Idee 1075.                                                


Wouter moet 'n beroep kiezen. Advies van den auteur, dat waarschynlyk door Jufrouw Pieterse niet zou begrepen worden, en dat-i daarom maar in vertrouwen meedeelt aan den lezer, op hoop van beter.

Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien 'n jongen, die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z'n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z'n broêr Stoffel.

- Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.

- Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met 'm zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee... nu dat's me-n-ook wat! [1]

‘Dat's me-n-ook wat!’ beduidt: 't is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest - er was iets Afrikaansch in - maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.

Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart - als baden en zwemmen - 'n uitspatting, 'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n hors d'oeuvre of 'n ondeugd. [2]

- De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo'n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!

Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van Straat Magellaan... helaas!

Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam, en verhaalde treffende voorbeelden van jongeluî die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan. [3]

En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op 'n notariskantoor, geen bediende in 'n winkel, geen aptekersjongen...

Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z'n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.

De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens 't geval is. De meer of mindere kans op ‘geld-verdienen’ werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om zeer spoedig ‘in de verdiensten te komen?’ [4] Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't ‘worden van 'n nuttig lid in de Maatschappy’ voor-den-dag te brengen. Toevallig - en zeer by-uitzondering - had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. [5] Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:

de plaats betalen die het lot hem bood.

...en iets meer dan dat, als 't mogelyk was! Kon hy 't helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z'n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar 'n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...

Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z'n verbeelding voorspiegelde?

Het is zeer gelukkig dat Juffrouw Pieterse myn raad niet gevraagd heeft by de keuze van 'n beroep van haar jongsten zoon, daar ik in dit geval my had moeten schuldig maken aan 'n advies dat niet veel kans had door haar begrepen te worden. En zelfs niet door Stoffel.

Laat ons zien of ik by den lezer gelukkiger wezen zal.

Eerst - als gewoonlyk - 'n fraze ter-zy gedrongen: het voorgewend streven naar nuttigheid.

Indien het waar was dat hierop by 't doen van 'n beroepskeuze werd acht-geslagen, zou men sedert lang de verschillende bedryven verdeeld hebben in zeer nuttige, minder nuttige en schadelyke. By toenemende beschaving en daarmee samengaande verfyning van 't zedelykheidsgevoel, zou het te voorzien zyn dat het aantal kandidaten voor 't àllernuttigste vak gaande-weg zou aangroeien tot 'n reusachtig cyfer, en weldra zou dan - naar zeer burgerlyke opvatting van 't woord ‘nuttigheid’ - de heele Maatschappy bestaan uit broodbakkers die geen andere klanten hadden dan hun kinderen, of uit landbouwers, die te vergeefs duizend mudden graan zouden bieden voor 'n paar schoenen of 'n kop koffi.

De ongerymdheid van deze konkluzie doet in 't oog vallen dat de burgerlyke opvatting van 't woord ‘nuttigheid’ niet goed is.

‘Nu ja, molenaars en schoenmakers moeten er ook zyn...

Juist! Er zyn ook lieden noodig die 't huis van den bakker bouwen, z'n oven metselen, z'n meel malen, die hem van brandstof en schoeisel voorzien, enz. Bovendien is er 'n publiek noodig, dat hem z'n brood afkoopt. De nuttigheid van z'n beroep zou weinig te beteekenen hebben op 'n onbewoond eiland.

De valsheid der gewone voorstelling, alsof de nuttigheid van eenig beroep bepaald werd door de onmisbaarheid van 't voortbrengsel, ligt alzoo klaar voor oogen. We moesten die huichelary maar afschaffen, daar toch niemand er aan gelooft, en ze dus de voor huichelary nogal verdrietige fout heeft van overbodigheid. Er is met verdraaide zedelykheid meer winst te behalen op àndere terreinen!

