door den eisch om steeds op voet van oorlog te blyven tegenover
laaghartigheid, allerongenadigst bewaard bleef.
Maar... maar - de mensch is zwak - het spyt me!
Een
tweede aan- of opmerking is, dat ik geen voortgang maak met
Woutergeschiedenis. [3]
Indien
ik by 't begin der historie van dien kleinen jongen 'n roman had
aangekondigd, zou deze klacht volkomen gerechtvaardigd zyn. Jonge
schryvers die iets wenschen te leveren voor leesbibliotheken, worden
hartelyk gewaarschuwd tegen 't gebruik van dit stuk als model. Ik raad
hun 't vertalen van een-of-ander buitenlandsch produkt aan, waarvan
‘zeker geacht tydschrift’ gezegd heeft... enz.
Maar... de Woutergeschiedenis is geen roman, en geen enkel ‘geacht
tydschrift’ heeft tot-nog-toe gezegd wat ze dan wèl was.
[4]
Ikzelf zal dus genoodzaakt zyn dit den lezer meetedeelen, en hoop dit
dan ook later te doen met woorden van Lamartine
die, naar me dezer dagen bleek, zonder iets te weten van m'n nummer
361, met
de grootste nauwkeurigheid voorzien heeft - dichterplicht! - wat er
geleverd moest worden, of althans wat ik zou trachten te leveren. Dat
ik de hier bedoelde woorden nu niet aanhaal, heeft z'n reden. Ik zal
my later daarover verantwoorden, want de lezer heeft er aanspraak op,
te weten wat ik wilde voortbrengen, om 'n maatstaf te hebben
ter beoordeeling of ik geslaagd ben. [5]
Dit
laatste is tot-nog-toe gewis het geval niet! Waar ikzelf dit erken,
kan de kritiek eenig geduld oefenen, dunkt me. En dit doet ze dan ook
zoo trouw, dat ik raden en gissen moet of er hier-en-daar iemand
leeft, die belang-stelt in de lotgevallen van m'n mensch-exemplaartje.
De onverschilligheid waarmee men ook weer dit stuk bejegent, zou
verschoonbaar zyn of althans begrypelyk worden door de opmerking dat
ik nog altyd den zoo-even bedoelden maatstaf niet gegeven heb. Men
‘weet niet waar 't heen wil.’ Het uitstellen van beoordeeling zou
inderdaad kunnen getuigen van meer omzichtigheid en kunstbesef dan
waaraan m'n Publiek my gewoon maakte, indien ik niet op 'n
gelyksoortig zwygen stuitte by 't publiceeren van heel andere stukken,
welker bedoeling en strekking niet afhankelyk zyn van 't huwelyk der
helden en heldinnen.
Om echter van myn zyde niet meer voorwendsel tot doodzwygen te geven,
dan hoognoodig is, herhaal ik hier m'n beroep op 't program der
Ideen, dat in m'n eerste brochure over ‘Vryen-Arbeid’
voorkomt. [6] Ik erken dat het daar gezegde geenszins voldoende is ter
beoordeeling van de Woutergeschiedenis als kunstprodukt. Maar
wel mag men aan dat program afmeten, of ik - al of niet over dien
kleinen jongen sprekende - in m'n Ideen tracht
te geven wat ik beloofd heb? En dit is - altyd met terugzicht op
30!
- voorloopig alleen de vraag.
Toch
wenschte ik dat m'n arbeid ook eenige waarde had als Kunstwerk...
Ach,
waarom laat men my zoo zelden de stemming die daartoe noodig is!
...en
daarom stel ik me voor: van nu af de Geschiedenis van Woutertje
wat meer aaneengeschakeld te vervolgen. [7]
Ik
hoop daaraan 'n paar der eerstvolgende bundels te besteden. Mocht ik
voor dien tyd komen te overlyden - o, gaarne! - dan zal ik toch zorgen
dat de lezer wete wat ik had willen leveren. [8]
[1] Men
heeft zich beklaagd dat de totaal-indruk myner geschriften zoo treurig
was, en dikwyls 'n bitteren nasmaak naliet.
Dit was een terechte klacht, en
afgezien van M.'s gedeprimeerdheid, zoals o.a. tot uitdrukking gebracht
in Ideen 4, is een belangrijke reden daarvoor natuurlijk dat Multatuli
zéér veel Nederlandse wantoestanden en praktijken aanviel. Dit geeft om
te beginnen al weinig reden tot vrolijkheid, waarbij komt dat wat
Multatuli in toenemende mate depressief maakte was dat hij nauwelijks
opgang maakte met zijn kritiek, en er geheel niet in slaagde zich aan
het hoofd te stellen van een belangrijke maatschappelijke beweging die
Nederland en z'n kolonieën veranderde en verbeterde in tal van
opzichten.
[2]
M'n arbeid is de Times van m'n ziel. (34)
Meent men dat er vroolykheid kan geoogst worden van den akker die byna
uitsluitend met smart bezaaid werd? (324)
Toch valt ook dat welbeschouwd wel mee,
want er is toch ook vrij veel om te lachen op tal van plaatsen in
Multatuli's werk.
