Zelfde tekst: Bilderdyks taal.
Floris
zegt dat hy niet onverschillig is voor: Machtelds Noodlot, in den
prang van dees uw' huwlyksband. Het staat er.
Hy
beweert Velzens: minnenijd te zien, hoezeer gy 't wilt verzaken.
Denk aan 't rym, Machteld! Blaken. Zeer wel.
Zy is,
volgens hem, 'n ware kurioziteit. - Een parel namelyk in
een krans, die in de laagste hut een Rijkskroon blind zou schitteren.
Het staat er. [1]
Floris
heeft Velzen: opgehoopt met eer, met weldaโn, met genoegen.
't Staat er.
De
tirade waarin dit voorkomt, eindigt met het zonderling voorstel, om
hem - Floris - een middel integeven en wel omdat Velzens: kwaal
toeneemt. Het staat er.
Machteld spreekt van haar deugd... chut! Maar toch
beklaagt ze zich by Floris niet: van 't hart van myn Gemaal
waarschynlyk omdat Hollanders - met uitzondering altyd van de zeer
speciale taalmonarchen - niet gewoon zyn zich van iets te beklagen.
Van
taalheerschappy gesproken, ziehier hoe imperatorig onze Floris zich
aanstelt:
- 'k Verban eene
achterdocht die u en Velzen hoont;
- En die 't u licht
zal zijn dat ge ongegrond betoont.
Z๓๓ staat het er.
Machteld jammert: de zorg dreef my naar herwaart aan. En,
zegt ze: Velzen zal mijne onschuld weten. 't Staat er.
Velzen
beweert...
Geheel
te-onrechte, lezer, want Floris was 'n byzonder kuische Graaf. De
grootste dichter dien Nederland ooit bezat, heeft over z'n kuisheid 'n
heel treurspel geschreven.
Geheel
ten-onrechte dan, is die Velzen van meening dat er: door den
boezem van Floris een: vlam dartelt. En wel 'n vlam
die... die...
Maak u
gereed, lezer, tot het aanschouwen van 'n rare vlam!
- Die uit zijn
wulpsch gelaat, in zichtbre vonken...
Denk aan 't rym,
Machteld!
- in zichtbre
vonken... spartelt.
Het staat er zoo.
By 'n
verdrietige gelegenheid belooft Machteld dat ze zich, onder zekere
voorwaarden, met niets meer zal bemoeien. Dit heet in dichterlyke taal
- de stumpert moet rymen op: ้้ne - dan zwijge ik, en
versteene. 't Staat er.
Maar,
meent ze, Velzens leven is in gevaar. Ze wil hem, haar echtgenoot...
neen, ja toch... nu 't doet er niet toe, ze wil Velzen behoorlyk
schuwen, en roept alzoo: wacht, wacht uw leven! 't Staat er.
Neen,
beweert Velzen, 't is u niet te doen om my myn leven te doen wachten,
uw toeleg was tot den graaf te gaan: om 't wulpsche vuur te
boeten. 't Staat er.
Arme
Wouter!
Men dreigt het hoofd van Floris. Maar Machteld, waarschynlyk
omdat ze deze uitdrukking niet zeer nauwkeurig vindt, wil hem: 't
licht ho๊n. 't Staat er. *)
Om
zich te verantwoorden over zeker briefje, verzekert zy dat ze 't
ontvangen heeft van: Myn Maagd. En, zegt ze:
- Ik achtte 't U
bestemd, wanneer ik d'inhoud zag.
Velzen is: 't
getroost. Het staat er.
Om
Velzen eens ter deeg op z'n plaats te zetten, noemt ze hem by zekere
gelegenheid in 'n paroxysme van akeligheid - er moest gerymd op:
voedde - verwoedde! En... by-uitzondering had ze ongelyk,
want juist deze keer scheldt-i haar veel zachtzinniger uit dan
gewoonlyk. 't Is waar dat z'n rym hem dit genadig veroorloofde of
zelfs voorschreef. Machteld was ditmaal 'n: onnoozel wicht
omdat ze hem gebracht had: een hoofdeloos bericht.Maar hy
beweert dat ze haar minnaar was toegevlogen en ook dat er
iets onbehoorlyks geschiedde: wanneer ik binnentrad Het staat
er.
