Idee 1078.                                                


De meeste beschouwingen alzoo, die men by de keuze van 'n beroep telkens op den voorgrond hoort zetten, vallen in de termen van de zeer bekende huichelachtige braafheidventery, waardoor 'n waarheidzoeker zich niet laat bedriegen. Gelukkig wordt hiertoe geen groote scherpzinnigheid vereischt, omdat zy die van zulke praatjes gebruik maken, daaraan even min gelooven als wie ze aanhoort, en ze zich dus nogal dikwyls verklappen. Ieder weet, en als 't er op aankomt zal ieder erkennen, dat het geldverdienen hoofdzaak is. [1] Ik keur dit volstrekt niet af, mits men de zaak by den naam noeme. Niet de waarheid is plat, maar het verdraaien en verbloemen van de waarheid. [2]

De zeer velen die uit ongewoonte niet in-staat zyn zoo op-eenmaal overtegaan tot oprechtheid, kunnen zich behelpen met 'n overgangsmaatregel die Gode even welgevallig is als den Mammon. Men wil geld, veel geld. Zeer wel. Men wil nuttig zyn, allernuttigst. Ook goed. 't Een belet het ander niet, volstrekt niet!

Ziehier 'n voorbeeld hoe men zich in zoodanig geval te gedragen hebbe.

De jeugdige Lacrymax ontving 't levenslicht van 'n familie die sedert menschengeheugen had gedaan in nuttigheid. De geboorte van Lacrymax was er 'n blyk van, want z'n heele aanwezen was één maatschappelyk nut. De advertentie die z'n menschwording bekend maakte, had eigenlyk aldus kunnen worden ingekleed: ‘heden verloste zeer voorspoedig van 'n dosis algemeen welzyn... enz. Maar zóó werd de geboorte van 't nuttigheidswicht niet aangekondigd, omdat z'n ouders, by al hun overige deugden, ook de zeer voordeelige eigenschap bezaten van nederigheid. De nieuwsgierige krantlezer vernam slechts dat er 'n kind geboren was, zonder meer.

Tien, twaalf, twintig jaren later vonden er schoone diskussien plaats over Lacrymax' loopbaan. Even als by alle rechtschapen ouders, stond de nuttigheid bovenaan op 't lystje van de desiderata. Geld? Men dacht er niet aan, d.i. niemand sprak er van.

Een der familieleden stelde voor, het begrip ‘nut’ nader te bepalen. Hy vond den zin van dit woord te algemeen. Men kan toch immers geen patent nemen als algemeen-nuttigheids-fabrikant? Ieder zag in dat het noodig was zekere specialiteit te kiezen. Maar... welke?

De mode van den dag bracht kuisheid mee. Of deze mode ook in de familie Lacrymax 'n gevolg was van de duurte der voedingsmiddelen, gelyk zeker schryver in z'n Japansche Gesprekken beweerd heeft [3], zullen we daarlaten. Zeker is het, dat het woord ‘deugd’ in lacrymaxischen zin weinig anders beteekende dan verminkte geslachtsdrift. En ‘ondeugd’ beduidde het tegendeel. Simple comme bonjour. [4]

Het fnuiken van die ondeugd, en 't aanmoedigen van die deugd, was dus de speciaal-nuttigheid die door de familie Lacrymax beoefend werd, en ook dááraan zou alzoo de jonge Lacrymax zich toewyden. Reeds op z'n tiende jaar kende hy lange verzen tegen den wellust van-buiten. *) Een daarvan, en 't mooiste - de lezer zal 't wel kennen - eindigde:

‘En 't uitgemergeld rif zinkt ramlend in het graf!’

Ieder weet dat bejaarde maagden van beide geslachten, asketen, vleeschdooders, helden die aan den kogel of langdurigen garnizoensdienst bezweken, arbeidsluî die van 'n stelling vielen, cholera- en teringlyders, Origenessen, Jozefs van Egypte, Karel Grandissons, brave Hendrikken, kortom alle onwellustige dooden, nooit anders in 't graf zinken dan blozend, finaal ònuitgemergeld, en zonder rammelen... àls ze in 't graf zinken, wat aan hun diskretie staat.

Hoe dit zy, de eeuwigdurende blos der ‘deugd’ is bekend, en 't is dus wel heel overbodig dat men nog boeken schryft over kazuïstiek, of verhandelingen over den grondslag der moraal. De vraag: wat is goed, wat is niet goed? komt my te eenvoudig voor om behandeld te worden. [5] De heele zaak berust op den graad van ‘uitgemergeldheid’ en de eenige toetsteen van menschenwaarde is 'n weegschaal. De lezer zal me, hoop ik, dankbaar wezen voor deze vereenvoudiging der methode van zeden-taxatie. We kunnen voortaan onze moraliteit by 't gewicht bepalen. M'n aanspraak op erkentelykheid is des-te-grooter, omdat ikzelf nogal mager ben, en er uitzie als 'n dooie. Ik preek dus tegen m'n kerspel, en verdien geloof.

