Idee 1060.                                                


Onze held legt weer 'n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus in
Europa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen. De lotgevallen van 'n vlâlepel, met 'n handleiding tot het begraven van ongelukken. Olivier van Noort kan den doortocht naar 't gesprek niet vinden.

Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. [1] Z'n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: ‘maar boven te komen.’ Dit ‘maar’ is 'n onbeminnelyk uitvindsel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in 't gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan 't verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven. 

Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de ‘studeerkamer’ waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen. [2]

Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in 'n hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien. [3] Hy wist niet dat er nog 'n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ternauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z'n binnentreden opving.

Toen de meid de deur der kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z'n figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in 'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van den broek, als wachtte hy op 'n: ingerukt... marsch! of: rechts-om... keert!

De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en... sommige vrouwen. [4] Het onuitgesproken: ‘wie ben jy?’ heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.

By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen [5], en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk ‘wilden’ genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee ‘dames’ die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. [6] We zien daaruit dat de slagtanden van 't kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de rudera uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: ‘vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf, en 'n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!’

't Is mogelyk dat die ‘dames’ zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde mene-mene-tekel-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden. [6] Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich nooit schuldig maakte aan... ja, waaraan?

Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en... men kent haar niet!

Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wede E. 'n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen... maar toch, ligt er in dit alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?

In dat: ‘ik ken je niet, dus: vyandig!’ openbaart zich 'n zonderlinge opvatting van humaniteit. [7] Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n indringer, als 'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner wreede schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.

Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n pensum. [8]

- Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf van je. Wat heb je daar?

En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:

Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.

Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde Lady Macbeth, en wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.

Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken ‘voor z'n beterschap... naast God.’

Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n ernstig gelaat vertoonde.

- Naast God? Ja... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?

- Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk...

De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. [9] Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z'n neus veel harder te snuiten dan voor 't gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met 'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.

- Orrrde! riep hy met 'n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden [10] onder de les? Ik zal jelui allemaal... orrrde!

Daar begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag 'n vinger op.

- Ik zal jelui allemaal...

- Vyf! juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!

De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n quodlibet van gaudeamus en vive la joie, en God save the King... help mee, jongens! Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed. Help, Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak! A bas les tyrans! Amour sacré - pak 'm beet, Willem, jy bent de sterkste - de la patrie... de heer van Son is 'n brave kapitein... hy regeert z'n volkje, neen... daar ging 'n patertje langs den kant... wraak! So, so wie ich dich liebe - wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens! - Hier ligt myn Damon, neen...io vivat, io vivat... boum, boum, boum... hoera! Dans son bivouac, le troubadour fidèle... wraak! Fleuve du Tage... wraak! Oh, shall he, boys... oh, shall he, boys... oh, shall he... wraak! Pro salute horum - geen latyn, riep Sietske - hop maar Jannetje, hop maar... sing, Sally, ho... wraak! [11]

Wouter wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier 'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem dat de wereld niet verging.

- Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?

- Breng 't dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z'n schouders zat.

De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:

- O, dierbaar Afrika...

Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed!

- O, Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi... prachtig! Nog 'n oogenblik, papa, dierbare schooltiran - houd vast, Willem, toe! - ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht vertrek. Mesopotamië, mesopomomo... mondvol, mooi! Nigritië - blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n paardje trappelt zoo... hu, hu! - Aethiopië - Herman, houd z'n beenen vast... niet kittelen, dan val ik - Marokko... Schiermonnikoog... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje... Alexandrië, Soudan, Egypte... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolveniersburgwal [12] - de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil - Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie vangt me?

- Ik, riep Willem.

Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.

- Oef! riep de dokter.

- Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan oef! Twee volle uren les, en dan terstond: oef! Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran van Monomotapapa, van Monoë... muggen mugi, bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is 'n ware schande... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van!

- 'n Ware schande... nu jy, Willem!

- 't Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.

- Weg met de ouders! Roep mee, papa!

- Weg, weg, weg met...

...met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.

- Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader! Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden... nà de les!

- Juist, schreeuwden de jongens, orrrde na de les! Dat is de ware rechte orde!

- En... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag, 'n zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!

- Ja, ja... uit onbeklemde borst, papa!

- Leven de dierbare... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.

- Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.

- Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve sekonde les in... de eeuw. Nooit Sofala, Monomotapapa... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...

- Leven de...

Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op.

- Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee - jy ook, mannetje! - mama wacht ons zeker met het eten.

Willem nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie den trap af. Wouter volgde, maar Lady Macbeth verdween platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die... [13]

Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.

In de eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.

- Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.

Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:

- Papa, mag ik het doen?

Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.

- Mama, dit is 'n jonge-heer... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?

- Wouter Pieterse.

- Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i... ziek geweest is, en die... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?

De dokter knikte weer.

...die hier blyft eten, Mama.

- Als mama 't goedvindt, zei de vader.

- Juist, als mama 't goedvindt.

Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n gemak. 't Was noodig!

De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. [14] Men wees hem 'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drie-vierde van z'n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde...

- Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.

- J...a, m'nheer, stamelde Wouter.

- Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?

- Ja, altyd... by warm eten, m'nheer!

Er was tucht in dat huis: niemand lachte.

- Bid jy er maar gerust op toe, jongen!

De dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in dien kring.

- Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en... daaraan doen we misschien ook goed.

- Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. [15]

Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen. Hy... 'n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem 'n waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag 'n overtuiging hebben!

Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook - mits 'n volwassen persoon! - werd voorgesteld. [16] De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als 't vernomen nieuws dat hy 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje zwol er van..


[1] Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan.

Tot nu toe hebben we in de Wouter-geschiedenis vooral gelezen hoe het niet moet in de opvoeding, het geloof en de menselijke omgang, altijd volgens Multatuli, natuurlijk. Wouter komt nu in aanraking met een familie die niet bekrompen, gelovig, of onwetend is, en in deze zin beschaafd en voorbeeldig, alweer volgens Multatuli.
 


[2] ...waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.

Dit is ook Multatuli's opvatting over de plicht van vaders. Het is hem later vaak kwalijk genomen, ook door zijn eigen zoon bijvoorbeeld, dat hij daar zèlf heel weinig van terecht bracht.

Eén reden, en tot zekere hoogte een excuus, is dat hij feitelijk in Nederland zo weinig opgang maakte en - dus - zo weinig geld verdiende dat hij dit niet behoorlijk kon, en zeker niet volgens zijn eigen normen.

Een andere reden, die geen excuus maar wel een verklaring vormt, is dat M. eigenlijk liever samenwoonde met zijn minnares Mimi Hamminck-Schepel, met wie hij na de dood van z'n eerste vrouw trouwde, voor 't fatsoen. Een grond daarvoor was ongetwijfeld dat Mimi een stuk jonger en aantrekkelijker was, en kennelijk meer in sex geïnteresseerd was, dan M.'s eerste vrouw.
 


[3] ... waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien.

Dit lijkt nogal een nouveauté te zijn geweest in M.'s eigen tijd, want er valt uit de VW te leren dat hij een opblaasbare globe cadeau gaf aan de kinderen van zijn broer.
 


[4] ... met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en... sommige vrouwen.

Er is iets als een "je hoort hier niet!" blik, maar die lijkt me van alle tijden, plaatsen en mensen.
 


[5] By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen ...

En dan vooral omdat kinderen nog niet geleerd hebben fatsoenlijk, behoorlijk, oppassend en moreel te huichelen. Zie o.a. 74.
 


[6] ... zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden.

Uit de VW is te leren dat Multatuli ooit een brief schreef aan de Amsterdamse politie om te protesteren tegen precies dit volksvermaak.
 


[7] In dat: ‘ik ken je niet, dus: vyandig!’ openbaart zich 'n zonderlinge opvatting van humaniteit.

Of misschien een heel juist beeld over de gemiddelde medemens? ("Homo homini lupus").
 