Machteld laat hemzelf beoordeelen: uit wat bron die aandracht zij
geschept. Ze kan maar niet begrypen hoe: Velzens aadlijk
bloed met vuige Vorstenbeulen tot muichelmoord en - klimax! -
eedverbreking kan heulen. Ook ik begryp niet hoe men met iemand
tot iets heulen kan. Maar... 't staat er.
Ze
gelast nu haar: verdwaasde hersens te: beven. Haar
ziel was, o.a. niet gevormd voor: misvertrouwen. Er faalt
weinig aan of ze bezwalkt haar grijzen Vader als Staatsverrader.
In-weerwil van dit
alles beroemt zy zich...
En ze
heeft volkomen gelyk, lezer, al kunt gy, nog altyd m'n ้้nen
knoop niet kennende, haar de daarvoor verschuldigde zeer byzondere
eer niet geven. Wacht maar!
Machteld roemt er op dat ze niet: door Velzens bed... met
zijn geest van achterdocht is besmet. De allerzuiverste waarheid!
Geen Vorst of Volk weet nog ten-halve hoe treurspellig-onbesmet die
Bilderdyks Machteld is.
Raad
er niet naar, lezer. Spaar u de onnoodige vermoeienis. Ze was... o,
die ้้ne knoop! Ik bezwyk onder m'n knoop. En 't is nog niet eens de
ware, de groote, de eigenlyke!
Neen,
Machteld, ge waart niet besmet door Velzens bed! Jammer dat ge
hier, geperst door 't tiranniek rym, dat meubel by den waren naam
moest noemen. Hoe burgerlyk! Het ding heet eigenlyk koets,
weetje, of... diligence, of omnibus, of kar, fourgon, cal่che... kies
maar uit, als 't maar iets uit 'n stal is, hoe ge 't dan ook blieft te
noemen, doch besmet door dat rytuig zyt ge niet, o Machteld van Mr.
Willem Bilderdyk! De onbesmetheid van uw...
bedtyd is - op ้้n na! - de schoonste schoonheid van z'n stuk... op 't
rym na! Mensch, houdje daaraan! En ga voort:
Het
Hof van Floris verstrekt geen val voor vrouwen van mijn staat.
By herdruk stel ik voor, hier in-plaats van val een knip te
verstrekken. 't Heeft beter houding voor: Vrouwen van mijn staat
zich by vogeltjes dan by muizen te vergelyken. Tevens zou hier dan
kunnen worden opgegeven welk soort van vrouwen - naar de
zedelykheidsbegrippen des godvruchtigen auteurs - w่l mochten geknipt
worden in 't Hof van zoo'n byzonder eedlen Graaf?
't Is:
op mijn eeuwigdierbre Nicht dat Amstel: de hoop mijns
levens - 't rymwoord, Machteld! - sticht. Het staat er.
Het
meer bekende: wacht in 't geweer! en: sauve qui peut, luidt in
den mond eener dichterlyk gekonditioneerde Edelvrouw: mijn
Maagden! dat ik vlied'!
Iets
beschermen, verdedigen, heet: veiligen.
Amstel
beweert dat zyn dood: baten noch herstellen zou voor 't hem
gepleegd verraad.
Wat
beteekent - let wel: na 'n punt - Ontdekken daar hy rijst?
Deze alleraardigste uitdrukking is de dichterlyke overzetting van: zou
't ook misschien goed zyn, hem straks by z'n ontwaken de zaak
meetedeelen? Dit had de lezer zeker niet kunnen raden. Men moet dan
ook om den auteur in z'n taalvlucht te volgen, zoo knap zyn als ik, of
als 'n lid van het treurspelpersoneel. Amstel, byv. valt zichzelf
volstrekt niet in de rede, om te vragen: wat zou ik daar eigenlyk
hebben willen zeggen?