Zoolang we jeneverstokers aantreffen onder de ‘zeer geachte leden der Maatschappy’... zoolang elk advokaat die ‘de rechten van weduwen en weezen bepleit’ 'n ander advokaat tegenover zich heeft, die wat ànders schynt te bepleiten dan de rechten van al die weduwen en weezen... zoolang we schryvers hebben, die met goed gevolg op de domheid van hun lezers spekuleeren... zoolang er professers zyn die van o en e of oo en ee leven... zoolang er ‘achtbare’ fortuinen worden verdiend met het verkoopen van pillen voor alle kwalen... zoolang men het duldt dat uitschryvers van negotiatien en leeningen zich aanstellen als respektable lieden, en zelfs door sommigen daarvoor gehouden worden... zoolang men ‘iets’ worden kan door ‘in’ iets te gaan, in koffi, suiker, peperment, assurantie, kurk, effekten, sina's appelen, hennep, enz... zoolang 'n minister die 't land te-gronde richt, niet wordt aangespuwd... zoolang de eerste de beste, zonder 't minste blyk te hebben gegeven noch van kennis, noch van bekwaamheid, noch van karakter, noch van integriteit, voor goed genoeg wordt gehouden om 't Volk te vertegenwoordigen... zoolang ieder die 'n fraze weet saamtelymen - en zelfs menigeen die 't niet kan - zich onbespot het recht aanmatigt de Natie voortelichten, en daarvoor met levensonderhoud betaald wordt...

Zoolang, in één woord, de waarde en achtbaarheid van elk maatschappelyk standpunt bepaald wordt door 't inkomen en 't aanzien dat men zich - hoe dan ook! - daarvan weet te verschaffen... [6]

Zóólang ook zal 't 'n ongerymdheid blyven de nuttigheid der voortgebrachte of behandelde zaak tot maatstaf te nemen van het nut dat de persoon die zoodanige zaak levert of behandelt, de Maatschappy aanbrengt. [7] Laat ons oprecht zyn, en erkennen dat 'n ambachtsman zich zeer vereerd zou moeten achten, de laarzen van Holloway's ryknecht te poetsen. En dit geschiedt dan ook. De werkman die 't weigerde, zou gehouden worden voor... excentriek. Een bewys dat het tegendeel regel is.

Zou men niet op 'n verkeerden weg zyn, indien men de bepaling der betrekkelyke achtbaarheid van jeneverstokers en broodbakkers liet afhangen van de nuttigheids-verhouding tusschen brood en jenever? Toch is - volgens 'n opmerking van Stuart Mill, die zoo ryk is aan oorspronkelyke ideën als Holloway aan pillen - nog nooit de zoon van 'n likeurstoker bakker geworden, omdat-i 't leveren van brood nuttiger vond dan 't stoken van jenever. Kouzen zyn nuttige kleedingstukken. Is dit 'n reden om al onze dochters opteleiden tot breisters? Onze papieren behangsels zyn... smakeloos, nu ja, maar dit is byzaak. Ze werken vergiftigend, en hebben hoogstwaarschynlyk...

Stuart Mill zegt er niets van, en dus kan ik maar gissenderwyze spreken, omdat het 'n Hollander niet voegen zou 'n denkbeeld te hebben dat niet gestolen is van 'n opgehemelden vreemdeling.

...die behangsels dan zouden wel eens meer menschen kunnen vermoord hebben, dan 'n paar dozyn oorlogen. *) Heeft men er ooit van gehoord dat de fabrikanten van die voddery tot booswichten verklaard zyn, of ook maar tot beoefenaars van 'n niet byzonder nuttig vak? Immers neen.

Lieve hemel, men is al bly wanneer men z'n kind hier-of-daar 'n plaatsje heeft weten te verschaffen, onverschillig of hem daardoor de kans wordt geopend weduwen en weezen te beschermen, of vrouwen tot weduw, kinderen tot wees te maken.

Er bestaan nuttige menschen. Het zyn dezulken wier plaats niet, of slechts zeer moeielyk, door anderen zou kunnen worden ingenomen. [8] Nuttige beroepen - d.i. nuttig by-uitnemendheid - zyn er niet. Elk vak, vertegenwoordigd door zooveel individuen als de verhouding tusschen vraag en aanbod toelaat of eischt, is even nuttig als 'n ander dat dóór z'n bestaan blyk geeft reden van bestaan te hebben. [9] Waar deze reden ophoudt, sterft het uit als toovenaars, profeten, dominees en pruikenmakers.

Dat men zekere vakken zou kunnen noemen, welker uitoefening inderdaad schadelyk werkt op het algemeene welzyn, is waar. Doch de blaam hiervan treft niet dan ten-onrechte de personen die zich daaraan... wyden. Zulke bedryven zyn 't uitvloeisel van den smaak en der vermeende behoeften onzer maatschappy, ook al weigerde deze of gene zich daarmee bezig te houden. Een behangselfabrikant die uit zedelykheidsgevoel z'n fabriek veranderde in 'n Delftsche-plateelbakkery, zou niets nuttigs verricht hebben zoolang de publieke smaak niet veranderde. En, by verandering van dien smaak, zou z'n eigenaardige industrie van giftverspreiding vanzelf vervallen.

