Idee 1060a.                                                


De dokter, die 'n menschenkenner was [1], korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:

 - Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben. [2] Ik ben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die doprten zou willen. Help 'm eens, Sietske!

Sietske deed het met veel gratie.

Wouter had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en... zelfs de oorzaak van dien overgang op de doprten. Hy voelde ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag vyf zonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.

In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist in-verband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. [3] Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy - fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z'n doorzicht - niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy 't kind betoonde.

Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak geweest. [4] Tweemaal twee is... zveel, Prins die of die is 'n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat er twyfel bestond, en hield dus z'n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te gewen aan z'n weetgierigheid, maar 't was hem slecht bekomen. [5] Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy 'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden aartsvader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. Zulke vragen pasten geen kind! heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomen fair play was. Men moest niet verstokt zyn. De arme jongen bad dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.

Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon. [6]

Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms 'n keuze tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en - by Wouter in zeer letterlyken zin nog - kinderachtig, maar 't was zoo. [7]

Toch kunnen we 't hm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe 't heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. [8] Men behoeft slechts 't huis Pietersen en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyksoortig verschynsel overal te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar... bekrompen zyn wy allen. [9] Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. [10] En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate, heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.

En... een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is (1047a) vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende, worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. [11] Trekvogels en hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't geprezene terug, zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van 't vreemde zlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minst huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong. [12] 't Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem 'n paar vlerken zond, met 'n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af, omdat-i 't jammer vond den schulp te verlaten, waarin hy geen wieken bergen kon.

Het is niet onbelangryk, acht te slaan op de vele zaken die niet gezien werden door mannen wier blik ruimer was dan van hun tydgenooten. Keppler geloofde aan heksen, Columbus aan 'n Azi bewesten Europa, enz. [13] Wie lust heeft dergelyke voorbeelden tot in het oneindige te vermeerderen, vergelyke de maat van kennis der dusgenaamde groote mannen - d.w.z. van hen die eenigszins boven anderen uitstaken - met den stand der wetenschap, honderd jaren na hun dood, of zelfs zr kort daarna. Men heeft Napoleon kunnen wysmaken dat de stoom 'n onpraktisch ding was. Met n hedendaagschen lucifer zou men Aristoteles,Cicero, en zelfs Newton in verbazing gebracht hebben. [14]

Als vry algemeen kenmerk van de betrekkelyke bekrompenheid die ik hier bedoel, zou men kunnen aannemen: het gemis aan besef van voortdurende verandering.

Besef! Elk kind weet wel dat het bestemd is om volwassen te worden, en ook dat z'n ouders eenmaal kinderen geweest zyn, doch... het weet dit maar. Een heldere voorstelling van de verandering die geschied is en geschieden zal, heeft het niet. [15] Als ik groot ben, zal ik alle dagen kinderpartytjes geven, en hoepels, tollen, knikkers koopen zonder eind! Z stelt zich de knaap 't genot van 't groot-zyn voor. Hy kan zich niet verbeelden dat z'n vader, in de wieg nog, niet reeds 'n model van stugge wysheid was, en dat de deftige mama ooit met de pop zou gespeeld hebben. Men zegt hem wel dat papa 'n insteekpakje met 'n jukkraagje gedragen heeft, en dat z'n moeder eenmaal in de termen viel om berispt te worden over snoeplust of ongehoorzaamheid, en hy gelooft het wel, maar...maar...

Wanneer 'n knaap de bekwaamheid had, de beelden die zich in z'n gemoed vormen, met juistheid te teekenen, zou men ontwaren dat hy veel minder begrypt dan-i blyk geeft te weten. [16] Stel dat hy 'n drama schreef - Moeders geboorte byvoorbeeld, - wees verzekerd dat-i de baker zou laten zeggen: mag ik zoo vry wezen, Mevrouw 'n schoone luur aantedoen?

Straks zal ik aantoonen hoe ik dit te weten kwam, of liever een-en-ander meedeelen dat my tot deze gissing aanleiding gaf.


[1] De dokter, die 'n menschenkenner was

Naar men mag aannemen van een dokter - alleen is het mij zelden duidelijk wat men met de term "mensenkennis" bedoelt, en in het bijzonder welk soort kennis. Een zinnig vermoeden is dat vrijwel alle zogenaamde mensenkennis bestaat uit gelijke delen projectie uit het eigen gemoed en generalisaties uit de enkele tientallen mensen die men regelmatig meegemaakt heeft. (En als afgestudeerde in de wetenschap der psychologie kan ik de wellicht naeve lezer melden dat ook in dat vak mensenkennis niet of nauwelijks onderwezen wordt.)
 


[2]  - Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben.

Dit laatste is nu juist waar het gewoonlijk aan ontbreekt: De meeste mensen komen tot de overtuigingen die ze hebben door wensdenkerij en naperij, en niet door zelfstandig onderzoek of relevante kennis.


[3] In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist in-verband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten.

Ongetwijfeld had de ongetwijfeld hoogst-intelligente lezer(es) dit al door, bijvoorbeeld geholpen door Wouter's Rooverslied (waarvan dokter Holsma kennelijk geen weet had). Zie 397 en 405. Een vraag die blijft is of de hoogst-intelligente Eduard Douwes Dekker in z'n jeugd geplaagd werd door een soortgelijk "gebrek aan zelfvertrouwen".
 


[4] Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak geweest.

