De moraliteit der
‘Verstand- en Hart-litteratuur.
't Spreekt vanzelf dat de
dichtvuurspranken van onzen integren poëet terstond nà 1813 'n heel
anderen weg uitspartelden, en de verdiensten van Oranje omdartelden.
Het leveren van al de stalen der laaghartigheid waarmee hy de opgaande
zon aanbad, zou my te ver leiden. Een paar slechts:
Prins Willem Frederik was
natuurlyk 'n allerverschrikkelykst deugdzame held. Een: ‘VORST voor
wien de harten blaken.’
Hy was bovendien - en
dit had-i vóór op Louis! - het kroost... zoo staat er.
- ‘het kroost van zoo veel
Vorsten,
- Die, des menschdoms lust en
vreugd,
- Kronen voerden, scepters
torschten
- En vereerden door hun...
Rym maar toe, lezer! Ge zult het
kunstje nu wel kennen.
‘Door hun deugd’
alzoo. Precies!
We vernemen dat: ‘Kronen
ontëdeld, ontluisterd en verlaagd kunnen zyn... ja:
- ‘Ja, een Dwingland afgebedeld,
- Of onteerd door die ze draagt...
Maar:
- ‘Aangeboôn door Vrije Volken,
- Zijn zy op het Vorstlijk
hair,
- Liefdepanden, hartentolken
- Van een dankbre
Burgerschaar.’
‘ORANJE’ zou dus verkeerd doen: ‘heur
gewijde banden niet aantenemen.’ Ze voegen by z'n: ‘lauwerbladen.’
Bovendien:
- ‘Gaan zijn ouderlijke rechten...
Dat's wat ànders dan met Lodewyk,
die toch wel beschouwd niet van 'n behoorlyken ‘Stam’ was, niet
waar?
- ‘Gaan zijn ouderlijke rechten
- Met de wenschen niet
vereend,
- Die zijn heldenkruin omvlechten
- Met het Vorstlijk
praalgesteent'?’
‘Wenschen die 'n heldenkruin met
gesteent' omvlechten.’ De lezer gelieve by voortduring acht te geven
op de overeenstemming van karakter en uitdrukkingswyze.
Wie zóó voelt, moet zóó spreken! [1]
Die ORANJE is: ‘Hollands
redder.’ En:
- ‘Volken die hun juk verbreken
- Keeren tot hun oorsprong weêr.’
Ik begryp dit niet recht, maar op 'n
weinig min of meer onbegrypelykheid komt het in zulke voddery niet
aan. De nieuwe Baäl is: ‘gehuld in de rijkskroon.’ 't Staat er.
Maar de: ‘robynen’ die daarin: ‘flikkeren’ zullen de: ‘deugd
niet te boven schynen, die den heldenborst vervult.’
- ‘Nimmer zal hun luister halen
- By de vlam van 't dankbre
hart
- 't Geen u 't Nakroost zal...
Rym, Machteld! rym!
- ... zal
betalen
- Dat door U behouden werd.’
ORANJE heeft het nakroost behouden,
en dit zal daarvoor een hart betalen. 't Staat er.
- Ja, die vlam zal eeuwig duren,
- Wáár Bataafsche boezems
slaan;
- Heiliger dan Vestaas vuren
- Tot den Naneef overgaan.
- Ja, bewaakt haar, Hollands
telgen!
- Had zy eenmaal uitgebrand,
- De aard zou gapend u verzwelgen,
- En 't ware uit met
Nederland! [2]
Dit klopt niet precies met de
afspraak tusschen Floris en God, toen ze met hun beidjes in de
gevangenis besloten: ‘zegen te regenen’ onder de auspices van
Lodewyk, wiens naam zou gevoerd worden tot 's: ‘warelds eind’
en die den Hollandschen troon had ingehuurd:
- ‘tot 's aardrijks laatsten
stond.’
Uit 'n theologisch oogpunt is het
volgende nogal belangryk. In zeker vers van 1821 ‘aan den
Prinse van Oranje’ - onzen
Willem II, later - zegt Bilderdyk,
o.a. dat de: ‘Almacht’ door 't restaureeren van de familie: ‘zijn
zegenbeê verhoord heeft.’ Toch niet die van 1808 uit den Floris,
niet waar? Het is voor zoo'n ‘Almacht’ niet gemakkelyk telkens te
beslissen aan welke ‘zegenbeé’ ze zich te houden heeft, als de
zegenbidders zoo van front veranderen.
Ik kan niet àl de
zonderlingheden aanhalen die 't stuk doorwemelen, maar vind het slot
de moeite van 't citeeren waard, om zekere verwarring tusschen de
persoonlykheid van Jezus en die van den prillen Prins, welke ik ter
oplossing aanbeveel in de aandacht van alle rechtzinnige dominees.
Ziehier:
- ‘De zon van heil herschijnt in
't zaligst tydsgewricht!
- 't Zwicht alles voor den throon
die 's warelds Heiland sticht!’