[3] Een
tweede aan- of opmerking is, dat ik geen voortgang maak met
Woutergeschiedenis.
Het is niet
onwaarschijnlijk dat de eerste opmerking van Multatuli's uitgever en
vriend Funke was, en de tweede van zijn minnares en latere tweede vrouw
Mimi.
[4]
Maar... de Woutergeschiedenis is geen roman, en geen enkel ‘geacht
tydschrift’ heeft tot-nog-toe gezegd wat ze dan wèl was.
Er werd feitelijk heel weinig aandacht
aan besteed, zoals aan de hele Ideen. Een kommentaar zoals ik schreef
heeft nooit iemand gemaakt, en het enige werk dat zich er bij mijn
kennis serieus mee bezig hield, de Multatuli-Encyclopedie van de
socialistische onderwijzer en burgemeester K. ter Laan werd pas, lang na
diens dood, in 1995 uitgegeven.
[5] Ik zal my
later daarover verantwoorden, want de lezer heeft er aanspraak op, te
weten wat ik wilde voortbrengen, om 'n maatstaf te hebben
ter beoordeeling of ik geslaagd ben.
Dit gebeurde nooit. Wat er in feite nog
uit Multatuli's pen vloeide voor publicatie waren twee bundels Ideen,
grotendeels gevuld met de geschiedenis van Wouter, maar zonder uitleg of
verklaring van wat M. feitelijk beoogde met het vertellen van die
geschiedenis, die zo'n groot deel van zijn Ideen inneemt.
En Ideen 7 eindigt met Wouter te Halfweg,
nog steeds niet volwassen, nog steeds maagd, en in aanzienlijke
problemen met weinig hoop voor een oplossing.
[6]
Om echter van myn zyde niet meer voorwendsel tot doodzwygen te geven,
dan hoognoodig is, herhaal ik hier m'n beroep op 't program der
Ideen, dat in m'n eerste brochure over ‘Vryen-Arbeid’
voorkomt.
Zie de conceptie van de Ideen.
[7] Toch
wenschte ik dat m'n arbeid ook eenige waarde had als Kunstwerk...
Ach,
waarom laat men my zoo zelden de stemming die daartoe noodig is!
...en
daarom stel ik me voor: van nu af de Geschiedenis van Woutertje
wat meer aaneengeschakeld te vervolgen.
Ik heb al
herhaaldelijk opgemerkt dat Multatuli volgens mij minstens enigszins
manisch depressief was, vrijwel zeker z'n hele volwassen leven door,
en toenemend depressief raakte naarmate hij ouder en teleurgestelder werd.
Er waren maar heel
weinig recensies van M.'s Ideen, en ook van Woutertje Pieterse, zeker
bij Multatuli's leven.
Eén reden daarvoor was
dat M. controversieel was in z'n meeste meningen, zodat recensenten
veel liever geen aandacht aan hem en z'n ideeën besteedde, want dat
betekende dat ze zelf een standpunt zouden moeten innemen over
controversiële kwesties, en wie carrière wil maken pleegt dat liever
niet te doen.
Een andere reden is
dat de Ideen, zoals de lezer die ze tot hier toe overwegend
doorgelezen heeft weet bij ondervinding, nogal moeilijk leesbaar zijn omdat er zoveel in
behandeld wordt in regelmatig veeleisend taalgebruik, en alle ideeën
schots en scheef doorelkaar heen liggen.
De voornaamste redenen
dat M. vanaf deel 6 van de Ideen deze voornamelijk over Woutertje
Pieterse schreef zijn kennelijk dat zijn minnares en latere vrouw Mimi
Haminck-Schepel dat graag wilde, en dat M. zowel depressief was in
algemene zin als niet veel geloof meer had dat hij erin zou slagen een
maatschappelijk en politiek leider te worden.
[8] Ik
hoop daaraan 'n paar der eerstvolgende bundels te besteden. Mocht ik
voor dien tyd komen te overlyden - o, gaarne! - dan zal ik toch zorgen
dat de lezer wete wat ik had willen leveren.
Zie [7]. De
tussenwerping "o,
gaarne!" is nogal typisch
depressief, en ook van het hier door M. beloofde kwam niet veel terecht,
ondanks nog twee delen Ideen die voornamelijk de Wouter-geschiedenis
betreffen, want M. bracht deze niet véél verder waar het Wouter's
levensloop en ontwikkeling aangaat, en liet zich ook niet uit over "wat
ik had willen leveren".
Het enige dat wel duidelijk is, is dat als
M. de Wouter-geschiedenis vervolgd had na Ideen deel 7 op dezelfde voet
van gedetailleerdheid als in de eerdere delen, er nog vele delen
geschreven zouden hebben moeten worden, althans indien M. bedoelde
Wouter een jaar of 60 te laten worden, en dat M. althans enig idee had
wat hij daarin wilde behandelen. (Zoals: Femke zou sterven voordat ze
moeder werd, en Wouter en Prinses Erika zouden iets met elkaar krijgen
dat er in ieder geval toe zou leiden dat hij en zij elkaars
maatschappelijke posities beter zouden kunnen leren kennen.)