Idee 1065.                                                


Over produktiekosten van arbeid op 't gebied van den geest. Niets over
Atjin. Onderzoek naar de oorzaken waarom Femke by zekere gelegenheid niet gelachen heeft.

De lezer zou zich vergissen indien hy meende dat de zielkundige beschouwing van 'n mensch-exemplaar, met gedurige verwyzing naar algemeen-menschelyke hoedanigheden, en in-verband met maatschappelyke toestanden, minder inspanning of gezette studie vereischen zou, dan de arbeid dien men - ten-onrechte: by uitsluiting! - wetenschappelyk noemt. De wetenschappelykheid hangt geenszins af van 't onderwerp, maar wordt door de wijze van behandeling bepaald. [1]

Toch begryp ik hoe velen zich door zeker soort van lektuur laten verlokken deze waarheid uit het oog te verliezen. De minachting voor leveranciers van verdichte verhalen, die we niet alleen by Droogstoppels waarnemen, maar ook by meer ontwikkelden die zich op 'n bepaald studievak toelegden, is zeer dikwyls gegrond. Tegen één Walter Scott, die zich inspant om archaeologisch, historisch, volkenkundig en psychologisch wáár te zyn, en die 't gevondene op behagelyke manier tracht intekleeden, staan honderden op, die zich met de nabootsing van dat inkleeden vergenoegen. Ze meenen de voorafgaande inspanning en studie te mogen overslaan. Dat ook de vorm onder de gevolgen dezer oneerlykheid te lyden heeft, spreekt vanzelf. Dezelfde Bilderdyk die te lui was om ‘zes dikke eeuwen te doorboren met zienersblik’ miste natuurlyk ook de hoedanigheden die noodig zyn tot het leveren van juistheid in uitdrukking. Noch 't een noch 't ander waait ons aan. Er moet gewerkt zyn! Tot dat werken is pectus noodig, 'n hefboom. Waar deze ontbreekt, is alle krachtsuitoefening onmogelyk, en deze machteloosheid openbaart zich vooral niet minder in den vorm dan in den inhoud. Wel schynt het soms dat de inkleeding door andere wetten geregeerd wordt dan de zaak zelf, doch deze meening is 'n kortstondig gevolg van gebrek aan oefening in den beschouwer, of van... overmaat in oefening van 't verkeerde, in tydelyken wansmaak. Voor 'n oogenblik aannemende dat 'n gelykmatig bolle oppervlakte het schoone voorstelt, dan kan 'n blaas niet te-gelykertyd ledig en schoon zyn. Men moet veel Bilderdyken geslikt hebben om dit niet intezien.

By redeneeringen als deze behoort men vooral niet uit het oog te verliezen dat er groot verschil bestaat tusschen schoonheid en wat naar de konventie van den dag voor schoon wordt aangezien. Regelen van 't ware schoone zyn moeielyk te geven, vooral daar dit onderwerp 'n zeer wyde speelruimte toelaat. [2] En dat behoeft ook niet. Het aesthetisch tastvermogen kan ontwikkeld worden - heel gelukkig! - zonder reglement, even als we tot loopen in-staat zyn, zonder by elke schrede te berekenen hoeveel kracht we hebben aantewenden om ons gewicht te dragen, en den tegenstand der lucht te overwinnen.

Voor alles is ter beoordeeling van 'n kunstwerk noodig dat we ons ontdoen van vóór-oordeel, vóór-indruk, of aangenomen smaak. [3] De beschouwingen hierover behooren tot het gebied der Vrye-Studie die ik behandelde in den IIIn bundel. Dagelyks ontwaren we dat de nuchterheid die tot juiste waardeering noodig is, zeer moeielyk te verkrygen schynt. Hoe velen, byv. dweepen nog altyd met de ‘versjes van Van Alphen.’ Meent men daarin den vorm te moeten bewonderen? Of den inhoud?

