Onze held legt weer 'n
bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus in
Europa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van
kinderen die hun vader mishandelen. De lotgevallen van 'n vlâlepel,
met 'n handleiding tot het begraven van ongelukken. Olivier van
Noort kan den doortocht naar 't gesprek niet
vinden.
Den volgenden dag
schelde Wouter by den dokter aan. [1] Z'n hartje beefde, want dat huis zag
er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn,
uitgenoodigd: ‘maar boven te komen.’ Dit ‘maar’ is 'n onbeminnelyk
uitvindsel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen
ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in 't gebruik
van stopwoorden, met het plan om eerlang aan 't verzenmaken te gaan,
en historische treurspelen te schryven.
Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch
naar de ‘studeerkamer’ waar dokter Holsma bezig was met het vervullen
van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.
[2]
Er
waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in 'n
hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide
anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar
jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was,
en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp was van
de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis
zoo'n grooten ronden bol gezien. [3] Hy wist niet dat er nog 'n andere
manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen,
dan op platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag,
maar ternauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles
diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat
zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z'n binnentreden
opving.
Toen
de meid de deur der kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen,
en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z'n
figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag op-eens
doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes.
Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen
lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke daarvan te
vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in 'n plooi van
officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had
waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter
verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar
met den pink op den naad van den broek, als wachtte hy op 'n:
ingerukt... marsch! of: rechts-om... keert!
De
grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n
oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking
van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig
onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen
waarnemen by wilden, kinderen en... sommige vrouwen.
[4] Het
onuitgesproken: ‘wie ben jy?’ heeft by zulke gelegenheden den
rang van stilzwygende oorlogsverklaring.
By
kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen [5], en ik geloof dat het
aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren die
in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk ‘wilden’ genaamd
worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van
individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid
schuldig maken... men behoeft slechts acht te geven op de blikken
waarmee ‘dames’ die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk
van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten
elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en
verdoemen elkaar. [6] We zien daaruit dat de slagtanden van 't
kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons
aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet
te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de
rudera uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om
ons toeteroepen: ‘vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet
wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf, en 'n
heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!’
't Is
mogelyk dat die ‘dames’ zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook
zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden
onthouden. Ik heb de hier bedoelde mene-mene-tekel-woede
waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden
waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden.
[6] Om
evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt,
moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich
nooit schuldig maakte aan... ja, waaraan?
Wat is
dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling mededames
ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet
onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen,
te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en... men kent haar
niet!
Het is
te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan
Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den
smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wede E. 'n
heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle
F vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen... maar toch, ligt
er in dit alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar
heel-eventjes-byna niet te byten?
In
dat: ‘ik ken je niet, dus: vyandig!’ openbaart zich 'n zonderlinge
opvatting van humaniteit. [7] Misschien noemde ik die ten-onrechte:
primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen
of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze door andere
gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die
kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor
beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg was van
wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan
voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n indringer, als
'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn.
Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen
niet! De geslachtsboom hunner wreede schuwheid klimt hoogstens op tot
de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.
Zoo... damesachtig
dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel
even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem
scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de haast om
voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den
Titus Livius die hem vandaag begunstigde met
'n pensum. [8]
- Zoo,
ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf van je.
Wat heb je daar?
En
op-eens zich tot de soldaatjes keerende:
Help
me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van...
Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.
Wouter
kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde Lady Macbeth, en
wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond
die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol
boeken... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel
willen inslikken.
Men
had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy
staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak
bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam
bedanken ‘voor z'n beterschap... naast God.’
Het
was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik
moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n ernstig
gelaat vertoonde.
-
Naast God? Ja... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je
dan nu God wel bedankt?
-
Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk...
De
kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van ondeugendheid.
Ze proestte in lachen uit. [9] Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden.
Willem scheen redenen te hebben z'n neus veel harder te snuiten dan
voor 't gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog
zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles
geen genoegen te nemen. Hy sloeg met 'n liniaal op tafel, dat de
aardbol er van sidderde.
