Maar zeker is 't
gemakkelyker met de mode van den dag meetegaan, dan zich daartegen te
verzetten. En voordeeliger ook. [1] By sommigen geschiedt dit zonder
de minste oneerlykheid. Wie niet door toevallige omstandigheden tot
twyfelen wordt gebracht, of zelfs maar tot het besef der mogelykheid
van twyfel, loopt onachtzaam voort in 't eenmaal afgebakend spoor. De
zoodanige is met zichzelf en anderen tevreden, en schept uit deze
bron, zooal geen pozitieve kracht, dan toch 't negatieve voorrecht van
kalmte. Het ‘zeker weten’ waarmee ze werden begiftigd door hun
domheid, is geen geringe bezitting. En dan de kameraadschap van de
velen die hun natuurlyke bondgenooten zyn! [2] Me dunkt - en dit staat
in de Schrift ook - dat men ‘met God’ zeer gemakkelyk de wereld
overwinnen kan, en 't verwondert my inderdaad dat er zoo weinig
geloovers - of schilders als Rafaël - koning van Afrika geworden zyn.
Is dit diskretie?
Wie niet dom is, niet spoedig voldaan, géén lid van de
groote Hanse der luie berusters, meent gewoonlyk dat-i alleen staat
[3],
en voelt zich - in den beginne althans! - gedrukt door de pynlyke
beschroomdheid die zoo verlammend werkt. De krachten zyner ziel gaan
te-loor aan inwendigen stryd. Hy is hamer en aambeeld te-gelyk, en
zelfs wat daartusschen ligt. [4] Z'n vermogens slypen zich af door
onderlinge wryving, tot verstomping toe. Zelfs in z'n uiterlyk
voorkomen mist hy het stellige, het bestemde, het stevige, dat 'n
onverdiend voorrecht geeft aan de zekerweters. Het brutaal: ‘hier ben
ik!’ van den plompert qui ne doûte de rien (569,
570)
klinkt in zyn mond als 'n ziekelyk vreesachtig: ‘Zou ik wel eigenlyk
hier wezen?’ Of: ‘men neemt het my immers niet kwalyk dat ik misschien
hier ben?’
Van de
duizenden die in dezen toestand het leven intreden, blyven slechts
zeer enkelen bestaan. De meesten gaan ònder in den stryd dien ze te
voeren hebben, niet rechtstreeks nog met de menigte - zóó ver komen ze
niet! - maar met de weifeling in hun eigen gemoed. Te ontwikkeld, of
te begeerig naar ontwikkeling, om zich neerteleggen by erkende dwaling
of onvoldoend gestaafde waarheid, te eerlyk om de afgoden van den dag
te aanbidden zonder overtuiging, en te zwak toch om alleen te staan...
[5]
Hierin
vergissen zy zich. Ze staan niet alleen, maar de een weet van den
ander niet, omdat twyfelaars nooit 'n gemeente vormen. [6]
...te
schroomvallig om de vaan hunner overtuiging optesteken...
Helaas, dit kàn immers nièt! Skepticismus en Ontkenning hebben geen
vaandel. Hoe zou de wapenkreet zyn van iemand wiens eigenaardigheid in
afkeer van leuzen bestaat? [7]
...te
beschroomd dan om zelfs dien afkeer te erkennen,
kunnen zy zich nergens aansluiten. Ze willen zich niet laten
meesleuren met den stroom, zyn te zwak om dien te weerstaan, en worden
vertreden onder de voetzolen der menigte die - omdat ze niet weet wat
ze doet [8] - wel volstrekt geen eer behaalt aan dien moord, maar toch te
weinig schande! Om te beseffen wat haar hoeven hebben uitgericht...
Maar
als ze dìt kon, was immers àlles anders!
Ach
hoe vervelend zou 'n wereld vol wysheid zyn! Hoe eentonig! Hoe
kleurloos! Hoe doodsch! En vooral: hoe onverdragelyk hemelsch! Het is
begrypelyk dat de engelen dikwyls naar de aarde verlangen, om even
uitteblazen van te veel volmaaktheid.
Maar... maar... dit verontschuldigt de velen niet, die wreedaardig hun
best doen om ons wereldje zoo ònvolmaakt te houden. Nooit nog is 'n
twyfelaar vertrapt met de edelmoedige bedoeling om wat dwaling in 't
leven te sparen tot amuzement van den nazaat, of om de speelplaats van
die engelen niet te bederven.