Maar... die vorm is ellendig. Weet men dan niet dat 'n kind er geen jota van begrypt? En dat dit het geval blyft, ook al weet het op de vragen: ‘wat beteekent dit woord, deze regel? ’schynbaar voldoende antwoorden te geven? De knaap die zeggen kan: ‘naarstig is... yverig, of... vlytig, of... leerzaam’ heeft zoo min van naarstigheid als van leerzaamheid en yver 't minste begrip. Al zulke zaken zyn hem afgetrokken onderwerpen, waarvan hy de beteekenis niet in zich opneemt, al heeft-i dan ook geleerd woorden uittespreken, die schynbaar 'n verklaring van 't geleerde bevatten. Ook uit andere oogpunten is de vorm van die dingen ellendig. Voorbeelden zullen wel niet noodig zyn. De lezer die waarheid zoekt, zal ze zonder myn hulp kunnen vinden, en behoeft niet verder te gaan dan 't eerste stukje. ‘Lieve wichtjes’ is geen taal. Het ‘vermaken - ! - met 'n bundel gedichtjes’ ook niet. Het ‘naar uw woning springen’ ook niet. Het ‘ter-belooning’ en ‘door liefde gedwongen’ en ‘gezongen’ ook niet. Enz.

En de inhoud? Deze is valsch, onwaar, oneerlyk. Die Van Alphen schreef niet voor kinderen, hy schreef voor ouders, voor z'n beoordeelend en koopend publiek. [4] Hy legt er zich niet op toe, noch om Pietjen en Jantje te ‘behagen’ noch om Pietjen en Jantje beter, wyzer, enz. te maken...

Wat dan ook niet lukken zou. Nog nooit is iemand 'n yverig mensch geworden omdat Van Alphen hem verzekerde dat: ‘de naarstigheid, die kinderdeugd, altyd goed beloond’ wordt.

Noch om de kinderen te vermaken, noch om hen te verbeteren, schreef Van Alphen. Z'n versjes zyn - als Bilderdyks treurspel aan Lodewyk - aan de ouders gericht. De vaders en moeders zyn hoofdpersonen by den poëet. Hy roemt ze, verheft ze, vleit ze, maakt ze tot modellen van braafheid, wysheid. enz. Vanhier dan ook dat de rimpelige vorm zoo sprekend beantwoordt aan de leegte van inhoud.

Ik zeide dat de... vergissing in 't beoordeelen van zulke dingen gewoonlyk van korten duur was. De lengte van tyd gedurende welken sommige prulschriften werden geroemd, schynt met deze meening in stryd te zyn. Ter oplossing geloof ik my alweer te mogen beroepen op de bekende wet der traagheid, en wel in alle beteekenissen. (460, 461) Het is niet waar, dat Bilderdyk, Van Alphen en velen van die soort, gedurende langen tyd beroemd waren. [5] Even als wandelaars soms lang na 't ophouden van den regen hun parapluie uitgespreid boven 't hoofd houden, verzuimde men zich rekenschap te geven van den veranderden indruk, en de reklame van belanghebbenden maakte van die afgetrokkenheid misbruik. Er zyn duizenden die over deze zaken denken als ik, doch er is 'n stoot van-buiten noodig om hen optewekken tot herziening van 't sedert jaren bewusteloos nagepraat oordeel. Het ‘mooi-vinden’ duurt zoo lang niet, maar men draalt met de erkenning dat men zich vergist heeft. [6]

Waar ik zoo-even na Bilderdyk en Van Alphen, van zekere ‘soort’ sprak, bedoelde ik daarmede: zoodanige arbeidslieden op 't gebied van den geest, die hoorders en lezers bedriegen met 'n valsch voorgeven van verricht werk, en wier oneerlykheid omtrent den inhoud, tevens blykt uit het gebrekkige van den vorm. De winkelier kan vervalschte waar soms verkoopbaar maken door ‘origineele verpakking’ maar de schryver of dichter die... gebrande keukenstroop tracht afteleveren voor ‘Japans Soja’ is niet in-staat de daartoe noodige japans-porseleinen potjes te bekomen. Ze zyn namelyk niet te verkrygen dan in dezelfde fabriek - pectus! - door dezelfde middelen, en tegen denzelfden maatstaf van produktiekosten als de inhoud. Vorm en inhoud staan tot elkander als foelie tot muskaatnoot. Die twee speceryen groeien op, aan en in elkaar.