- Orrrde! riep hy met
'n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier
voor 'n samojeedsch huishouden [10] onder de les? Ik zal jelui allemaal...
orrrde!
Daar
begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken
slag 'n vinger op.
- Ik
zal jelui allemaal...
- Vyf!
juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf
uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!
De
beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n quodlibet van
gaudeamus en vive la joie, en God save the King...
help mee, jongens! Vive la vacance, le maître en pénitence...
Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed.
Help, Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak! A bas les tyrans!
Amour sacré - pak 'm beet, Willem, jy bent de sterkste - de la
patrie... de heer van Son is 'n brave kapitein... hy regeert z'n
volkje, neen... daar ging 'n patertje langs den kant...
wraak! So, so wie ich dich liebe - wraak, wraak, wraak! Houdje
goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens! -
Hier ligt myn Damon, neen...io vivat, io vivat... boum,
boum, boum... hoera! Dans son bivouac, le troubadour fidèle...
wraak! Fleuve du Tage... wraak! Oh, shall he, boys... oh,
shall he, boys... oh, shall he... wraak! Pro salute horum -
geen latyn, riep Sietske - hop maar Jannetje, hop maar... sing,
Sally, ho... wraak! [11]
Wouter
wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier zag
gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen
droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier 'n
voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het
ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na wat
bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en
Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen
hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten...
ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel
van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem
dat de wereld niet verging.
- Nu,
nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan
ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?
- Breng 't dierbaar
dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z'n
schouders zat.
De
vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n linkervoet
gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By
den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te
gestikuleeren:
- O,
dierbaar Afrika...
Een
schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n
werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed!
- O,
Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi... prachtig! Nog 'n
oogenblik, papa, dierbare schooltiran - houd vast, Willem, toe! - ik
wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht
vertrek. Mesopotamië, mesopomomo... mondvol, mooi! Nigritië
- blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n
paardje trappelt zoo... hu, hu! - Aethiopië - Herman, houd z'n
beenen vast... niet kittelen, dan val ik - Marokko...
Schiermonnikoog... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje...
Alexandrië, Soudan, Egypte... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer,
Kolveniersburgwal [12] - de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil -
Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie
vangt me?
- Ik,
riep Willem.
Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong
op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.
- Oef!
riep de dokter.
- Oef,
oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan oef! Twee
volle uren les, en dan terstond: oef! Waar zou dat heen? O,
neen, dierbare tiran van Monomotapapa, van Monoë... muggen
mugi, bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is 'n
ware schande... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van!
- 'n
Ware schande... nu jy, Willem!
- 't
Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage
de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.
- Weg
met de ouders! Roep mee, papa!
- Weg,
weg, weg met...
...met
de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op
dien vreeselyken wanklank.
- Wat
moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader!
Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden... nà
de les!
-
Juist, schreeuwden de jongens, orrrde na de les! Dat is de ware
rechte orde!
-
En... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe
prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag, 'n
zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die
vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!
- Ja,
ja... uit onbeklemde borst, papa!
-
Leven de dierbare... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien
oproerkreet weer duchtig gestraft.
- Als
ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
- Ik
ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve sekonde
les in... de eeuw. Nooit Sofala, Monomotapapa... kom-aan,
dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...
-
Leven de...
Weer
sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op.
-
Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee - jy ook,
mannetje! - mama wacht ons zeker met het eten.
Willem
nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie
den trap af. Wouter volgde, maar Lady Macbeth verdween
platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te
overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
[13]
Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was
immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de
duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep
er niets van.
In de
eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na vyven in
de school.
- Stel
den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
Hy
wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:
-
Papa, mag ik het doen?
Holsma knikte. De
kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde
hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.
-
Mama, dit is 'n jonge-heer... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?
-
Wouter Pieterse.
- Dit
is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i...
ziek geweest is, en die... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?
De
dokter knikte weer.
...die
hier blyft eten, Mama.