Slaat dit op 't oude Koninkryk der
Hemelen of 't nieuwe Koninkryk der Nederlanden? Uit de regels die er
onmiddelyk volgen, zou men moeten besluiten tot het laatste. Er staat:
- ‘En gy, getrouw aan 't
bloed der Vaderen,
- Gy met hun heldengeest
in de aderen,
- Verwinnaar van uzelv' en 't heir
der Godsverraderen,
- Zult heerschen in Zijn naam zoo
verr' de morgen licht.’
Prins Willem schynt hier tot 'n
soort van zaakwaarnemer benoemd te worden. Maar 't vervolg en slot
brengt ons weer in den war. Daar wordt uitdrukkelyk gezegd dat Jezus
zelf gekomen is.
- ‘Gy, Aarde hoort, ja
hoort my spellen!
- 't Beslissend oogenblik
breekt in verwoesting uit!
- Der Eeuwen zwangre schoot, in
barensnood aan 't zwellen,
- Der Eeuwen schoot
ontsluit!
- De Vorst der Vrede
daalt. Buigt neder,
- Gy, Volken, Vorsten buigt
en legt uw scepter af!
- 't Is JEZUS, dien gy wacht, gy
hebt uw Heiland weder,
- O, Aarde, ô Menschdom;
ja, knielt neder.
- HEM is de roem, de kracht,
met aarde- en hemelstaf.’
Hèm? Wien? Den Zoon van God of van
Willem I?
Om de navorschers
dezer theologisch-politische verborgenheid eenigszins te-hulp te
komen, diene de opmerking dat volgens 'n ander stuk van onzen
‘dichter’ de: ‘Oppermacht van het Doorluchtig
en Koninklijk Stamhuis van Oranje een
Leen is van Gods gezalfden Zoon.’
[3] Het zou mogelyk kunnen wezen dat deze heraldische byzonderheid de zaak
ophelderde, vooral daar er uitdrukkelyk wordt verklaard dat de vorsten
uit genoemd huis niet moeten: ‘hooren naar Godverlateren’
en verkeerd zouden doen hun: ‘leen, Hem ten hoon, te verheffen van
Zijn hateren.’
De lezer heeft
gelieven optemerken dat ook in deze stukken, Taal en
Uitdrukkingswyze niets te benyden hebben aan den keurigen Floris,
en dat ook hier deze kenmerken van karakter wel degelyk overeenstemmen
met den inhoud.
Doch genoeg van al
dien zinneloozen praat! Wie lust heeft in nog meer misselykheid, kan
zich van de karakterloosheid onzer verzenmakers overtuigen, door 't
inzien van byna àl de rymelary die na de restauratie de pers
bevuilde, en den waarheidszin der Natie verwrong. [4] Ook de fabrikanten
van niet rymend proza deden dapper mee, gelyk we by 't behandelen der
heldendaden van Scheltema's prillen prins in bundel III [5] gezien hebben.
Welnu, deze
soort van onwaarheden was de ergste niet! De algemeene strekking der
bedoelde leugen-litteratuur openbaarde zich - en openbaart zich nog
heden-ten-dage! - op veel uitgebreider terrein.
Oppervlakkig zou men
kunnen meenen dat het er weinig toe doet, of 'n Volk by 't keeren van
den politieken wind geloovig meedraait, en telkens 't afgodje van
gister voor dat van vandaag verwisselt. 't Staat ieder immers vry,
zullen sommigen denken, den waan van verleden week bespottelyk te
vinden...
Alsof daarmee de scha
geboet ware!
Wat baat het of men
telkens op-nieuw inziet dat men òf zichzelf bedroog òf zich bedriegen
liet door anderen, wanneer daaruit geen leering wordt geput voor het
tegenwoordige, voor de toekomst? Meent men dat er geen gevaar ligt in
't gewoon raken aan leugen?
Ik geloof dat de
voorbeelden die ik leverde van 't infaam spekuleeren op de dwalingen
van den dag...
Juist het
onverzettelyk te-keer gaan van die dwalingen is de taak des
Dichters. [6] Juist dáárom behoort hy te doorgronden wat anderen niet
helder is, te kunnen wat de kracht van anderen te boven gaat, te
durven wat door anderen wordt nagelaten uit lafhartigheid. Juist
dáárom heeft hy behoefte aan Gevoel,
Verbeelding en vooral aan
Moed! [7]
...ik meen dat de
bewyzen die ik leverde van 't zeer òndichterlyk meeheulen met de
afgodery du jour, treffend zyn. En ik zou my de moeite niet
getroost hebben, noch om dit aantetoonen, noch om den lezer in-staat
te stellen door 't achtslaan op taal en uitdrukkingswyze,
in 't vervolg zulke opmerkingen te maken zònder hulp, indien niet m'n
beschouwingen daaromtrent nog altyd van volle toepassing waren op den
dag van heden. By-wyze van spreken neem ik geen boek op, geen
tydschrift, geen dagblad vooral, zonder dat het gemoed me gloeit van
verontwaardiging over 't bedrog dat de Natie zich laat welgevallen.
