Op dezelfde
manier is de Geschiedenis geschreven. In
vorige nummers (1053,
volgg.) zagen we daarvan eenige staaltjes - de
Dichter is geschiedschryver by-uitnemendheid! - en ik
behoef nu daarop niet terug te komen.
We
vinden 'n gelyksoortige beperktheid van blik by 'n ander soort van
kunstenaars, die ook dichter moeten zyn op-straffe van ambachtsluî te
wezen. Wat dan ook zeer dikwyls 't geval is.
Ik heb
'n paar dozyn uitstekende gravures naar teekeningen van
Houbraken voor my liggen. Ze behooren by de
‘Zedelessen uit oude Verdichtselen’
van Rotgans, meestal aan Ovidius'
Metamorfozen ontleend. De verzen van
den ‘dichter’ - hier-en-daar waarlyk beter dan die van
Bilderdyk - zyn miserabel. Doch, of want, de
beoogde strekking is: publiekbehagend, braaf, deftig,
allerfatsoenlykst. [1] Uit de lotgevallen van Semele, byv. moet de jeugd
leeren dat men zich niet vergape aan den glans van rang en hoogheid.
Jupiter had haar sedert eenigen tyd het hof gemaakt, en alles ging vry
wel. De kleine Bacchus was reeds in aantocht. Daar geeft op-eens de
jaloersche Juno 't meiske den raad haar aanzienlyken minnaar geen
enkel zoentje meer te gunnen, voor-i zich aan haar vertoonde in vollen
uniform, d.i. zooals hy gewoon was z'n echte vrouw te bezoeken, en de
wereld te regeeren. Het bekwam de stumpert slecht, en Juno had alle
reden tot tevredenheid.
Een
ander stuk is geschreven tegen die vervloekte bovenmatige teederheid
van stiefmoeders. Fedra, zich hieraan schuldig makende, ondergaat 'n
zeer deugdzame weigering van Hippolytus, die den Jozef speelt. Ieder
kent dit vertelsel. De brave jongeling wordt op de van oudsher
gebruikelyke wys aangeklaagd van háár vergryp, en 't liep bitter
slecht met hem af. Uit vrees misschien dat stiefzoons en andere jeugd
uit dezen uitslag 'n averechtsche leering putten zouden, wyst de
zedenmeester heel nadrukkelyk op de zware straf die de al te
vriendelyke Fedra in de onderwereld te lyden had. Kortom, de deugd
wordt stiefdichterlyk aangeprezen, ook al mocht er niet het kleinste
onderkoninkschapjen in Egypte vakant zyn om de kuisheid te beloonen.
Semele
en Fedra worden hier alzoo met zeer ernstige bedoeling ten-tooneele
gevoerd als afschrikwekkende voorbeelden, van iets verkeerds.
Wat
doet nu Houbraken, wiens Kunst de
rympreekjes van Rotgans zal begeleiden,
toelichten, inprenten, aanschouwelyk voorstellen. Hoe maakt hy 't met
versiering en regeling? Met keus en rangschikking van de parerga?
Naar
de toenmalige uitsluitende opvatting van 't woord - 'n opvatting die
thans nog by velen bestaat - was Rotgans ‘klassisch’ gevormd. De man
verstond 'n beetje grieksch en latyn, en kan dus verondersteld worden
Houbrakens natuurlyke vraagbaak geweest te zyn. Zyn de hier bedoelde
plaatjes geteekend na den dood van den auteur der rympjes -
Rotgans stierf in 1710, en de uitgaaf die
voor me ligt, is van 1715 - ook dan nog mag men aannemen dat de
kunstenaar op den weg is geholpen door andere ‘geleerden’ die verstand
hadden van tydkleur.