De
onrype kandidaat-hervormer gedroeg zich links, had geen vasten tred,
wist geen gebruik te maken van z'n ellebogen, struikelde, viel, gaf -
in alle bescheienheid! - 'n gilletje, en... men liep over hem heen.
Niets natuurlyker. Hy had maar beter moeten oppassen!
[9]
Dit
zeg ik ook, in vollen ernst. Wat is, moet wezen!
[10]
Maar
ook de zeldzame uitzonderingen op dit normaal verloop van 't
vernielingsproces, hebben recht tot bestaan. Het gebeurt dat de
beschroomde twyfelaar van vroeger, uit de eerlykheid zyner bedoelingen
den moed put tot stellige ontkenning, en de kracht om staande te
blyven. Het besef der verlatenheid, dat hem in den aanvang verlamde,
kweekt fierheid. Baanderheer by de gratie van z'n eigen wil, houdt hy
de aandringende menigte die haar afgoodjes bejammert, het vaandel
voor, waarop hy in vlammende letters 't hoc signo van zyn
evangelie schreef! En ze deinst!
Waarlyk, het is zeer nuttig dat er duizenden en duizenden vertrapt
worden. [11] Als de arena niet zoo bloedig was, zou m'nheer Kappelman zelf
wel eens 'n lansje willen breken, en 't ware gedaan met de Ridderschap
der Waarheid.
De
lezer begrypt immers dat er in dit hoofdstuk geen plaats meer is voor
Olivier Van Noort en de toegezegde
geschiedenis van dien vlâlepel?
[1]
Maar zeker is 't
gemakkelyker met de mode van den dag meetegaan, dan zich daartegen te
verzetten. En voordeeliger ook.
Hier krijgt de lezer zomaar het gehele
geheim van een gelukkig bestaan onder mensen toegeworpen! "Doe
normaal!" (Ik leg het uit in de volgende opmerking, voor wie dan
zo graag gelukkig wil worden.)
[2]
Het ‘zeker weten’
waarmee ze werden begiftigd door hun domheid, is geen geringe
bezitting. En dan de kameraadschap van de velen die hun natuurlyke
bondgenooten zyn!
Ja, inderdaad. Het is hooguit 1 op de
10.000 gegeven na z'n leven herinnerd te worden, maar de 9999 anderen
die volledig vergeten worden door de latere geslachten waren
waarschijnlijk gelukkiger, want normaler, dommer, aangepaster,
maatschappelijk geachter, minder in gevaar, niet vervolgd vanwege
afwijkende denkbeelden, tevredener, met minder problemen en minder
idealen.
[3]
Wie niet dom is, niet spoedig voldaan, géén lid van de
groote Hanse der luie berusters, meent gewoonlyk dat-i alleen staat
En overwegend terecht: Men is de enige niet als men zelfstandig nadenkt en z'n eigen oordelen vormt
en volgt, maar men is wel in een kleine minderheid. De meerderheid doet,
denkt, voelt en wil als de meerderheid, en is daar trots op, en wil
niet anders, en kan niet veel beter.
[4]
De krachten zyner ziel gaan te-loor aan inwendigen stryd. Hy is hamer
en aambeeld te-gelyk, en zelfs wat daartusschen ligt.
Dit klinkt wat ingewikkeld.
[5] Van de
duizenden die in dezen toestand het leven intreden, blyven slechts
zeer enkelen bestaan. De meesten gaan ònder in den stryd dien ze te
voeren hebben, niet rechtstreeks nog met de menigte - zóó ver komen ze
niet! - maar met de weifeling in hun eigen gemoed. Te ontwikkeld, of
te begeerig naar ontwikkeling, om zich neerteleggen by erkende dwaling
of onvoldoend gestaafde waarheid, te eerlyk om de afgoden van den dag
te aanbidden zonder overtuiging, en te zwak toch om alleen te staan...
Misschien dat M. dit schreef met z'n
aanhangers van "De Dageraad" voor ogen, die vrijdenkers waren, meestal
arm, en in een kleine minderheid waren in het toenmalig zeer
gristelijke Holland, en het vaak niet makkelijk hadden als ze eerlijk
uitkwamen voor hun meningen.