Met plompe opmerkingen, als byv. dat 'n zeer werkzaam zieleleven, ergernis, afgematheid van den stryd tegen 't booze, enz. enz. wel eens verschynselen kunnen te-weeg brengen, die iemand wat te vroeg voorbereiden om ‘rammelend in 't graf te zinken’ houden wy ons niet op. Evenmin gun ik me den tyd, het hemelsbreed verschil te bepleiten, tusschen 't aanpryzen van wellust, en 't afkeuren der burgerlyke bekrompenheid die alleen uit dit ondergeschikt bestanddeel van 't Mensch-zyn z'n deugdjes samenknutselt. Voor 't oogenblik zy 't genoeg, dat de lacrymeerende familie met hart en ziel tot deze laatste kathegorie behoorde. Deugd en kuizigheid waren haar dezelfde zaak. Meer of iets anders kende ze niet, vatte ze niet, achtte ze niet.

Maar ook in kuisheid bestaan specialiteiten. De jonge Lacrymax spreidde by zekere gelegenheid 'n byzondere voorliefde ten-toon voor gevallen meisjes, of liever voor 't ‘oprichten’ van zulke personen. De Vlissingsche toren was beklommen, de lei werd stuk getrapt, het levensdoel van den nuttigheidsapostel kon met vertrouwen vastgesteld worden.

Maar... om gevallen meisjes opterichten, moet men staan. Om te staan, moet men leven, eten, drinken, wonen. En, meer nog, er zyn gevallen meisjes die men niet behoorlyk kan oprichten zonder ook háár tot leven, eten, drinken, wonen enz. in-staat te stellen. En hiertoe is... geld noodig!

Geld?

Dáárom was 't onzen Lacrymax niet te doen. Waarachtig niet! ‘De nuttigheid, m'nheeren, de nuttigheid...

Hier volgen nu al de schoone verhandelingen niet, die door sommigen by deze gelegenheid zouden gehouden worden over de nuttigheid.

Maar... geld was er noodig! Dit te ontkennen zou dwaasheid geweest zyn. Alle gevallen meisjes wachtten met opstaan, tot Lacrymax geld genoeg zou verdiend hebben om haar de helpende hand te reiken...

De goeie jongen kon 't niet langer aanzien. Hy zocht en vond 'n beroep dat hem binnen weinig jaren in-staat stellen zou z'n nuttigheids-honger te verzadigen...

Onze Lacrymax zette 'n flink bordeel op.

Verkiest men in deze parabel toespeling te zien op 'n zeer groot aantal personen die meepraten over den mishandelden Javaan, my wèl. Maar 't stukjen is niet dáárom geschreven. Ik wilde slechts 'n middel aangeven hoe men, zonder den schyn van nuttigheidsbejag opteofferen, zich kan meester maken van 't ééne noodige, van: geld. Het is louter toevallig, dat m'n schetsje gaandeweg begon te gelyken op 't portret van geparvenieerde Javanen-vrienden en Rechtbeschermers. [6] 't Is zoo vreemd niet, dat de teekening van 'n jakhals zekeren familietrek met den hyena vertoont. Doch al was dit nu m'n uitdrukkelyke bedoeling niet, er blykt toch dat zoogenaamde-roepingskeuze gebruik maakt van dezelfde middeltjes die by 't kiezen van 'n beroep worden aangewend. Het wyzen hierop is waarlyk niet overbodig in 'n Maatschappy die 't my als fout aanrekent - domheid of onbeschaamdheid? - dat ik verzuimd heb fortuin te maken voor ik te-velde trok tegen schelmery. [7] M.a.w. dat ik niet manoeuvreerde als Lacrymax en 's mans industrieel-politisch-moralistische geestverwanten.

Met al de virtuoziteit in 't gemeene, die m'nheer Publiek kenmerkt, zou 't hem moeielyk vallen treffender blyk van laaghartigheid te geven, dan door deze aanmerking op Havelaars domheid.