We
vinden dan ook in al de hier bedoelde gravures een in 't oog vallend
streven naar 't ‘antiek’ of althans 'n bestudeerde
in-achtneming van de konventie òver ‘antiek.’ [2] Ieder kent de groote rol
die er in de Herscheppingen van Ovidius
wordt gespeeld door alkoof-gevalletjes. De teekenaar van zulke
onderwerpen kan z'n taak niet vervullen zonder nu-en-dan antieke
slaap- of... rustmeubels voortestellen. [3] Houbraken laat dan ook zeer
korrekt die ydele Semele de straf der hovaardy ondergaan op 't bed
waar ze Jupiter wacht. Dáár smelt ze van de hitte der bliksems die hy
dezen keer op haar eigen dom verzoek had meegebracht. Ook de gouden
regen die Danaë in den schoot valt, vindt het meisjen op haar bed.
Zeer juist, want in dat domicilie moest het universeel
verleidingsmiddel haar bereiken en exekuteeren. De kunstenaar die dit
bezoek van Jupyn verlegd had naar 'n andere schouwplaats, zou 'n fout
gemaakt hebben. Klytemnestra wordt door Orestes vermoord op 't bed
waar-i haar... ‘verzelschapt’ vindt van Egistus. En ook de bravigheid
van Hippolytus kon alweer niet behoorlyk worden voorgesteld, zonder
dat Fedra - 'n poppetjen om te stelen, waarlyk! - ligt of zit op 'n
bed, waarvan hy met de voorgeschreven afschuw terugwykt.
By al
zulke gelegenheden was de teekenaar dus wel genoodzaakt het modern
begrip: slaapkamer, overtezetten in 't ‘antiek’ of zelfs in
zekere mythologiek die nooit modern geweest is. Zoo'n lokaal
moest in overeenstemming worden gebracht, zoowel met de overige
bestanddeelen der schets, als met den toon van 't geheel.
Ziehier hoe hy dat aanlegt. Danaë en Semele schynen in de open lucht
te logeeren. Geen spoor van wand of muur. De eigenaardigheid dezer
soort van slaapkamer is, dat... de kamer ontbreekt, en dit pleit voor
Houbrakens kunstzin. Wat niet passend te maken was voor z'n onderwerp,
wierp hy geheel ter-zyde. By Fedra geeft hy iets toe - maar inderdaad
niets te veel - aan de burgerlyke eischen van z'n onderwerp.
Danaë en Semele hadden te-doen met 'n god die uit den hemel
dalen moest. Noch de gouden regen, noch Jupiters bliksems mochten
worden tegengehouden door 'n gestukadoord plafond. Maar Hippolytus was
stiefzoon, prins en mensch. Fedra's aanzoek en zyn weigering konden
dus niet tegen de buitenlucht. Toch stelt ook hier het tooneel geen
eigenlyk gezegde kamer voor. De schilder laat het stuk spelen
in 'n open hal, en gebruikt niet meer muur dan juist even noodig is om
te doen in 't oog vallen dat we hier niet te doen hebben met zwevende
regenende bliksemende goden. 't Is niet zonder belang deze fynheid van
onderscheiding in den kunstenaar optemerken, vooral daar ze geheel
overeenstemt met de keurige uitvoering. Het blyft de vraag of men
heden-ten-dage zóó teekent, en vooral: of men zoo studeert. Te
oordeelen, byv. naar den opgang dien Gustave Doré
maakt met z'n domme kunstjes - uit het lid gerekte handigheid! - zou
men dit mogen betwyfelen. [4]
Houbraken overwon alzoo de moeielykheid van
't voorstellen der ongoddelyke ondichterlyke slaapkamers, zoover die
te overwinnen was. Maar... de bedden! Deze meubels kon hy hoogstens
wyzigen, wegcyferen nooit. Z'n vrouwelyke sujetten moesten, naar den
eisch der zaak, liggen of half-liggend zitten. Om in overeenstemming
te blyven met het maatschappelyk-humaan element van de
strekking der allegorien - tegenstelling hier van 'tidyllisch-humane
- kon hy ook geen zodenbank gebruiken, als die, byv. waarop Ariadne
door Bacchus getroost werd. Semele was de dochter van Kadmus, 'n
voornaam persoon, al zy 't dan dat-i zich inliet met letterkunde.