Zeer goed weet ik dat men hierover gemeenlyk anders oordeelt, doch ik hoop in vorige nummers genoeg voorbeelden te hebben aangehaald, om de aandacht op m'n stelling te vestigen. En waar dit geschiedt, zal men weldra overtuigd zyn van haar gegrondheid.

Ik sprak van Walter Scott en z'n navolgers. De volgorde der predikaten die ik toekende aan de door hem gezochte waarheid, was geenszins willekeurig. Archaeologische stiptheid stond by hem op den voorgrond, en zielkunde kwam - na historie en ethnologie - achter aan. Soms wel wat heel ver. Hoe 't zy, hy spande zich in. Juist andersom dan Bilderdyk die zich beroemt op den korten tyd waarin hy z'n werk samenflanste, besteedde hy soms maanden aan 't bestudeeren van 'n landschap, en weken aan 'n gebouw. Hy getroostte zich briefwisseling, onkosten en reizen, om zeker wapentuig te zien te krygen. Hierop is de klassieke waarde van z'n arbeid gegrond. De door hem behaalde roem, en de vereering die hem zal blyven ten-deel vallen, is de noodzakelyke terugwerking van de kracht die hy aan z'n werk ten-koste legde, en daarin als 't ware heeft opgespaard.

Zonder dit nu juist op werktuigkundige gronden te berekenen, voelt toch menig beschouwer instinktmatig dat er verschil bestaat tusschen zùlk werk en den arbeid waarin géén kracht is neergelegd, stukken waarin men poogt te pronken met Scott'sche rezultaten, zonder zich de daartoe noodige kosten van produktie getroost te hebben. In de romans van dien meester... nu ja, gewoonlyk ‘krygen ze elkaar’ na twee en drie boekdeelen hindernis. Maar men beseft dat niet hierin de verdienste van den dichter gelegen is, en dat niet ieder die na wat hindernissen z'n verhaal weet te doen uitloopen op 'n bruiloft, daarom 'n Meester wezen zou. Hieruit nu vloeit de minachting voort, die ik reeds genoemd heb. Ze behoorde niet alleen by ‘mannen van zaken’ en vakgeleerden te bestaan, het is de plicht van ieder die 't wèl meent met waarheid, eerlykheid en ontwikkeling, 'n afkeer te hebben van zoodanige vervalsching van 't voedsel des geestes. En deze plicht wordt zelden behoorlyk vervuld. Getuige het legio romans en verhalen, waarin de zielkundige mogelykheid onbeschaamd wordt verkracht. Getuige de verzenmakery van zekere soort - andere soorten zyn zeldzaam! - die ik in 1053, vlgg. brandmerkte. Noch papierkooper, noch drukker, noch uitgever leverde om-niet het materiaal en den arbeid die tot het publiek-maken van zulke voddery noodig waren. Dat alles is betaald geworden, aangemoedigd, toegejuicht!

Is het daarentegen noodig aantetoonen dat de ernstige konscientieuze beschouwing van 'n menschenziel, in wetenschappelyken rang - en in kosten van produktie alweer! - niet staat beneden het ontleden van 'n insekt, of 't bestudeeren der habitus van 'n mosplantje? Zyn er nog die meenen dat de waarneming en mededeeling der ontwikkelings-geschiedenis van onzen Wouter tot 'n lagere orde van bezigheden behoort, dan 'n verhandeling over diatomeën, of 'n specimen over 't voorstellen van reeksen in kromme lynen? Dan vergist men zich. Ik kan den lezer verzekeren dat ik sedert jaren gewoon ben onderwerpen van de laatstbedoelde soort te gebruiken om uitterusten. [7] Wie me aantreft, bezig zynde met iets van dien aard, kan hieruit besluiten dat ik behoefte voelde aan verademing.

