Idee 1059b.                                                


Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. 't Is maar weer omdat je 'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt. 

Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond... och, 't leek niets naar 'n katechizatie! Hy werd ontvangen met 'n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.

- Zoo, lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!

Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde. [1]

- En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?

- De tekst was...

- Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst 'n paar taartjes. 'n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en 'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je 'n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m'n jongen, en doe gerust of je thuis was...

Nu, dit was eigenlyk 't ware woord niet om Wouter op z'n gemak te zetten. Thuis!

Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om... om... ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z'n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.

Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.

Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig eens zou terugkomen raakte hy den trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem 'n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z'n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z'n vertrek 'n kus had willen geven, en dat-i zich door 'n snelle wending daaraan onttrokken had. Waarom? Dit wist-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem 'n zenuwachtige rilling, zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.

En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z'n spoedige terugkomst?

Onwillekeurig richtte hy z'n schreden naar de aschpoort. Het was z'n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z'n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet 'n duidelyk bewys dat-i by 't verlaten van z'n woning niet aan Femke gedacht had?

En zelfs toen-i op den buitensingel z'n molens in 't gezicht kreeg...

Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?

De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar kuierde. Gewandeld wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlu die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze buiten zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! [2] Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.

Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke's huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die 't erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z'n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.

- O, als ik m'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker...

Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke's moeder hem vroeg: maar, mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?

Wy, schryver en lezer, wy zouden misschien kunnen antwoorden. En 't is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van 't kind dat daar weifelend stond te leunen op 't lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z'n knien knikten, 't hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?

Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke's huisje! Dn immers moest-i wel binnen gaan! Dn zou 't hem vrystaan haar te redden, haar in z'n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver... tot aan 't einde der wereld, of buiten de stad ten-minste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo'n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen... neen, naast haar ryden met 'n valk op z'n vuist!

- Als er maar brand kwam!

Maar er kwam geen brand. Dit zag Wouter ook wel. Die rook... och, 't was zoo'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van 'n bezigheid, die niet van Femke's bezigheid scheen te verschillen. Hoe was 't mogelyk!

En onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even nog huisden ze in de turven die door hr hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! 't Zou juist hebben gepast by z'n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: zie, daar geschiedt 'n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z'n hart.

Hm kwam 't eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dr stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door 't aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om 't erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: Femke, hier ben ik... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kn: hier ben ik!

Want hy had 'n gevoel alsof hy zich over z'n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als 't ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.

Daar naderde 'n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men ververschingen bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in 't voorbygaan Wouter van z'n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.

Nu, dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? 't Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...

Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z'n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!

Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z'n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als 't niet beterde, zou men nooit hm op 'n prent zetten, zoo'n laffen durfniet!

Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke's moeder te zeggen: goeien dag, juffrouw, hoe vaart u!

Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks Floris en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter. [3]

Of ze drvoor gevoelig wezen zou?

En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat 'n wulp was, en 'n echtkoets en kuisheid en zoo al voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds 'n heerlyk vooruitzicht al die mysterien met haar te zullen bespreken.

Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en - waarom zouden we 't ontkennen? - ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. [4] Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in 'n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: groot. Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van 'n kind 'n hooge waardigheid mee.

Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z'n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte hr iets meetedeelen van zyn kennis. En, waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien. [5]

Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i 't waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z'n ziekte naar hem gevraagd... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z'n huis gekomen, en dan was 't zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?

O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hm voor zoo'n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en 't ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.

't Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke's vrindje was. Haar rste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo'n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...

Dien pater Jansen had-i graag 'n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen om pater te worden, Femke's pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag 'n zoen geven, elken keer als ze haar vragen goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar 'n zoen geven als daaraan wat haperde, of ook al wist ze 't eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo'n vriendelyke pater zyn!

Hoe legt men het toch aan, om 't zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat 'n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?

Hy zag duidelyk in, dat-i vr alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park [6] wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, z kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als 't maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in 't binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z'n boekje. Maar... dat hekje? En... Femke's moeder? En... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest hr te vinden, alln haar! Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!

Nu kwam 't hem voor, dat-i liever Femke's moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke's moeder niet!

Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?

En... ls men 't gevraagd had... welnu, hy kon makkelyk antwoorden. Zoo'n reiziger in 'n boek met prentjes is nooit verlegen.

Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op 'n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z'n ziekte: omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had. Hy zou ze koninklyk beloonen...

Want Wouter was koning in al dat veroverde land. Koning, en... Femke koningin! [7] Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!

Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die heerlykheid naar behooren te kleuren! Maar wt er mocht overschieten, zy kwam niet te-kort. Hr sierde hy op in z'n vlammende verbeelding, haar 't eerst, haar 't meest, haar byna alleen. Byna, ja... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder 'n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?

Och dat veroveren van werelddeelen was zoo'n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vrkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekte regula de tri! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van 'n kleiner land. Ook z'n zakgeld moest eenige verandering ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z'n plannen. De Hallemannetjes... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar 'n ander kind, iets nader aan 't groot-zyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z'n vlucht neer. Hoe moest hy 't aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z'n moeder, wanneer hy op z'n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistocht der Pietersens veroorloofde?

Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z'n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.

Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op 'n salomonischen troon waarvan 't model aan z'n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde 't heel wel weten voor 't aangezicht van 't geheele volk dat ze vroeger maar 'n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En 't volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...

Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z'n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten 't wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... hr vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z'n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel 't nmaal gezien hadden, was 't genoeg. Dan zou-d-i alles vergeven, en voor z'n moeder 'n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i 'n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van 't vervelende nieuwematenstelsel. [8] En hy zou z'n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van 's morgens vroeg tot 's avends laat... ja, den geheelen nacht dr! Mocht dit soms de jongetjes vervelen...

Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van 't vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in 'n geheel anderen kring dan waarin hy sedert 'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z'n moeder bedoelde, toen ze hem vroeg hoe z'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over 't verslag van de preek?

Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z'n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z'n bezoek uit 'n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in 't oog vallen, die z'n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boeken Mosis aftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en 'n kop chocola. Voorbereid op 't na-examen dat hem te-huis wachtte, was hy volstrekt niet. Van 't oogenblik af dat-i de aschpoort en z'n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat 't mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.

't Was 'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z'n hakkelen, want wie goed luisterde naar z'n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.

Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog 'n reden die Wouter belette 'n duidelyk verslag te geven van z'n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam 't hem voor dat er iets laakbaars lag in 'n aandoening die hy zeker nog minder by z'n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo'n kind?

Z'n stamelen bracht evenwel 'n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen 'n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z'n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z'n gewoon:

- Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om 't hr naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan 'n ander...

- Z is het, riep de moeder. 't Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo'n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo'n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen... drom doet ze 't!

Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z'n byval.

- Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf 'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op 'n kind dat pas ziek geweest is! 't Is 'n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...

Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z'n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met 'n vermaning om z'n zondagschen broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in 'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo sleetsch was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!

- En dan zoo'n kind 'n heel uur lang op 'n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...

Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z'n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...

Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?

Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...

- Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat's hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... z zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. [9] Ik geloof k wel aan de Genade, en ik houd er k wel van zoo nu-en-dan eens, als m'n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van 't Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd daarover te praten... neen! In 't praten zit 't 'm niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat 'n mensch z'n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwen broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef 'm z'n ouwe!

Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z'n zondags zou gekleed gaan.


[1] Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.

Het zou me niet verbazen als het nooit eerder opgemerkt is, maar juffrouw Laps lijkt me n van de eerste pedofiele vrouwen in de Nederlandse literatuur. Men kan strijden over de term "pedofiele", maar feit is dat de juffrouw aanzienlijke moeite doet om Wouter te verleiden, en dat Wouter nog steeds een jongeling is.


[2] Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek!

Ja, dat vond ik als kind ook, en ik had geheel geen christelijke opvoeding of verplichte kerkgang. Misschien is een voorname reden voor dit zondagse gevoel dat het op zondag veel stiller en rustiger is in de stad, en niet alleen of voornamelijk dat zovelen zich overgeven aan zulke rare preken.


[3] Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks Floris en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.

Dit is toch minstens enigszins teleurstellend, wat Wouter betreft. Immers, het hoeft niet aangenomen dat een jongen het eens zou zijn met alle of de meeste Multatuliaanse kritiek van Bilderdijk die we in de voorgaande reeks van de Ideen voor de kiezen hebben gekregen, maar het mag gevoegelijk aangenomen worden dat iemand als Wouter van iets als Bilderdijk's "Floris" geheel niet gecharmeerd zou zijn, en grondig verveeld, minstens.


[4] Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en - waarom zouden we 't ontkennen? - ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek.

Moeten we hier begrijpen dat de jonge Wouter, immers ook een jongen, droomde van of dacht aan het verkennen van de teeldelen van Femke?


[5] En, waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.

Dit is heel verstandig, en verstandiger dan de meeste mensen kennelijk ooit komen over de meeste zaken: Weten iets niet te weten. Dit is n van de meest stellige, zekere en belangrijke vormen van kennis.


[6] Mungo Park

Een ontdekkingsreiziger.


[7] Want Wouter was koning in al dat veroverde land. Koning, en... Femke koningin!

Multatuli zelf kon, volgens zijn nichtje Sietske Abrahamsz, met wie hij een nogal schandaleuze verhouding had van een paar jaar (zie "Minnebrieven" en de biografien van M. van Hermans of Van der Meulen), in extase raken bij zijn belijdenis dat hij haar tot "Keizerin van Insulinde" wilde maken, en zichzelf tot Keizer.


[8] 't vervelende nieuwematenstelsel.

Ongetwijfeld van Napoleon, dat in ieder geval de grote deugden had boven de voorgaande maatstelsels dat het uniform was voor het hele land en eenvoudig te begrijpen want herleidbaar tot tiende delen.


[9] Want... z zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit.

Ik licht het er maar uit tot stichting van de lezer.

Idee 1059b.