[8] ... de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n pensum.

Hieruit kunnen we konkluderen dat Willem de Latijnse School c.q. het gymnasium bezocht, net als M. totdat zijn vader hem van school haalde, omdat hij te speels was, z'n lessen niet leerde, of om een andere reden.

Eén reden voor het zeer vaak voorkomen van Latijnse en Griekse uitdrukkingen in M.'s proza is dat hij kennelijk wilde duidelijk maken niet van de straat te zijn. En inderdaad had het overgrote deel van de toenmalige literatoren ook school gegaan met Latijn en Grieks, alleen zagen ze minder reden om dit voortdurend te vertonen.
 


[9] De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit.

Dit komt me tamelijk ongelooflijk voor. Immers, we spreken van Nederland ca. 1815, waar vrijwel iedereen gelovig was, en het voor een dokter vrijwel zeker onmogelijk zou zijn emplooi te vinden als het algemeen bekend zou zijn dat hij een atheïst was, of althans geen gelovige.

Het lijkt me behoorlijk waarschijnlijk dat er onder de toenmalige hogere stand, en zeker onder doktoren, redelijk wat mensen waren die hun geloof overwegend verloren hadden, maar veel minder waarschijnlijk dat ze daar openlijk voor uitkwamen.
 


[10] Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden

Voor "samojeedsch" zie 447. En wie het niet opgevallen is - letterkundige noot!: Samojeden zijn Lappen, en lapsus, als in "juffrouw Laps", die ongetwijfeld om deze reden zo heet, betekent "fout" in het Latijn. Extra letterkundige noot: De welopgevoede politiek correcte Neerlandicus spreekt van Samen, want zo noemt dat volk zichzelf in hun eigen taal. Buitengewoon letterkundige noot voor Echte Kenners: 't Is eigenlijk Sami, althans in Noorwegen.
 


[11] Pro salute horum - geen latyn, riep Sietske - hop maar Jannetje, hop maar... sing, Sally, ho... wraak!

Ik licht dit uit deze alinea omdat ik vind dat de kinderen Holsma wel érg taalbegaafd zijn.
 


[12] Kolveniersburgwal

In de Garmond-editie die ik gebruik - de lezer heeft alwéér het zeldzame genot van een puur  letterkundige opmerking van mij! - staat meestal maar niet altijd "Kolveniersburgwal". Feitelijk juist is "Kloveniersburgwal", want deze bestaat in Amsterdam maar de andere niet. Ik weet niet of dit een opzettelijke fout van M. was, of een slordigheid of fout in z'n herinnering.

Wat later komt Wouter te werken in een verblijf te bereiken via de "Vellenstraat". Ook deze bestaat niet in Amsterdam, maar er is wel een Huidenstraat. Ik vermoed dus dat beide fouten echte fouten zijn, en M.'s herinneringen niet exact juist waren. (En wiens herinneringen wel?)
 


[13] Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...

Zie [1].
 


[14] De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor.

Dit was feitelijk ook de kring waartoe Multatuli behoorde, althans zolang hij assistent-resident was in Nederlandsch-Indië of die status en - vooral - het daarbij horende inkomen had.
 


[15] - Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.

Voor Wouter werd dit een belangrijke opmerking. Mij komt het triviaal voor, tenzij gelezen in Multatuliaanse zin, waarover zie 74, 136 en 276: "moet" als "behoort". Of zoals Multatuli graag mocht zeggen in 't frans: Agis comme tu penses! Dit is de waarachtigheid die ik noemde onder idee 1.
 


[16] Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook - mits 'n volwassen persoon! - werd voorgesteld.

Dit komt me nogal ongeloofwaardig voor waar het iemand als Wouter of van Wouter's leeftijd betreft. Maar het is wel waar dat ieder kind vele jaren moet doorbrengen in een klimaat en omgeving die voorzover het kind weet universeel-menselijk zijn, maar feitelijk heel bekrompen of dom of bevooroordeeld kan zijn.

Idee 1060.