Danaë's vader was koning van Argos. Fedra had Minos en Pasifaë tot
ouders, die koning en koningin van Kreta waren. Klytemnestra was de
echtgenoot van den ‘vorstengebiedenden’ Agamemnon. Men ziet dus dat al
de dames die hier ten-tooneele gevoerd en te-bed gelegd worden, in
fatsoenlyken kring te-huis behoorden. Aan dit standpunt moest alzoo
het model van hare bedden beantwoorden. [5] Deftig dus. En antiek. Méér
dan antiek: mythologisch, en byna onmogelyk. En by dit alles:
bevallig! Toch moesten die dingen ‘bedden’ blyven, d.i. zeer moderne
voorwerpen, stuitend van prozaïsche dagelyksheid.
Er
blykt dat Houbraken noch meubelmakers, noch
huismoeders, noch zieken, noch luiaards geraadpleegd heeft. Z'n
kunstzin en schoonheidsgevoel gaven hem lynen in de stift, die zoo
goed mogelyk voldeden aan de zeer uit-eenloopende eischen van z'n
onderwerp. Hy teekende iets als sofaas, ligstoelen, anadyomeensche
schulpen, sjeesjes of faëtons zonder wielen, maar op gracieuze
pootjes...
Daar
de laatste benamingen naar den stal rieken, verwyt my misschien de
oplettende lezer dat ikzelf hem hier in de buurt breng van Bilderdyks
‘koetsen’ waarop ik zoo gesmaald heb. Ziehier het onderscheid: ik
beschryf, en tracht duidelyk te maken wat de bedoeling is. In
Bilderdyks ‘echtkoetsen’ beweer ik de mislukte poging te zien om iets
banaals te verdichterlyken door... afgezaagde banaliteit.
[6]
Voor
werkelyk gebruik zyn Houbrakens tilburies veel te klein. Ook hierin
evenwel heeft-i als kunstenaar z'n plicht gedaan. De ledekanten staan
daar niet op die prentjes om beslapen te worden. Ze zyn niet meer, en
mogen niet meer zyn, dan supports van de figuurtjes die er op
rusten, onderschotels van de bekers waarin de lokkende wyn schuimt. De
burgerlyk-opgevatte ware waarheid zou hier ònwaar zyn, omdat in
de Kunst het parergon de hoofdzaak niet verdringen mag.
Fedra, Semele en Danaë zyn ter-nauwernood kleiner dan de schulpjes
waarin ze gevat zyn, en wanneer Hippolytus sarkastisch of lomp had
mogen wezen in-plaats van kuisch, had-i kunnen zeggen: m'n lieve
mensch, daar is geen plaats voor ons beiden!
Ook de
draperie wordt door Houbraken met zekere soberheid behandeld,
die gunstig afsteekt by de bekende overmaat van behangers-plooien,
vouwen en kreukels, by al dat ambachtelyk penseelwerk waarmee luie
kunstenaars gebrek aan studie trachten te bedekken.
In één
woord: de plaatjes zyn keurig. Houbraken was inderdaad artist.
Nu
moet ik nog-eens terugkomen op de strekking der allegorien van
Rotgans. Ze is hoog-ernstig, preekachtig,
by-uitnemendheid op 'r zondags gebeft. Ze riekt naar den kansel. Wie
hieraan mocht twyfelen, kan bekeerd worden door 't inzien van de
godsdienstig-zedelyke toespraakjes die ter bladvulling daarby gevoegd
zyn door zekeren Halma... ook 'n rymelaar
van de àllerergste soort, maar met minder pretentie dan
Bilderdyk. De ‘Zedeles’ die Rotgans
geput heeft uit het smelten of verkolen van Semele, komt volgens hem
geheel overeen met de woorden van Jezus, den ‘Kruisgezant.’ Ook
deze immers leert ons: ‘dat het Opperwezen ongenaakbaar is voor 't
menschelijk gezicht.’ God namelyk, is:
‘een vier dat
blaakt in volle kracht.’
en:
‘Dies denke en
spreke men van Godt met diep ontzag.’