- Als
mama 't goedvindt, zei de vader.
-
Juist, als mama 't goedvindt.
Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n
gemak. 't Was noodig!
De
kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen
middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor.
[14] Men wees hem
'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drie-vierde van z'n
postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen
voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde,
verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde...
- Wou
je bidden, mannetje? vroeg de dokter.
-
J...a, m'nheer, stamelde Wouter.
-
Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd
aan-tafel?
- Ja,
altyd... by warm eten, m'nheer!
Er was
tucht in dat huis: niemand lachte.
- Bid
jy er maar gerust op toe, jongen!
De
dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten
had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te
vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i
later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in dien
kring.
- Je
doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en... daaraan doen
we misschien ook goed.
- Wel
zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.
[15]
Dit zoo eenvoudig
woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen. Hy...
'n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem 'n
waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht, waaraan hy nooit gedacht
had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag 'n
overtuiging hebben!
Het
was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden
opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook -
mits 'n volwassen persoon! - werd voorgesteld. [16] De geheele kwestie over
bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als 't
vernomen nieuws dat hy 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje
zwol er van..
[1] Den volgenden dag
schelde Wouter by den dokter aan.
Tot nu toe hebben we in de
Wouter-geschiedenis vooral gelezen hoe het niet moet in de opvoeding,
het geloof en de menselijke omgang, altijd volgens Multatuli,
natuurlijk. Wouter komt nu in aanraking met een familie die niet
bekrompen, gelovig, of onwetend is, en in deze zin beschaafd en
voorbeeldig, alweer volgens Multatuli.
[2] ...waar
dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken
vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.
Dit is ook Multatuli's opvatting over
de plicht van vaders. Het is hem later vaak kwalijk genomen, ook door
zijn eigen zoon bijvoorbeeld, dat hij daar zèlf heel weinig van terecht
bracht.
Eén reden, en tot zekere hoogte een
excuus, is dat hij feitelijk in Nederland zo weinig opgang maakte en -
dus - zo weinig geld verdiende dat hij dit niet behoorlijk kon, en zeker
niet volgens zijn eigen normen.
Een andere reden, die geen excuus maar
wel een verklaring vormt, is dat M. eigenlijk liever samenwoonde met
zijn minnares Mimi Hamminck-Schepel, met wie hij na de dood van z'n
eerste vrouw trouwde, voor 't fatsoen. Een grond daarvoor was
ongetwijfeld dat Mimi een stuk jonger en aantrekkelijker was, en
kennelijk meer in sex geïnteresseerd was, dan M.'s eerste vrouw.
[3] ...
waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp was van de
les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo'n
grooten ronden bol gezien.
Dit
lijkt nogal een nouveauté te zijn geweest in M.'s eigen tijd, want er
valt uit de VW te leren dat hij een opblaasbare globe cadeau gaf aan
de kinderen van zijn broer.
[4] ...
met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die
den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en
die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en... sommige
vrouwen.
Er is iets als een "je hoort hier
niet!" blik, maar die lijkt me van alle tijden, plaatsen en mensen.
[5] By
kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen ...
En dan vooral omdat kinderen nog niet
geleerd hebben fatsoenlijk, behoorlijk, oppassend en moreel te
huichelen. Zie o.a. 74.
[6] ...
zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet
in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden.
Uit de VW is te leren dat Multatuli
ooit een brief schreef aan de Amsterdamse politie om te protesteren
tegen precies dit volksvermaak.
[7] In
dat: ‘ik ken je niet, dus: vyandig!’ openbaart zich 'n zonderlinge
opvatting van humaniteit.
Of
misschien een heel juist beeld over de gemiddelde medemens? ("Homo
homini lupus").
[8] ...
de sinussen waaraan-i bezig was, of met den
Titus Livius die hem vandaag begunstigde met
'n pensum.
Hieruit kunnen we konkluderen dat
Willem de Latijnse School c.q. het gymnasium bezocht, net als M. totdat
zijn vader hem van school haalde, omdat hij te speels was, z'n lessen
niet leerde, of om een andere reden.