In-plaats hiervan, overweegt de deugd- en godvereerende gauwdief, of
't in dit geval zou te-pas komen Floris te: smeeken dat hy
lafhartig worde, om my, om laffen moordenares te wettigen? 't
Staat er.
Floris: wist vorstelijk 't edel hart liefde te ontrukken. Een
beetje vertaling is hier alweer niet overbodig. De bedoeling van den
hoogzedekundigen schelm - 't is weer Amstel die spreekt - schynt te
zyn, dat Floris, vorstelyk deugdzaam als immer, in zyn hart de
liefde voor Machteld onderdrukt had.
Doch
hoe men de zaak wende of keere: daar is geen uitkomst aan. En
zelfs: geen beraโn. Het - dortsche? - Lot heeft
Floris' val: bestemd en bezegeld. Dat dan ook dit Lot
hem: der band ontslaak en:
- zoo 't mooglijk
is...
Heel lief van den
innig godsdienstigen verrader, het Lot zooveel speling te
gunnen:
- Zoo 't mooglijk
is, herstelle, en voor zijn welzijn waak.
Dit moet, volgens
Amstel, het Lot doen. Hyzelf echter moet 'n rymwoord gereed
maken voor nader. Wanneer 't Lot zoo krek z'n plicht doet
als hy, is Floris subiet gered. Want: dat ik mijn kracht
vergader'! zegt-i zonder bedenken.
Kuik
is 'n allerbraafste ridder. Hy heeft o.a. geen eedgespan
onderschreven. Dit getuigt voor z'n taalkennis. Wel komt-i: als
vyand hier, maar waardig aan z'n stam. 't Is aan Amstel bekend,
zegt hy, dat men op hem wachtte: eer de aanslag werken mocht.
By de
sc่ne van den Geerteminnebeker - historisch hoekkanteeltandje
van grootmama! - toont de kuische Floris dat-i ook huishoudelyk,
zindelyk en ordentelyk is. Geef acht om niet te plengen
zegt-i. Het staat er.
Het: paleis
waagt van 't schandaal. Toch moet Machteld: dit vreezen
staken en, volgens Kuik, behoort Floris: die fierheid vrij te
verbannen. Hiertoe was te-meer reden, omdat-i: in zijn Hof
verradersch wordt aangerand. 't Staat er.
Maar
Floris - die z'n degen heeft weggeworpen - is 'n modelheld. Meent
ge, zegt-i, dat ik 't licht van een verraโr zou bedelen?
Dit doet hy niet. Misschien wel uit vrees dat de verraโr meenen zou
dat-i om 'n bougie vroeg. By deze
gelegenheid: vervalt de Staf.
Het
woord: dartel wedyvert met: wulpschheid in kluchtige
frekwentie.
Floris
is 'n: dartle Koningszoon. Hy is schuldig aan: dartle
drift.
- Maar, 't waakt
verschriklijk op uit zulk een dartlen droom.
Met de vlammen die
door den boezem dartlen en daarna - haar leven beterend zeker
- uit het gezicht spartelen hebben we reeds vereerende kennis
gemaakt. Het spreekt vanzelf, dat al deze beschuldigingen van
verregaande dartelheid in den mond der verraโrs gelegd worden, en dat
ze ongelyk hebben. Wel bezien is onze treurspel-Floris nogal houterig,
en 't komt me voor dat 's mans dartelheid wel de laatste reden zou
opleveren om hem doodteslaan. Maar z'n verraโrs zyn met dit motief
volkomen tevreden.
De
nogal bruikbare imperatief: zwygt! luidt in 'n behoorlyk treurspel: men
legg' de tong van wederzijde in toom. Toom, zoom, droom... 't
rymt!