Het vermyden der behandeling in m'n Ideen van dusdanige gegevens - het kost my moeite! - heeft 'n geheel andere oorzaak dan voorkeur voor gemak en afkeer van inspanning. Het kost my integendeel groote inspanning, niet toetegeven in de zucht tot grondige behandeling van zoogenaamd stiptwetenschappelyke onderwerpen, en waar ik niet slaagde in 't nakomen van dezen verdrietigen plicht, houd ik toch gewoonlyk de rezultaten van m'n arbeid terug. Indien ik, om eens iets te noemen, toegaf in den lust om 'n Geschiedenis der taal te schryven, zou de beperktheid van m'n publiek my weldra beletten voorttegaan. Een Nederlander kan zich zulke weelden niet veroorlooven, tenzyd-i ryk is of gesteund wordt. Chresos moet liedjes zingen.

Met opmerkingen van menschkundigen of maatschappelyken aard - ik gaf ze liever in allernuchtersten vorm, omdat ik niet van opsieren houd - voel ik my belemmerd en gebonden door 'n gelyksoortige noodzakelykheid. Ik gis en vrees dat velen de Wouter-geschiedenis lezen om... nu ja, om iets dat my byzaak is. Doch zonder die velen zou m'n uitgever weldra genoodzaakt zyn, m'n kopie te weigeren.

De diatomeën dan, mikroskopisch beschouwd...

Och, ik had beloofd te onderzoeken waarom Femke zich op blz. 269 moeite gaf Wouter niet uittelachen.

Er bestaat 'n zesde werelddeel dat tot-nog-toe z'n Columbus niet gevonden heeft. En dit is te vreemder, omdat duizenden en duizenden voorgeven zich zooveel moeite te getroosten om het te ontdekken. Dit werelddeel heet ‘de mensch.’ [8]

We kennen hem niet.

Indien dit reeds waar is in 't algemeen, hoe duister en verward moet dan wel onze voorstelling zyn omtrent de roerselen die 'n onbeteekenend onderdeel van 't gansche geslacht in beweging brengen? Een onderdeel nogal dat, tengevolge van zekere bégueule rangbepaling waaraan bekrompen psychologen zich schuldig maken, voor nog nietiger wordt gehouden dan... andere nietigheden. De ‘wysgeer’ meent niet te derogeeren door de karakterkundige ontleding van Julius Cezar, maar 't gemoed van 'n waschmeisjen is beneden z'n aandacht. Wanneer we deze ongerymdheid verhoudingsgewys overbrengen op andere wetenschappen, zouden wy den astronoom die zich bezig-houdt met de spektraal-analyze van 'n centraalzon, hooger moeten stellen dan den natuurvorscher die den aard der meteoren onderzoekt. De botanikus die den eik beschryft, zou meer beteekenen dan z'n kollega die in mossen of paddestoelen doet. Enz.

In zoodanige vakken echter zal niemand zich aan de dwaling van onrechtvaardige en bespottelyke klassifikatie schuldig maken. Maar... zoodra 't slechts menschen geldt, is de wetenschappelyke konscientie minder nauwgezet. De ziel van 'n vechtheld - onbeduidende wezens veelal! - schynt waardiger onderwerp van studie, dan de karaktergeschiedenis van lieden die nooit iemand doodsloegen of lieten doodslaan. Met 'n diplomaat mag men zich inlaten, maar de slimmigheidjes van 'n marskramer zyn beneden de aandacht. *)

Ik ben in dit opzicht demokratischer, en tracht wetenschappelyker te zyn. Dit kan den lezer uit 252 bekend wezen. Wie zich voor te voornaam houdt om belang te stellen in den zieletoestand van 'n bleekmeisje...