Volgens Halma kan
Semele's onaangenaam uiteinde dienen:
‘tot stavinge dat
elk Godts Majesteit moet vreezen.’
Al valt òns nu 't
komieke in het oog, van de zonderlinge verwarring tusschen den al te
levenslustigen Jupiter - Rotgans noemt hem
‘geil’ - en den stuggen god des bybels, noch Rotgans, noch
Halma bedoelden iets koddigs, en
reeds hier betrappen wy 'n paar verzenmakers op 'n fout van de soort
die ik in dat drama van den knaap veronderstelde. Even goed als deze
met volkomen zekerheid wist dat z'n moeder 'n zuigeling moest geweest
zyn, wisten zy dat er niet de minste paralel te trekken was
tusschen grivoise vertellinkjes van Ovidius
omtrent 'n mythologische persoonlykheld, en de hoedanigheden
die zy in vollen ernst aan hùn god toeschreven. Zelfs de scabreuze
by-omstandigheden van 't verhaaltje, zoo ver afwykend toch van de door
henzelf gepreekte bravighedens en deftigheid, waren niet in-staat hen
te doen begrypen wat ze wisten. Zóó ook, naar ik meen,
zou 't de verstandelyke rechtzinnigheid van den knaap niet stuiten dat
z'n moeder ‘mevrouw’ genoemd werd aan de borst.
Doch,
zullen sommigen antwoorden, ze waren geen kunstenaars, deze
twee. Want ook Rotgans was dit maar heel
eventjes. *) Met andere woorden, een redelyk ontwikkelde knaap
zou dergelyke fouten niet maken, meent men?
Welnu,
Houbraken was wèl kunstenaar, wèl
ontwikkeld. Juist om dit aantetoonen, vertoefde ik zoo lang by die
bevallige ledekantjes. Hy streefde hier zoomin als Rotgans en Halma
naar 't komieke. Met artisten-konscientie poogde hy de meest-mogelyke
en zoo duidelyk voorgeschreven deftigheid in z'n schetsjen te leggen,
en zelfs de ‘Majesteit’ waarvoor zoo uitdrukkelyk eerbied gevorderd
wordt.
Majesteit? Jupyn ligt te zwemmen in wolken, bliksems en
weerlichten. Z'n adelaar draagt 'n dikken bundel onweer in den bek.
Wie scherp toeziet, hoort den donder...
Wat
kan 'n arme artist die ‘Majesteit’ moet voorstellen, méér doen?
Jehovah zelf, en in z'n beste dagen, was op den Sinaï om indruk te
maken wel genoodzaakt tot dezelfde attributen z'n toevlucht te nemen.
Majesteit? De zeer bekwame kunstenaar is doordrongen van 't
gewicht zyner taak. Talent, oefening, studie... alles gaat samen met
goeden wil, om te voldoen aan de verheven eischen van 't onderwerp...
Houbraken, zoo artistiek-zuinig overigens met belemmerend bywerk,
teekent onder de smaakvolle spondjes van Semele en Fedra...
Bedenk, lezer, dat de eene 'n prins tot zich roept. De ander wacht 'n
God, den Optimus, den Maximus, en wel ditmaal in al de
schittering van z'n heerlykheid.
...
onze Houbraken, fatsoenlyk, zedepreekend, majestetisch gestemd,
durft onder die faëtons plaats geven aan 'n meubel dat... geen
plaats krygt op deze toch zoo burgerlyk geschreven bladzy van m'n
Ideen! [7]
Ten-onrechte zeide ik dat de kunstenaar hier iets gedurfd
heeft. Er is geen spraak van opzettelyk realismus, dat trouwens altyd
nog maar getuigen zou van wrevel over 'n mislukt grypen naar 't
ideale. Hy wilde inderdaad verheven zyn. Dit blykt uit al 't andere
bywerk. De heele zaak was 'n vergissing.
Heb ik
niet de mogelykheid, de waarschynlykheid, de zekerheid, van dat
lurepraatje [8] aangetoond?