Toen onlangs te Parys de betrekking van beul vakant was, boden zich honderde personen aan om haar te vervullen. [10] Wanneer men aan die kandidaten gevraagd had of ze hierin de bekroning zochten van 'n jeugdige nuttigheids-illuzie, zouden ze ontkennend geantwoord hebben, doch waarschynlyk met de vergoelykende opmerking: als ik 't niet doe, wordt het door 'n ander gedaan.’ [11]

Wel zeker! Als Peter weigert brood te bakken of z'n medemenschen den kop afteslaan, zal Paul het doen. Er kan dus uit Peters weigering evenmin broodsgebrek voortvloeien, als verhooging van 't peil der humaniteit, of van wat daarvoor doorgaat. We hebben 't recht niet, laag neertezien op schavotten, zoo lang we genoegen nemen met erger dingen.

Maar de zekerheid dat de keus van Peter en Paul niet den minsten invloed heeft op de algemeene welvaart, bewerkt dan toch dat er 'n nummer minder is op 't zwarigheids-lystje van ouders die 'n beroep zoeken voor hun kroost.

Waardoor moet men zich dan laten leiden?

Door den smaak der kinderen?

Deze beteekent niets. Eerst willen ze koning worden, of koetsier. Later worden ze beheerscht door zekere grilligheid die niet veel meer reden van bestaan heeft dan de vroegere begeerte om op 'n troon of 'n bok te zitten. Die smaak laat zich nogal gemakkelyk wyzigen, omdat ze gewoonlyk 'n uitvloeisel is van bykomende zaken die 't kind voor hoofdzaak houdt. Zoo zal menige jongen zee-officier willen worden, omdat hy 't dolkje zoo aardig vindt, waarmee 'n adelborst getooid is. Ik heb 'n knaap gekend, die z'n ouders opdrong dat-i zoo'n byzonderen aanleg had voor de schilderkunst. Hy betoogde z'n uitsluitende vocatie, door alles te minachten wat men hem zei, alles te verwaarloozen wat men hem opdroeg, en vooral door niets te leeren. Na langen tegenstand dwong hy z'n ouders tot toegeven. Hy is schilder geworden, d.i. niets. Want, niet den minsten byzonderen aanleg bezittende, heeft hy 't in dat vak ter-nauwernood gebracht tot de middelmatigheid die in de kunst niet de minste waarde heeft. Z'n ouders hebben nooit geweten welke luchtspiegeling hem verleidde tot de meening dat er 'n artist in hem stak, maar my is 't duidelyk geworden. In z'n jeugd had hy brieven gelezen van 'n bloedverwant die in Italie reisde, en waarin eenige aantrekkelyke schetsjes werden gegeven van 't kunstenaarsleven te Rome. Onze kleine dwarsdryver nam ter-goeder-trouw z'n lust om aan zekere pretjes deeltenemen, voor 'n roeping tot de Kunst, en de ouders waren niet oplettend of niet ontwikkeld genoeg om deze begripsverwarring tot helderheid te brengen.

Men ontmoet zeer dikwyls menschen die zich beklagen dat ze gedwarsboomd zyn in hun levensplannen, maar gewoonlyk hebben ze ongelyk. Dat het opgedrongen vak niet met hunne neigingen overeenstemt, kan waar zyn. Doch de vraag blyft altyd of hun eigen kinderlyke smaak hun niet 'n nog onaangenamer poets zou gespeeld hebben, wanneer men daarin had toegegeven? Ik denk hierby aan Tollens die ‘in’ verfwaren gestoken werd, en liever in verzen gedaan had... naar z'n zeggen. Hy beklaagt zich - of liever, hy beroemt er zich op - dat-i ‘verzen door de cyfers heen’ schreef. Eilieve, wanneer z'n ouders hadden toegegeven in z'n ziekelyken lust...