[8] Men klaagt - en te-recht, waarachtig, maar niet luid genoeg! - over de
vervalsching van levensmiddelen... eilieve, lezers, Nederlanders,
Menschen, scheelt het u niet hoe de geest gevoed wordt?
[9]
Er zou veel gewonnen
zyn - men versmade 't middel niet om de eenvoudigheid! - indien de
lezer de gewoonte aannam by elke zinsnee zich de vraag voorteleggen:
wat zegt hier de schryver? Enkele bladzyden, zóó gelezen,
kunnen meer nut stichten dan 't verslinden van gansche boekdeelen,
zonder kritiek. [10]
[1]
‘Wenschen die 'n heldenkruin met
gesteent' omvlechten.’ De lezer gelieve by voortduring acht te geven
op de overeenstemming van karakter en uitdrukkingswyze.
Wie zóó voelt, moet zóó spreken!
't Is bombastische kul, maar bedoelde
M. niet veel meer: Wie zó spreekt moet zó gaan voelen?
[2]
De aard zou gapend u verzwelgen,
En 't ware uit met
Nederland!
Alleen omdat het me opviel: Ligt het
niet meer veel meer in de lijn der waarschijnlijke verwachting dat als
"Nederland"
verzwolgen gaat worden dit door de zee zal gebeuren? Maar ja,
't is tekst van Bilderdijk, inderdaad.
[3]
dat volgens 'n ander
stuk van onzen ‘dichter’ de: ‘Oppermacht van het Doorluchtig
en Koninklijk Stamhuis van Oranje een
Leen is van Gods gezalfden Zoon.’
Dit klinkt zeer Middeleeuws. Afgezien
daarvan: Willem I van Oranje was feitelijk een usurpator, die de sinds
de 16e eeuw bestaande Nederlandse Republiek met stadhouders van het
huis van Oranje afschafte en verving door een koninkrijk.
[4]
Wie lust heeft in nog
meer misselykheid, kan zich van de karakterloosheid onzer verzenmakers
overtuigen, door 't inzien van byna àl de rymelary die na de restauratie de pers
bevuilde, en den waarheidszin der Natie verwrong.
Het lijkt de 20ste eeuw wel, na de
Duitse bezetting: Plotseling had iedereen in Het Verzet gezeten,
achteraf; plotseling had niemand ooit gecollaboreerd; en plotseling
was de moord op meer dan 1 op de 100 Nederlanders (ca. 116.000
vermoorde Nederlanse joden, op een bevolking van minder dan 10
miljoen) alléén het werk van Duitsers. Dat laatste is trouwens nog
steeds typisch Neerlands gedachtengoed en Neerlandse heldenmoed in
Karremans' land.
[5]
't behandelen der
heldendaden van Scheltema's prillen prins in bundel III
Dit begint in
752.
[6]
Juist het
onverzettelyk te-keer gaan van die dwalingen is de taak des
Dichters.
Maar waarom? Ik bedoel: "des
Dichters". Is het niet
veeleer de taak van dichters om te dichten? Het is echter waar dat er
nogal verschillend geoordeeld is in de geschiedenis over wat dichters
zijn en behoren te doen. Volgens Plato waren het allemaal leugenaars,
die geweerd of verboden zouden worden in Plato's ideale staat; volgens
Shelley (jongere tijdgenoot van Bilderdijk) gold "Poets are the
unacknowledged legislators of mankind"; en zo zijn er nog heel wat
meer verschillende meningen over de taak en positie van dichters.
[7]
Gevoel,
Verbeelding en vooral aan
Moed!
Dit -
Gevoel,
Verbeelding,
Moed - was een lijst van
dichterlijke kenmerken van Da Costa, een volgeling en bewonderaar van
Bilderdijk. Het zijn wenselijke hoewel niet erg gebruikelijke
kenmerken (in hoge mate) voor een mens, maar niet per se specifiek
voor een dichter, lijkt me. Die moet vooral, qua dichter, talent voor
taal hebben.
[8]
By-wyze van spreken neem
ik geen boek op, geen tydschrift, geen dagblad vooral, zonder dat het
gemoed me gloeit van verontwaardiging over 't bedrog dat de Natie zich
laat welgevallen.
Ja, ik ken dat uit eigen ervaring,
maar ik weet dat het een zeldzame ervaring is. Was het anders dan was
het gepubliceerd Nederlands proza anders.
[9]
... eilieve, lezers,
Nederlanders,
Menschen, scheelt het u niet hoe de geest gevoed wordt?
Evident niet bijzonder. De meeste
mensen kunnen niet erg goed nadenken. En daar ligt de wortel van het
probleem, en niet in het daarvan afgeleide feit dat mensen gewoonlijk
noch goed lezen noch goed schrijven.
[10]
Er zou veel gewonnen
zyn - men versmade 't middel niet om de eenvoudigheid! - indien de
lezer de gewoonte aannam by elke zinsnee zich de vraag voorteleggen:
wat zegt hier de schryver? Enkele bladzyden, zóó gelezen,
kunnen meer nut stichten dan 't verslinden van gansche boekdeelen,
zonder kritiek.
Inderdaad. Maar zie [8] en
[9].