Femke was 'n goed kind. Maar de hoedanigheden die dit veroorzaakten, bestonden hoofdzakelyk in zekere negativiteit die niet gemakkelyk te beschryven is. De romandichters weten dit wel, en versieren en overladen daarom gemakshalve hun helden en heldinnen met allerlei deugden - liefst in overtreffende trap - of maken hun verraders en booswichten zwart met het allerzwartste. Dit geschiedt alweer uit luiheid. Vanhier dan ook dat men gewoonlyk in elk stuk slechts één held, één schoone, één verrader ontmoet. De schildering van Theseus zou den tint der Herkulessen bederven. Naast de goddelyke schoonheid van de titelheldin is voor de even goddelyke volkomenheid van 'n tweede schoonheidsmonster geen plaats. De booswicht van professie, de satan van 't stuk is één inktvlek. Het spreekt vanzelf dat zulke konventioneele superlatieven elkaar uit den weg loopen. Homerus arbeidde in dit opzicht met meer nauwkeurigheid, en heeft waarschynlyk hieraan grootendeels te danken dat men hem nooit vergeten zal, al kome dan ook de tyd dat men wat zal beginnen aftedingen op de overdreven bewondering van Ilias en Odyssee. De vechtpartyen die hy schildert, zyn eentonig. Z'n gesprekken, smakeloos. De mythologische tusschenkomsten van goden en godinnen bederft de belangstelling in menschelyke daden en lotgevallen. Maar... hy schilderde Ajax, Ulysses, Nestor, Menelaus, Agamemnon naast Achilles. En tegenover Achilles plaatste hy Hektor. Al die helden zyn onderling verschillend van uitdrukking. De dichter trachtte portretten te leveren, en geen poppen. [9] Of hy in deze poging geslaagd is, behoeft nu de vraag niet te wezen. De bedoeling wàs er. En dat ze, wat de hoofdzaken aangaat, gelukt is, blykt uit de byna algemeene sympathie die hy - by jeugdige lezers vooral - heeft weten optewekken voor den bezweken Hektor. Er moet wel fynheid van trekken heerschen in 'n schildering die overwegend belang doet stellen in 'n persoonlykheid op den tweeden grond, wier tegenwoordigheid oppervlakkig slechts scheen gewettigd te worden door den eisch om 't gewicht van de hoofdpersoon op den voorgrond te doen uitkomen.

Toch waagde zich Homerus niet aan 't schetsen van de negativiteit die ik zoo-even bedoelde, en zelfs niet aan de schildering van pozitieve aandoeningen van minder ruw gehalte dan de allerplompste. Vanhier dan ook dat we weinig of niets te weten komen van de zielegeschiedenis der hoofdpersonen Helena en Briseïs. De middelen waarmee de dichter belangstelling voor z'n helden tracht optewekken, zyn van de allerlaagste soort, en dalen zelfs af tot 'n zeer onärtistiek spekuleeren op de zotte vooroordeelen omtrent maatschappelyk standpunt. De geringste is koning, zoon van 'n koning, afstammeling van koningen. 't Eenig verschot van onderscheiding in obligaat-hoogheid, leveren hem de goden. Koningszoon, half-god of heelemaal god, ziedaar de drie maaten hemelschappelyke standpunten die hy niet durft verlaten. Ook hierin dus bemerken wy, in weerwil der blykbare pogingen om eenige karakterkundige verscheidenheid te teekenen, dat het àllerhoogste eens-voor-al de gewone toonsleutel is, waarin die en dergelyke stukken geschreven zyn. Allerdapperst, àllerlistigst, àllerwelsprekendst, àller... enz. Wie - als Paris - niet mag worden voorgesteld als 'n held, als 'n wyze, als 'n deugdman by uitnemendheid, moet dan toch om iets te zyn, de allerschoonste wezen. Zonder zoo'n ‘aller’ schynt de zaak niet te kunnen bestaan.

Dit is kinderlyk en zelfs kinderachtig. Misschien zal menigeen die deze methode van den ouden dichter vroeger niet opmerkte - eigenlyk is 't juist 'n blyk van gebrek aan methode - thans meenen dat menschbeschryvende artisten op dit punt zyn vooruitgegaan. Ik beweer dat dit niet het geval is. Blykens de litteratuur die hier en ginds sedert eenigen tyd... na Homerus, ter wereld kwam, bestaat de neiging om mangel aan bekwaamheid en arbeidslust aantevullen door 'n grof aanwenden van 't allerhoogste en allerlaagste, nog altyd in gelyke maat. De vreeselyke bravighedens van onze romanhelden stryden met de afzichtelyke schoonheid der heldinnen om voorrang van smakeloosheid. De prototypen, van deze zonderlinge natuurverschynsels moet men dan ook niet zoeken in de maatschappy, maar op de modeplaatjes in den uitstalkast van 'n kleermaker of ‘confectionneuse’ zooals zich tegenwoordig de vrouwspersonen noemen die 'n jurk in elkaar zetten, en met haar nieuwen titel de schryvers over politiek en de dichters naar de kroon steken. Om nu niet te gewagen van de litteratuur der winkel-annoncen, die voor algemeen model kan gelden van de spraakverrekking waaronder wy gebukt gaan. Het overdrevene van vader Homerus heeft school gemaakt, zoowel achter de toonbank als op den katheder.