*) Noot van 1877. In een der romans van Wolff en Deken waarschuwen de schryfsters tegen 't lezen van ‘boeken die de sluimerende driften opwekken, of de verbeelding ontvlammen.[8] Heel wel, schoon dit doel 't best kon bereikt worden door kennis. Onder die gevaarlyke boeken behooren: ‘alle sentimenteele romans, geene uitgezonderd, al spreiden zy al eens een gaas over de onbetamelijkste beelden; - ik zeg dat de onbetamelykheid juist in dat gaas ligt, en vooral in de vermeende behoefte aan dat gaas! - al (?) revelt (?) daar een verrukte ziel (?) lasterende murmureeringen en bitzen menschenhaat; het is al het zelfde, het zij zij toomelooze wellust of den snooden zelfsmoord prediken... enz.
Wat ‘toomelooze wellust’ is weet ik niet. Ook niet of er boeken zyn, waarin die - m.i. nogal vermoeiende - akeligheid ‘gepredikt’ wordt. Maar niet om deze opmerking te maken, haalde ik deze passage aan, ik wil slechts 't gedeelte van m'n parabel, waarby deze noot behoort, in bescherming nemen tegen de verdenking van overdryving. De aangehaalde regels worden door de firma Wolff en Deken in den mond gelegd van een als uitstekend verstandig voorgestelde moeder, die 't woord richt tot haar twaalfjarig dochtertje, en 't heele werk waarin deze frajigheid voorkomt (Cornelia Wildschut) is volgens de uitdrukkelyke verzekering der schryfsters, zeer in 't byzonder van opvoedkundige strekking!
Die roman heeft over 't geheel zeer weinig waarde, maar juist daarom eischt hier de rechtvaardigheid de erkentenis dat de karakterteekening van Cornelia's lichtzinnige moeder onovertroffen kan genoemd worden. Hoe iemand die in-staat bleek dàt portret te leveren, haar naam kon leenen tot meestempelen van 't geheele werk, is my 'n raadsel! Aagje, Aagje, waarom niet op eigen wieken gedreven? Hoe jammer dat de brieven van die Mevrouw Wildschut, om 't zeer specifiek-hollandsche van haar uitdrukkingen, niet te vertalen zyn! Dat 'n roman in ‘brieven’ nu eenmaal 'n hors d'oeuvre is, doet hier niet ter-zake. Het beeld van Cornelia's moeder is - en blyft, al laat men alle europesche beroemdhedens meedingen - 'n kunstvoortbrengsel van den allereersten rang.


[1] Ieder weet, en als 't er op aankomt zal ieder erkennen, dat het geldverdienen hoofdzaak is.

Juist! In Nederland zijn alle waarden uiteindelijk afgeleid van financiële waarden: Hoeveel verdient 't?
 


[2] Niet de waarheid is plat, maar het verdraaien en verbloemen van de waarheid.

Nu ja, maar er zijn ook platte waarheden.
 


[3] .. gelyk zeker schryver in z'n Japansche Gesprekken beweerd heeft ..

Dit was Multatuli zelf.
 


[4] Zeker is het, dat het woord ‘deugd’ in lacrymaxischen zin weinig anders beteekende dan verminkte geslachtsdrift. En ‘ondeugd’ beduidde het tegendeel. Simple comme bonjour.

En zo is het tot op heden overwegend.
 


[5] De vraag: wat is goed, wat is niet goed? komt my te eenvoudig voor om behandeld te worden.

Toch is een adekwate behandeling van de vraag moeilijk, zoals M. toegaf in 423, waar ik wat moeite deed te doen wat M. naliet.
 


[6] Ik wilde slechts 'n middel aangeven hoe men, zonder den schyn van nuttigheidsbejag opteofferen, zich kan meester maken van 't ééne noodige, van: geld. Het is louter toevallig, dat m'n schetsje gaandeweg begon te gelyken op 't portret van geparvenieerde Javanen-vrienden en Rechtbeschermers.

Dit mag betwijfelt worden, maar het is wel een feit de meerderheid van Goede Werken niet verricht wordt vanwege de goedheid ervan, maar omdat het de werker geld opbrengt én status geeft.
 


[7] Het wyzen hierop is waarlyk niet overbodig in 'n Maatschappy die 't my als fout aanrekent - domheid of onbeschaamdheid? - dat ik verzuimd heb fortuin te maken voor ik te-velde trok tegen schelmery.

Niet zo heel veel later nam M. zichzelf dit kwalijk, in privé-correspondentie met zijn vriend Roorda.  
 


[8] In een der romans van Wolff en Deken waarschuwen de schryfsters tegen 't lezen van ‘boeken die de sluimerende driften opwekken, of de verbeelding ontvlammen.

Terwijl dit nu juist is waarom de doorsnee "boeken" léést.

Idee 1078.