Over
't geheel wordt er 'n ruim gebruik gemaakt van verheven optatieven. De
ridders schynen jaloers op de taalkennis van 't gepeupel, en zelfs
militaire orders vinden wy in dezen zeer praktischen vorm gegoten. Een
verbetering die ik aanbeveel in de attentie van de Specialiteiten die
zich bezig houden met defensie-wanhoopsverhandelingen. Men hou den
wal bezet! kommandeert generaal Woerden. De wachter op den
Dom geef seinen...
Van
wat? vraagt de domme lezer die geen dichter is.
Leer
dit van Bilderdyk, 'n fatsoenlyk
treurspeldomwachter geeft geen seinen van iets. Hy: geef seinen
wat er nadert! Zoo staat er, en zoo is het.
Dit
stemde en nam ik aan zegt Kuik. Het staat er.
Ziehier weer 'n paar staaltjes van onze Machteld, waaruit men leeren
kan hoe de kuisheid zich soms behelpt met niet zeer gekuischt
hollandsch.
De: Hemel
weet dat zy zich nooit 'n: zucht veroreloofde, die voedsel was
van...
By de
hedendaagsche vervalsching van levensmiddelen, en duurte van
brandstof, is 't niet onbelangryk eens optemerken wat men in de
middeleeuwen voor voedsel gebruikte, en van wat?
Een: zucht
dan, die: voedsel was van 't vuur...
Hier
volgt 'n allerzonderlingste eigenschap van vuur. Waarschynlyk
'n gevolg van de rare voeding:
- vuur, hetgeen
mijn plicht verdoofde.
In heb dezen keer
geen lust dat hetgeen te benoemen tot vierden naamval. Er
komt 'n eind aan alles, en de rol van Newfoundlander begint me te
vermoeien. Als laatste poging dan: de dichter bedoelt dat Machtelds
plicht haar vuur verdoofde, en niet omgekeerd.
Hierop
maakt ze haar sterfplan voor de vyfde Akte gereed, en roept er God by:
Gy, Hemel, stem het, gy!
Floris: geboren tot den Staf houdt 'n zeer belangryke
politiek-theokratische redevoering. Maar we zyn aan taal. Hy
verhaalt aan God, dat 'n: Wees, die 't gezag aanvaardt na 't
uitgaan der Voogdij een: vreesselijken stand heeft. Hy
spreekt van: 's lands ontzagbre toomen en van de: slapheid
van de vuist die... een ijdlen naam bewaart voor 't rijpend Vorstlijk
kind. God zal wel begrepen hebben wat Floris eigenlyk bedoelde.
En zelfs ik zie nagenoeg kans uitteleggen wat de dichter hier,
tot onderwys en vermaak van Vorsten en Volken, aan God herinnert.
Maar... ik blyf 't ongepast vinden, iets te doen bewaren door de
slapheid van een vuist en 'n Voogdij te laten uitgaan
als 'n kaarsje.
Prachtig, majestueus en... goddelyk, zyn in dat monologisch
kollokwium, de beide volgende regels. Ziehier wat het rypend Vorstlyk
kind uitvoert:
- Het grijpt de
teugels, ja; maar machtloos om de rossen
- Te dwingen die in
't wild met kar en voerman hossen.
Tirons l'้chelle,
meent ge, na zoo'n dichterlykheid?
Neen!
Ik moet m'n taak afwerken, ten einde toe. Ik ben zoo omstreeks aan
nummer vierhonderd en twintig. Er staan nog maar 'n paar dozyn
profeetjes te wachten. Geslacht worden z๙llen ze...
't Is
m'n PLICHT! [2]
*) Noot van 1877. Uit vrees dat onkundigen
dit fraaie ho๊n voor 'n kip zouden aanzien, hier de opmerking
dat onze kromprater hier hoeden bedoelt. Deze toelichting is
minder overbodig dan sommigen wel meenen. Men bedenke dat we te doen
hebben met 'n publiek dat genoegen neemt met letterprofessers die
van zoogende kippen spreken. Zie daarover Loffelts
Jupiter Van Vloten en zijn kritiek,
blz. 24