De armoedige behoefte aan pozitieve uitstekendheid, met gemaakte versmading van allen overgang van tint, gaat zoo ver dat we telkens na uitputting van den voorraad der superlatieve deugden en ondeugden, de toevlucht zien nemen tot 'n oneindig langen neus, onbeschryfelyk roode haren, nie da gewesen dikte van wenkbrauwen, of wat men wil, mits: 'n uiterste. Het is alsof we den schryver hooren mompelen: kan ik u dan m'n sujetten niet belangryk maken door fyngeteekende voorstelling van karakter, welnu... ik zal hun bellettjes aan de kleeren naaien, of 'n veer op den hoed zetten. Wie dan als ik, tot denken te traag is, kan zich vermaken met hooren en zien.’

Het aanhalen van voorbeelden uit ònze litteratuur, zou eigenlyk niet ter-zake dienen, omdat we heden-ten-dage - en dit is reeds sedert 'n paar eeuwen het geval - byna geen oorspronkelyke letterkunde bezitten. Onze versjes, onze romannetjes, onze kranten-polemiek, onze preekjes en vertoogjes... 't is alles namaak. Namaak in taal, toon en behandelingswys. [10] Wie eenigszins op de hoogte is van wat er in 't buitenland op deze terreinen geleverd wordt, walgt er van. De stukken zelfs die uitweiden over de voortreffelykheid van 'n bekrompen vaderlandismus, zyn meestal geschoeid op zeer ònvaderlandsche leest, en hebben in 't oog van iemand die in vorm en inkleeding bydragen zoekt tot beoordeeling van inhoud, zoo ongeveer de kracht van ‘ik slaap’ of ‘ik zwyg.’ 't Is 'n protestatio actui contraria, en wel in allerletterlyksten zin, omdat de protestatie in den actus begrepen is. ‘Ik pin und pleip 'n ware aufrechte Holländerinn, und nie, nie, nie, verges ik m'n Sprach!’ zei 't vrouwmensch waaraan ik eenige regels besteedde op blz. 292 van Millioenen-studiën. Nu ja, men hoorde 't wel.

Neen, voorbeelden van de manier waarop men in hollandsche werken belangstelling tracht te mynen voor helden, onderwerp of thesis, mag ik niet aanhalen. Ze rieken te veel naar Figaro, Mr... Chose, Stuart Mill of Fliegende Blätter. 't Laatste snufje van hollandsche reklame, en vooral het minst onöorspronkelyke, is het aandoenlyk schermen met ‘bepaaldheid.’ Wie geen nieuwe superlatief weet uittedenken, neemt z'n toevlucht tot die verrukkelyke gemeenplaats. En Publiek is tevreden. Vroeger was 'n onderwerp allerbelangrykst, 'n inzicht juist... neen, ik vergis me. Eenvoudig ‘juist’ was nooit genoeg. Wat is ‘juistheid’ voor iemand die naar effekt jaagt? Hy weet immers te goed dat Publiek méér verlangt, d.i. wat ànders. Een stelling dan, was helder als de dag, neen: helderder, luce clarius, allerhelderst. De dag was er donker by. Helden waren dapper, heldinnen schoon, booswichten duivelsch... alles boven mate tot en met de onmogelykheid. [11] Tegenwoordig zyn al die topics: ‘bepaald’ belangryk, bepaald juist, - 'n vreemde juistheid! - bepaald helder, bepaald dapper, schoon, duivelsch, enz. Velen zyn in hun chauvinisme zoo ver gegaan, dat ze dezer dagen verzekerden onze grieven tegen Atjin ‘bepaald’ gegrond te vinden.’