*) Het getal menschen die door oorlog worden om-hals gebracht, is niet noemenswaard in-verhouding tot den normalen aanwas van de wereldbevolking, daar we het aantal geboorten op meer dan veertig millioenen 's jaars kunnen stellen. [12] 't Is echter de vraag niet of er op ons bolletje eenige duizende menschen meer of minder in leven worden gehouden, de vraag behoorde te zyn: hoe zy leven? Zoo ook moest men zich by hygienische statistiek wat minder bekommeren om sterftecyfers en wat meer letten op de in gezondheid doorgebrachte levensdagen. Het is niet de duur van 't leven der menschen, maar hun betrekkelyk welzyn, dat den maatstaf oplevert tot beoordeeling van sociale toestanden. Ook hier bestaat de ware deugd in 't streven naar verhooging der som van genot. [13]


[1] En naar zee... nu dat's me-n-ook wat!

Hier moet vermeld worden dat Multatuli's vader kapitein was, en één van Multatuli's broers stuurman.
 


 [2] In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart - als baden en zwemmen - 'n uitspatting, 'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n hors d'oeuvre of 'n ondeugd.

Het is een enigermate interessante mededeling, omdat zoveel van Neerland's welvaart eeuwen lang rond de zeevaart draaide, want daarmee werd gehandeld. Overigens zal het zeevaren niet alleen als "losbandigheid" hebben gegolden, maar ook als gevaarlijk, en dat was het ongetwijfeld, want het gevaar te overlijden gedurende een reis, bijvoorbeeld aan scheurbuik, was groot.
 


[3] Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam, en verhaalde treffende voorbeelden van jongeluî die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.

Dit mag niet erg logisch zijn, maar je kunt je ook de vraag stellen hoe verstandig het is logisch te willen redeneren temidden van een grote meerderheid aan Stoffels.
 


[4] De meer of mindere kans op ‘geld-verdienen’ werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om zeer spoedig ‘in de verdiensten te komen?’

Want het was gebruikelijk dat leerjongens géén betaling kregen, totdat ze aangetoond hadden wat te kunnen en betrouwbaar te zijn.
 


[5] Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't ‘worden van 'n nuttig lid in de Maatschappy’ voor-den-dag te brengen. Toevallig - en zeer by-uitzondering - had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam.

Die nobele Wouter! En inderdaad: Verstandig was anders, want iedere volwassene die uit het gevang is gebleven, een normale aangepaste indruk maakt, en in z'n eigen levensonderhoud voorziet telt als "nuttig lid".
 


[6] Zoolang, in één woord, de waarde en achtbaarheid van elk maatschappelyk standpunt bepaald wordt door 't inkomen en 't aanzien dat men zich - hoe dan ook! - daarvan weet te verschaffen...

... is het nogal droevig gesteld met de mensheid. Comme d'usance, dus.
 


[7] Zóólang ook zal 't 'n ongerymdheid blyven de nuttigheid der voortgebrachte of behandelde zaak tot maatstaf te nemen van het nut dat de persoon die zoodanige zaak levert of behandelt, de Maatschappy aanbrengt.

Tja. Eén probleem is dat "de nuttigheid" van iets in beginsel een geheel subjectieve zaak is: Een goed G is nuttig voor een persoon A in de mate dat G de wensen, verlangens of noden van A bevredigt. Dit kan erg variëren met de zaak, de persoon en de omstandigheden.

Toch is het wel zo dat er sommige beroepen zijn die zowel nuttig zijn in de zin dat ze een belang van velen dienen, en die moeilijk of gevaarlijk zijn. Voorbeelden zijn dokter, brandweerman.
 


[8] Er bestaan nuttige menschen. Het zyn dezulken wier plaats niet, of slechts zeer moeielyk, door anderen zou kunnen worden ingenomen.

Nee, dat lijkt me niet. Mensen zijn niet "nuttig" in enige plausibele zin omdat ze moeilijk of niet vervangbaar zijn, maar vanwege wat ze doen. Dat ànderen dat evengoed of beter zouden kunnen dan zij, doet niets af aan het feit dat wat ze doen nuttig is, als het dat is.

En een bakker maakt zich nuttig omdat er mensen zijn die behoefte hebben aan brood, en niet omdat hij - wat ook zo kan zijn, maar niet hoeft - zo uniek voortreffelijk brood bakt, of omdat een ander het ook zou kunnen hebben bakken.
 


[9] Elk vak, vertegenwoordigd door zooveel individuen als de verhouding tusschen vraag en aanbod toelaat of eischt, is even nuttig als 'n ander dat dóór z'n bestaan blyk geeft reden van bestaan te hebben.