Eén reden voor het zeer vaak voorkomen
van Latijnse en Griekse uitdrukkingen in M.'s proza is dat hij
kennelijk wilde duidelijk maken niet van de straat te zijn. En
inderdaad had het overgrote deel van de toenmalige literatoren ook
school gegaan met Latijn en Grieks, alleen zagen ze minder reden om
dit voortdurend te vertonen.
[9] De
kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van ondeugendheid.
Ze proestte in lachen uit.
Dit komt me tamelijk ongelooflijk voor.
Immers, we spreken van Nederland ca. 1815, waar vrijwel iedereen gelovig
was, en het voor een dokter vrijwel zeker onmogelijk zou zijn emplooi te
vinden als het algemeen bekend zou zijn dat hij een atheïst was, of
althans geen gelovige.
Het lijkt
me behoorlijk waarschijnlijk dat er onder de toenmalige hogere stand,
en zeker onder doktoren, redelijk wat mensen waren die hun geloof
overwegend verloren hadden, maar veel minder waarschijnlijk dat ze
daar openlijk voor uitkwamen.
[10]
Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden
Voor "samojeedsch"
zie 447. En wie het niet opgevallen is
- letterkundige noot!: Samojeden zijn Lappen, en lapsus, als in
"juffrouw Laps", die ongetwijfeld om deze reden zo heet, betekent "fout"
in het Latijn. Extra letterkundige noot: De welopgevoede politiek
correcte Neerlandicus spreekt van Samen, want zo noemt dat volk zichzelf
in hun eigen taal. Buitengewoon letterkundige noot voor Echte Kenners:
't Is eigenlijk Sami, althans in Noorwegen.
[11] Pro salute horum -
geen latyn, riep Sietske - hop maar Jannetje, hop maar... sing,
Sally, ho... wraak!
Ik licht dit uit deze alinea omdat ik
vind dat de kinderen Holsma wel érg taalbegaafd zijn.
[12]
Kolveniersburgwal
In de Garmond-editie die ik gebruik -
de lezer heeft alwéér het zeldzame genot van een puur
letterkundige opmerking van mij! - staat meestal maar niet altijd "Kolveniersburgwal".
Feitelijk juist is "Kloveniersburgwal", want deze bestaat in Amsterdam
maar de andere niet. Ik weet niet of dit een opzettelijke fout van M.
was, of een slordigheid of fout in z'n herinnering.
Wat later komt Wouter te werken in een
verblijf te bereiken via de "Vellenstraat". Ook deze bestaat niet in
Amsterdam, maar er is wel een Huidenstraat. Ik vermoed dus dat beide
fouten echte fouten zijn, en M.'s herinneringen niet exact juist waren.
(En wiens herinneringen wel?)
[13]
Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde
persoon zag, die...
Zie
[1].
[14] De
kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen
middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor.
Dit was feitelijk ook de kring waartoe
Multatuli behoorde, althans zolang hij assistent-resident was in
Nederlandsch-Indië of die status en - vooral - het daarbij horende
inkomen had.
[15]
- Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.
Voor Wouter werd dit een belangrijke
opmerking. Mij komt het triviaal voor, tenzij gelezen in Multatuliaanse
zin, waarover zie 74,
136 en 276:
"moet" als "behoort". Of zoals Multatuli graag mocht zeggen in 't frans:
Agis comme tu penses! Dit is de waarachtigheid die ik noemde
onder idee 1.
[16] Het
was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden
opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook -
mits 'n volwassen persoon! - werd voorgesteld.
Dit komt me nogal ongeloofwaardig voor
waar het iemand als Wouter of van Wouter's leeftijd betreft. Maar het is
wel waar dat ieder kind vele jaren moet doorbrengen in een klimaat en
omgeving die voorzover het kind weet universeel-menselijk zijn, maar
feitelijk heel bekrompen of dom of bevooroordeeld kan zijn.