*) Noot van 1877. Ik verneem dat inderdaad zeker soort van kunstrechters zich ergeren aan 't maatschappelyk standpunt van m'n heldje. Hieruit blykt voldoende dat die heeren noch op wetenschappelyk gebied, noch in sociale beteekenis, aanspraak kunnen maken op de eer van 't patriciaat. Ze deelen hun zeer burgerlyken smaak met leerjongetjes en keukenmeiden. Ik verwys overigens dat laaggeboren volkje naar 401 en 1168.


[1] De wetenschappelykheid hangt geenszins af van 't onderwerp, maar wordt door de wijze van behandeling bepaald.

Ja, dat is zo. Maar waar komt die behandeling op neer? Dat het gaat om waarheid of waarschijnlijkheid, en dat bij het bepalen daarvan men z'n oordeel af laat hangen van empirische evidentie en logica.

Het is de moeite waard dat dit ongebruikelijk is, want het gewone menselijke oordeel is gebaseerd op vooroordeel, wensdenkerij of eigenbelang, en waar het kunst of cultuur of moraal betreft op pose: Men vindt goed en mooi wat doorsnee men in de groep waar men deel van is zègt goed en mooi te vinden.
 


[2] By redeneeringen als deze behoort men vooral niet uit het oog te verliezen dat er groot verschil bestaat tusschen schoonheid en wat naar de konventie van den dag voor schoon wordt aangezien. Regelen van 't ware schoone zyn moeielyk te geven, vooral daar dit onderwerp 'n zeer wyde speelruimte toelaat.

Hier ligt een erg ingewikkeld probleem, dat als volgt gesteld kan worden: Is er wel iets als "'t ware schoone"? En zo ja, hoe belangrijk is dat dan? Ik maak er alleen een paar opmerkingen over.

In de eerste plaats: De gebruikelijke oordelen over schoonheid en goedheid zijn konventioneel, nagepraat, doen-alsof. Zus en zo gelden in groep G of maatschappij M als schoon en als goed omdat dit nu eenmaal de in G of M gebruikelijke, conventionele, geaccepteerde, algemeen nagepraatte oordelen zijn.

In de tweede plaats: Dit betekent geheel niet dat er met dergelijke conventionele oordelen niet een aanzienlijke hoeveelheid emotie verbonden is, al zal die meestal minder de beoordeelde zaak betreffen dan het besef dat het oordeel dat men verkondigt over die zaak een oordeel is dat men behóórt te hebben in groep G of maatschappij M, of omdat dit oordeel toevallig in de mode is. (Zie ook 1112 en daar gegeven links.)

In de derde plaats: Er zijn kennelijk proporties - de gulden snede, een symmetrisch gezicht - die "natuurlijk" voor "mooi" gelden, wellicht om dezelfde aangeboren soort redenen dat vrijwel iedereen vindt dat stront stinkt en blauw voedsel onappetijtelijk oogt.
 


[3] Voor alles is ter beoordeeling van 'n kunstwerk noodig dat we ons ontdoen van vóór-oordeel, vóór-indruk, of aangenomen smaak.

Ja, misschien, maar vaak is dat onmogelijk. Het is wèl waar, dunkt me, dat de grote meerderheid va de oordelen over zaken die kunst betreffen kennelijk een soort doen-alsof zijn of snobisme, en niet werkelijk gemeend. De meeste smaak in kunst is een "aangenomen smaak", een gepretendeerde smaak. Mensen zeggen iets mooi te vinden omdat andere mensen, die ze als voorgangers beschouwen, dit vinden: "Het hoort nu eenmaal zo".

En dit is zo met mode in kleren en mode in kunst, behalve dat in het laatste geval de proportie snobisme groter is.
 


[4] En de inhoud? Deze is valsch, onwaar, oneerlyk. Die Van Alphen schreef niet voor kinderen, hy schreef voor ouders, voor z'n beoordeelend en koopend publiek.

Dit is dan het gebruikelijke resuktaat: Een "oneerlyk" oordeel, dat ook nog eens vaak "valsch" is en "onwaar".
 