Ook dit is niet zo, al geeft M. hier blijk wel eens iets van de verhandelingen over de economie van zijn tijd gelezen te hebben. Er zijn minstens drie redenen waarom het door M. gestelde niet waar is, populair als het nog steeds mag zijn onder mensen die ook iets van economie menen te weten.

Eén. Nuttigheid wordt uiteindelijk niet bepaald door marktverhoudingen van vraag en aanbod, maar doordat iemand prijs op iets stelt ongeacht de bestaande marktverhoudingen. De marktverhoudingen zijn gedeeltelijk een respons op en resultaat van allerlei soorten vermeende nuttige dingen waar vraag naar is, maar vóóronderstellen die vraag en dat nut, en genereren het niet.

Twee. De verhoudingen van vraag en aanbod voor een bepaald goed G zijn zelden een goede maat voor de vraag of behoefte aan G, maar gewoonlijk een afspiegeling van de gehele markt. Zo kan het zijn dat de vraag naar G groot is omdat er voor het moment geen H te krijgen is.

Drie. Uit het door M. gestelde volgt dat het vak van beul, hoer, of beroepsmoordenaar even nuttig zou zijn, of nuttiger indien beter betaald, dan het vak van naaister, boer, of matroos. Zie [8].
 


[10] Toen onlangs te Parys de betrekking van beul vakant was, boden zich honderde personen aan om haar te vervullen.

Dat is heel aardig om te weten, maar zoals ik al opmerkte maakt dit het vak van beul niet automatisch nuttig. Het feit dat er vraag naar of aanbod van iets is getuigt geheel niet dat het gevraagde of aangebodene nut heeft, maar alleen dat er in beginsel een handeltje te sluiten valt.
 


[11] Wanneer men aan die kandidaten gevraagd had of ze hierin de bekroning zochten van 'n jeugdige nuttigheids-illuzie, zouden ze ontkennend geantwoord hebben, doch waarschynlyk met de vergoelykende opmerking: als ik 't niet doe, wordt het door 'n ander gedaan.’

Ja, dat is een heel gebruikelijk excuus, ook onder wapenhandelaars. Toch leert de logica dat uit het gegeven excuus volgt dat als het niet door een ander wordt gedaan, ik het doe - zodat het geen excuus is, maar gewoon vrije wil het te doen.
 


[12] Het getal menschen die door oorlog worden om-hals gebracht, is niet noemenswaard in-verhouding tot den normalen aanwas van de wereldbevolking, daar we het aantal geboorten op meer dan veertig millioenen 's jaars kunnen stellen.

Dit is een redelijk realistische overweging van Multatuli, maar sindsdien heeft de mensheid veel voortgang geboekt, en het op industriële schaal doen vermoorden van mensen, op en buiten slachtvelden, nam in de 20ste eeuw dan ook hoge vlucht, want er zijn toen minimaal 300 miljoen mensen omgekomen "door oorlog" en wat daarmee samenhangt, en waarschijnlijk een stuk meer.

Iets wat M. hier vergeet is dat het getal der gevallenen vaak een kleine fractie is van het getal der getroffenen, en dat oorlogen veel meer kapot plegen te maken dan menselijke levens: Beschaving, cultuur, wetenschap en waarheid zijn er ook prominente en belangrijke slachtoffers van, en ook de materiële voorwaarden ervan, zoals steden, huizen, en wegen.
 


[13] Het is niet de duur van 't leven der menschen, maar hun betrekkelyk welzyn, dat den maatstaf oplevert tot beoordeeling van sociale toestanden. Ook hier bestaat de ware deugd in 't streven naar verhooging der som van genot.

Over Multatuli's morele meningen zie 423 en 817. Ik ben het met M. eens dat de duur van het leven minder belangrijk is dan de kwaliteit ervan, maar het blijft ook waar dat hoe langer een mensenleven is, hoe meer kansen men heeft z'n wensen te bevredigen, en trouwens ook om pijn te lijden en teleurgesteld te worden. In dit verband: Een enigszins eigenaardige maar wel heel gewone bevinding is dat wensen die bevredigd worden (een kleine minderheid van de wensen die mensen plegen te hebben) gewoonlijk bevredigd worden op een nogal àndere manier dan men verwachtte, die zelden zo bevredigend is als men vooraf hoopte. In een mensenleven blijken de doelen gewoonlijk veel minder belangrijk dan de reis erheen, al motiveren ze de reis.

Idee 1075.