*) Dat Rotgans aanleg had,
blykt uit z'n ‘Boerenkermis.’ In
dàt stuk waren drie, vier, servituten opgeheven, die 't grootste
deel van z'n overige werken tot laffe rymelary maakten. Hy schetst
in z'n kermis 'n brok Natuur na, en behoefde noch z'n Publiek te
vleien, noch - als in z'n bespottelyk gedicht over Willem III - een
‘Vorst.’ Ook durfde hy zich ditmaal ontslagen achten van
mythologie en deftigheid.
Ziehier dan ook de oorzaken waarom onder al z'n werken, die ‘Boerenkermis’
alleen zich heeft staande gehouden op 't dichtrepertorium der 18e
eeuw. Toch is het te veronderstellen dat hyzelf en z'n zeer deftige
familie dat stuk slechts ter-nauwernood aanzagen als kunstprodukt.
Waarschynlyk schaamden zy zich er over. Rotgans had misschien 'n
Jan Steen kunnen zyn, maar... hy had neven
in de ‘Regeering’ van Amsterdam, en 'n buitenplaats aan de Vecht.
Dat stremt!
[1]
De verzen van den ‘dichter’ - hier-en-daar waarlyk beter dan die van
Bilderdyk - zyn miserabel. Doch, of want, de
beoogde strekking is: publiekbehagend, braaf, deftig,
allerfatsoenlykst.
Inderdaad is
dit de indruk die bijna alle Nederlandse poëzie en literatuur uit de 18e en 19e
eeuw op mij maakt, met heel weinig uitzondering. De enige term die ik
mis in de opsomming is saai.
[2] ... een in 't
oog vallend streven naar 't ‘antiek’ of althans 'n bestudeerde
in-achtneming van de konventie òver ‘antiek.’
Dit is een heel gebruikelijke
verwarring: Tussen wat iets is of ooit was, en hoe erover gedacht werd
of wordt, inclusief hoe men het zou behoren weer te geven.
[3]
zonder nu-en-dan antieke slaap- of... rustmeubels voortestellen.
Ook tegenwoordig wordt nog steeds niet
van neuk- of vrij-meubels gesproken, terwijl dit toch een essentiële
functie van het slaapkamerameublement is.
[4]
Te
oordeelen, byv. naar den opgang dien Gustave Doré
maakt met z'n domme kunstjes - uit het lid gerekte handigheid! - zou
men dit mogen betwyfelen.
M.
had vréémde opvattingen over schilder- en teken-kunst. Hier keurt hij
Doré af en elders Rafaël. Het vreemde daarbij is bovendien dat hij,
geheel anders dan z'n zoon en dochter, zelf nauwelijks kon tekenen.
Zijn dochter kon dat zeker goed, en zijn zoon naar verluid ook.
[5]
Men ziet dus dat al de dames die hier ten-tooneele gevoerd en te-bed
gelegd worden, in fatsoenlyken kring te-huis behoorden. Aan dit
standpunt moest alzoo het model van hare bedden beantwoorden.
Ik begrijp de gedachtegang, maar niet de
logica ervan: Waarom kunnen fatsoenlijke dames niet verdwaald raken in
minder fatsoenlijke bedden, bijvoorbeeld?
[6] ...
de mislukte poging te zien om iets banaals te verdichterlyken door...
afgezaagde banaliteit.
Dit
licht ik eruit omdat het een heel gebruikelijke essentie van poëzie
goed samenvat.
[7] ...
onze Houbraken, fatsoenlyk, zedepreekend, majestetisch gestemd,
durft onder die faëtons plaats geven aan 'n meubel dat... geen
plaats krygt op deze toch zoo burgerlyk geschreven bladzy van m'n
Ideen!
Toch niet een po of een bidet? Voor wat
het waard is: In Romeinse slaapkamers, die overigens schaars
gemeubileerd waren, ontbrak de po zelden, eenvoudig omdat er geen WCs
waren, en ook geen plees, althans in de meeste woningen.
[8]
lurepraatje
Luierpraatje, vanwaar dus ook "in de
luren laten leggen" - zich laten bedriegen door eigen naïviteit,