[6] Hierin
vergissen zy zich. Ze staan niet alleen, maar de een weet van den
ander niet, omdat twyfelaars nooit 'n gemeente vormen.
Hier is wat voor te zeggen, maar
Multatuli vond langzaam uit dat het getal van zijn medestanders, die
zich toch immers konden verzamelen rond en herkennen in zijn
gepubliceerd proza, feitelijk heel klein was. Zie het
Nawoord bij Bundel III,
waarin wat relevante cijfers staan.
[7]
Skepticismus en Ontkenning hebben geen vaandel. Hoe zou de wapenkreet
zyn van iemand wiens eigenaardigheid in af keer van leuzen bestaat?
"Weg met de leuzen!"? Waarom zou een
leus altijd logisch moeten kloppen of niet ironisch mogen zijn?
Daarbij: Er zijn wel degelijk georganiseerde skeptici, en die waren er
al in de Oudheid, terwijl ook wetenschap een goed voorbeeld is van wat
rationele skepsis vermag.
[8]
..
en worden vertreden onder de voetzolen der menigte die - omdat ze niet
weet wat ze doet ..
Ik licht dit eruit omdat het vrijwel de
enige redelijke troost is die een onafhankelijk denkend
individueel durfend mens heeft, temidden van de massa's van vrijwillig
gelijkgeschakelde braaf conformistische niet-denkers en niet-durvers:
"Heer vergeef hen! Ze weten en kunnen nauwelijks beter dan ze doen!"
[9] De
onrype kandidaat-hervormer gedroeg zich links, had geen vasten tred,
wist geen gebruik te maken van z'n ellebogen, struikelde, viel, gaf -
in alle bescheienheid! - 'n gilletje, en... men liep over hem heen.
Niets natuurlyker. Hy had maar beter moeten oppassen!
Nee. Ik zeg niet dat de "kandidaat-hervormer"
zinnige ideeën had, en ook niet dat de meeste van dit soort die zouden
hebben. Maar de reden dat ze het moeilijk hebben ligt niet aan de
zinnigheid of onzinnigheid van hun voorstellen, maar aan het niveau
van wie hen omringen. Zie [2] en [8].
[10] Dit
zeg ik ook, in vollen ernst. Wat is, moet wezen!
Ik ontken het, met even grote ernst. M.
herhaalde dit vaak, en kennelijk gaf het hem enige gemoedsrust,
volgens de lijn: "Wat is is weliswaar vaak afgrijselijk, maar ja: 't
kan nu eenmaal niet ànders zijn dan het is."
Tegenwoordig is dit denkbeeld ook weer
tamelijk populair, en dan in de zeer verwante vorm: "Er is geen vrije
wil." Dit kan hele gekke vormen aannemen, zoals een prominente
evolutie-bioloog - Richard Dawkins - die de mensheid oproept op te
houden elkaar te beschuldigen of van verantwoordelijkheid te
betichten, omdat ze die nu eenmaal niet hebben vanwege een
niet-bestaande vrije wil. Wat is de reden van die oproep dan? Dat
Dawkins genoodzaakt was die te doen; zoals de mensheid genoodzaakt is
er in grote meerderheid geen geloof aan te hechten, en gedwongen te
blijven geloven in de illusie van de vrije wil? Het centrale punt van
een vrije wil is toch juist dat ieder levend individu het vermogen
heeft zelfstandig op te houden of beginnen met dingen,
ongedetermineerd door zaken buiten z'n eigen geloven, wensen, toestand
en emoties?
Het is onlogische onzin, en zelfs als er
geen vrije wil zou zijn (waarvoor geen enkel bewijs is) dan nog zou ik
Voltaireaans aannemen dat er dan een vrije wil moest zijn en dat er in
ieder geval de noodzakelijke illusie is
dat de wil vrij is.
[11]
Waarlyk, het is zeer nuttig dat er duizenden en duizenden vertrapt
worden.
Ongetwijfeld niet voor de "duizenden
en duizenden" vertrapten. En
overigens komt dit me voor als het oordeel dat het zo nuttig en goed is dat de
pest bestaat, omdat er anders geen eer te behalen zou zijn voor de
bestrijders ervan.