[5] Het is niet waar, dat Bilderdyk, Van Alphen en velen van die soort, gedurende langen tyd beroemd waren.

Toch heeft Multatuli dit eerder, bij zijn slachting van Bilderdijk, wel degelijk aan de lezer verzekerd.

Hoe het ook geweest mag zijn met de feitelijke renommée van Bilderdijk: Wat M. bedoelt komt kennelijk neer op iets dat nauw verwant is met de huidige status van Multatuli zelf als "Onze Grootste Nederlandse Schrijver", wat een oordeel is dat trouwhartig, met geloof, en een toon van kunstzinnige tevredenheid en esthetische beïndruktheid, nagepraat... nee: nageblaat wordt en is door miljoenen, die nauwelijks meer van de man lazen dan z'n naam en eventueel een selectie uit de Max Havelaar.
 


[6] Er zyn duizenden die over deze zaken denken als ik, doch er is 'n stoot van-buiten noodig om hen optewekken tot herziening van 't sedert jaren bewusteloos nagepraat oordeel. Het ‘mooi-vinden’ duurt zoo lang niet, maar men draalt met de erkenning dat men zich vergist heeft.

Dit is ongetwijfeld waar. En één reden waarom men zolang "draalt met de erkenning dat men zich vergist heeft" is dat oordelen dat deze of gene kunstuiting toch zo voorbeeldig mooi, en prachtig, en goed is, héél sterk mode-afhankelijk zijn, en de meeste oordelaars van dit soort wachten tot er een nieuwe mode is om hun eigen "nieuwe" oordelen bekend te maken.
 


[7] Ik kan den lezer verzekeren dat ik sedert jaren gewoon ben onderwerpen van de laatstbedoelde soort te gebruiken om uitterusten.

Wat M. bedoelt is dat hij als hij in bed lag en de slaap zocht, wat op latere leeftijd vaak moeilijk voor hem was vanwege iets als asthma, pleegde te peinzen over wiskundige problemen. Zie 529 voor het kennelijk beste resulaat van die overpeinzingen.
 


[8] Er bestaat 'n zesde werelddeel dat tot-nog-toe z'n Columbus niet gevonden heeft. En dit is te vreemder, omdat duizenden en duizenden voorgeven zich zooveel moeite te getroosten om het te ontdekken. Dit werelddeel heet ‘de mensch.’

Dit is een redelijk vaak herhaald Multatuli-citaat, maar het dunkt me niet waar. Wie wil weten wat de mens is en vermag moet geschiedenis lezen.

Trouwens, men telde de Zuidpool in de 19e eeuw nog niet mee als continent.
 


[9] Al die helden zyn onderling verschillend van uitdrukking. De dichter trachtte portretten te leveren, en geen poppen.

Ik heb me eerder afgevraagd waarom M. het woord "poppen" gebruikte, en hier is een suggestie van een antwoord: Er is sprake van "poppen" als er géén sprake is van individualiteit, individuele expressie, en alleen sprake van types.
 


[10] Onze versjes, onze romannetjes, onze kranten-polemiek, onze preekjes en vertoogjes... 't is alles namaak. Namaak in taal, toon en behandelingswys.

Inderdaad! Men doet alsof - men schrijft niet wat men werkelijk meent, maar wat men meent dat het publiek wil horen en lezen. Men poseert. Men huichelt. Waar nog eens bij komt dat de meesten ook niet beter kunnen dan nadoen, imiteren, van hoe zij denken dat het hoort - en ook nog eens dat valse nadoen voor moreel en wenselijk houden, alsof het beter is te liegen met de meerderheid dan niets te zeggen. Zie 1112 over rollen, waar meer links staan.
 


[11] Helden waren dapper, heldinnen schoon, booswichten duivelsch... alles boven mate tot en met de onmogelykheid.

Maar toch is dit wat het volk inclusief de meerderheid van de zogeheten intelligentsia wil, getuige de grote populariteit van soaps e.d. Kunst als uitvergroting van de werkelijkheid, waar alles een maat of wat groter is dan in werkelijkheid. En dit is overigens zo gek of ondoelmatig niet als het doel van de kunst lering of vermaak is.

Idee 1065.