Dit is zeker een zeer gebruikelijke tekortkoming van veel opvoeders, maar het is de moeite waard op te merken dat een kind geen keus heeft: Het moet beginnen met overwegend aan te nemen wat 'm verteld wordt, en kan niet anders. Wie aan alles of aan het meeste twijfelt komt niet verder dan twijfel. Een mens moet allerlei dingen aannemen, was het alleen om een standpunt te verkrijgen dat hij later kan verlaten.


[5] Hy wist niet dat er twyfel bestond, en hield dus z'n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te gewen aan z'n weetgierigheid, maar 't was hem slecht bekomen.

Hier is sprake van een gebruikelijke gang van zaken, maar het lijkt me enigszins misleidend uitgedrukt: Kinderen moeten beginnen tal van zaken en onderscheidingen aan te nemen, maar dat betekent niet dat ze niet weten wat twijfel is.
 


[6] Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.

Iets dergelijks geldt kennelijk voor vrijwel alle gelovers in een religie: Wat ze geloven begrijpen ze niet, kennen ze niet, hebben ze geen evidentie voor, en geloven ze niet in de zin waarin ze geloof hebben van dingen waar ze wl kennis, enig begrip en enige ervaring van hebben.
 


[7] Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms 'n keuze tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en - by Wouter in zeer letterlyken zin nog - kinderachtig, maar 't was zoo.

Ja, en zie [5], en trouwens ook idee 1: Om iets te kunnen betwijfelen zal je eerst iets moeten begrijpen, was het alleen een taal om je twijfel uit te drukken.

En inderdaad zijn kinderen gedwongen zeer veel dat ze verteld wordt aan te nemen, bij gebrek aan enige kennis van iets anders, en ook bij gebrek aan enige kennis dat het hun vertelde twijfelachtig zou maken. Dit is weer een reden, trouwens, om een tegenstander te zijn van godsdienstonderwijs aan kinderen: Het is onderwijs in iets dat vrijwel zeker illusie is, hoe goed bedoeld ook, aan mensen die nog niet de vermogens hebben het hun onderwezene behoorlijk te beoordelen.
 


[8] Toch kunnen we 't hm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe 't heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen.

Opnieuw het probleem van [4], [5] en [7] - maar inderdaad heel relevant voor wie de verschillen tussen kinderen en volwassenen wil begrijpen of verduidelijken.
 


[9] Zelden ontmoet men 'n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar... bekrompen zyn wy allen.

Het mag wel eens opgemerkt worden dat dit voor Multatuli zelf veel minder gold dan voor de zeer grote meerderheid van z'n tijdgenoten: Multatuli was geen racist, geen chauvinist, geen ethnicist, en geen bewonderaar van de maatschappelijk gearriveerden of machtigen.
 


[10] Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af.

Ja, mensen zijn zo, in overgrote meerderheid, al is het tegenwoordig Politiek Correct te huichelen dat het anders zou zijn.
 


[11] En... een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is (1047a) vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende, worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is.

Inderdaad, maar nieuwsgierigheid is in ieder geval een zoogdieren-eigenschap, die ongetwijfeld soms gevaarlijk is maar gemiddeld het overleven bestendigd: "Wat is dit dat ik nog niet eerder meemaakte?"
 


[12] Dat loven en roemen van 't vreemde zlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minst huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong.

Dit geldt zeker voor de communisten, socialisten en anarchisten uit Multatuli's tijd, en ook voor de idems uit mijn tijd, en - bijvoorbeeld - de moderne kunst: Velen zijn voorstanders van vernieuwing omdat het vernieuwing is, en bewonderaars van het ongewone omdat het ongewoon is. Gewoonlijk is dit een standpunt dat een groot gebrek aan eigen originaliteit of denkkracht doet vermoeden.
 


[13] Keppler geloofde aan heksen, Columbus aan 'n Azi bewesten Europa, enz.

Ja, dat is zo. Maar het lijkt redelijk aan te nemen dat ieder mens zich feitelijk vergist in de meerderheid van z'n meer algemene ideen, gemeten aan de hand van latere wetenschappelijke kennis.
 


[14] Men heeft Napoleon kunnen wysmaken dat de stoom 'n onpraktisch ding was. Met n hedendaagschen lucifer zou men Aristoteles,Cicero, en zelfs Newton in verbazing gebracht hebben.

Natuurlijk, want een lucifer is een praktische technologische uitdrukking van nogal wat wetenschappelijke kennis die de genoemden volledig onbekend was. En zelfs het perfectioneren van de lucifer heeft diverse tientallen jaren gekost.
 


[15] Elk kind weet wel dat het bestemd is om volwassen te worden, en ook dat z'n ouders eenmaal kinderen geweest zyn, doch... het weet dit maar. Een heldere voorstelling van de verandering die geschied is en geschieden zal, heeft het niet.

Klopt: De mensheid begint opnieuw met iedere nieuwe boreling. Het enige dat onbetwijfelbaar vooruitgaat door de menselijke generaties - zij het ook met vallen en opstaan en vele eeuwen duisternis - is de wetenschappelijke kennis.
 


[16] Wanneer 'n knaap de bekwaamheid had, de beelden die zich in z'n gemoed vormen, met juistheid te teekenen, zou men ontwaren dat hy veel minder begrypt dan-i blyk geeft te weten.

Ja, natuurlijk, maar dat geldt voor iedereen: Iedereen wt veel meer dan hij behoorlijk kan verklaren, en het meeste dat mensen meemaken, hoe alledaags en bekend en normaal ook, is welbeschouwd nogal mirakuleus.

Idee 1060a.