Idee 1055.                                                


Vervolg van des auteurs staatkundige beschouwingen over de ware echte onvervalschte oorzaken der troonsbeklimming van Koning
Louis van Holland, benevens eenige opmerkingen over de even ware echte onvervalschte taal, zooals die door de niet minder ware echte onvervalschte dichters in dat Koninkryk gesproken wordt. Alles met bloedige doch niet onvermakelyke voorbeelden opgehelderd.

Het is den lezer niet zeer kwalyk te nemen, als hy meent dat ik hem in 't vorige Hoofdstuk te-kort deed. Sommigen zullen beweren dat ik nog niet volkomen duidelyk heb gemaakt, waarom Lodewyk Napoleon Koning van Holland werd. Ik vergeef die kortzichtigheid, indien men slechts gelieft in 't oog te houden dat ik gewoon ben redelyk wel te weten wat ik zeg. Ook dit Hoofdstuk zou 'n voorwendsel kunnen leveren tot vittery, maar... ik zal me verantwoorden.

We zyn aan Bilderdyk.

Het is te verwachten dat velen zich zullen verwonderen over 't hoogst ongunstig oordeel dat ik uitsprak over een man die by velen zoo byzonder hoog wordt gesteld als Voorganger des Volks. [1] En meer nog. Juist deze verwondering zal sommigen beletten myn oordeel te billyken. ‘On ne veut pas être étonné’ zei Jozef le Maistre, 'n denker! [2]

‘Het zou dan toch wel zonderling wezen, dat iemand wien duizenden zoo vurig vereerden als taalkenner, schryver, dichter, wysgeer en... mensch, zoo'n onwaardig sujet wezen zou!’ [3]

Zoo, dunkt me, hoor ik spreken. En ik heb iets daarby te voegen dat de gegrondheid van deze opmerking versterkt.

Want... gegrond is ze!

‘Duizenden’ meent ge? Men mag zeggen dat Bilderdyk door millioenen geëerd werd en wordt. Z'n ‘bloei’ als publiek persoon is ouder dan de eeuw. Als student reeds werd hy tot feniks uitgeroepen, en de vereering van z'n naam is van geslacht aan geslacht als 'n schildwachts-konsigne overgegeven. Hy had - en heeft! - vrienden, bewonderaars, leerlingen, adepten, zeloten. Men dweepte - en dweept! - met hem. [4]

De stelling dat die man zoo weinig beteekende, is dus wel inderdaad zonderling! [5]

't Moet 'n groote gemeente geweest zyn die vierhonderdvyftig priesters in 't leven houden kon, met... den aankleve van dien, waaronder 't Hof van Achab! De ongunstige opinie van Elia over 't voorwerp hunner vereering, behoorde dus óók tot de klasse der zeer zonderlinge theses. En de millioenen die onzen Bilderdyk bebrandofferden...

Met eigengemaakt vuur altyd. Van-boven kwam 't waarachtig niet!

...zy behoorden tot de besten, tot de meest verlichten van de Natie! Ze vormden het ‘Hof’ van den Nederlandschen geest.

Dit maakt m'n stelling nog zonderlinger. Ik zie in, dat er 'n groote overwinning moet behaald worden op de bekende traagheid qui ne veut pas être étonnée. Ik zal niet alleen de juistheid myner meening moeten staven, 't zal noodig zyn aantetoonen: waarom men drie, vier, geslachten lang daarover anders gedacht heeft.

Dit laatste 't eerst. De bewysvoering is kort. Bilderdyk schermde met ‘God.’ In de Schrift staat: ‘wie den Heer vreest, zullen alle dingen meewerken ten-goede.’ Dit is volkomen juist. ‘Met God’ kan men 'n Volk krankzinnig maken. Dit ziet men nog dagelyks. [6] Ook wordt het gestaafd door de vierhonderd-één-en-vyftig getuigen uit I Kon. 18. De inschikkelyke lezer zal me vergunnen ditmaal Elias-zelf meetetellen.

‘Met God’ dus, en wat daarby behoort. Want er is nòg 'n artikel dat ik voorloopig oversla, omdat het eenige toelichting vereischt, die me nu te veel plaats nemen zou. Bovendien, de hier door my bedoelde byhang is minder uitsluitend bilderdykiaansch. *) We zullen de zaak ophelderen by 't behandelen van andere schryvers die aan Wouter - en de Natie! - werden ingegeven ‘tot veredeling van verstand en hart.’ Om reeds nu eenigen afbreuk te doen aan m'n vyandin Verwondering, verzoek ik den lezer zich voortebereiden op 't vernemen van vreemde dingen. Ze zyn in zeer letterlyken zin: ongehoord, en gaan dus in zonderlingheid m'n afkeuring van 't dykenstelsel te-boven. Deze namelyk is meer geuit, en wel door onzen vriend Bilderdyk zelf, maar... ‘met God.’ Men mocht ‘den Heer’ geen perken stellen, vond hy. Watersnood en pokken behoorden tot de onschendbare hemelsche liefhebberyen, tot de privatieve menus-plaisirs des ‘vrymachtbren Scheppers.’

Durft iemand beweren dat ik 'n onnut werk verricht, door 't afbreken van de ‘School’ waarin zulke zotteklap werd - en wordt! - geleeraard?

A la rescousse, slachter Elias!

Ik zal Bilderdyk aanvallen in z'n karakter. Naar myn opvatting van dit woord deed ik 't reeds, omdat schryven my 'n gemoedszaak is. (399, 400!) Doch wetende dat dit door 'n overgroot gedeelte van m'n lezers nog altyd niet begrepen wordt, moet ik de laagheid van z'n ziel betoogen op andere wyze. Volgens sommigen immers zou dit 'n zaak van opinie kunnen wezen, en aanleiding geven tot debat. Gelyke opmerking geldt het dichterschap. Vóór ik alzoo de zaak overbreng op zulke terreinen, wil ik een-en-ander behandelen dat niet onderworpen wezen kan aan verschil van meening.

Ik vraag of Bilderdyk zich al dan niet voor 'n kenner van de Hollandsche taal uitgaf? Of hy als zoodanig al of niet vereerd wordt?

Hier volgen 'n paar dozyn staaltjes van z'n taalkennis in allerlaagsten zin. Van filologie, van wysgeerige taalstudie, van styl spreek ik nu niet. Ik kies voorbeelden welker beoordeeling reeds byna onder 't bereik viel... van den kleinen Wouter.

't Kind heeft het volgend lystje gemaakt uit den éénen Floris de Vyfde! Och, hy deed het zonder erg, en om zich te oefenen. Meester Pennewip, z'n moeder en Stoffel hadden immers gezegd dat er zooveel te leeren viel uit dat boekje?

De tusschengevoegde opmerkingen zyn... niet van Wouter.

Twee personen worden: ‘met 'n overmoed, tot dusverre ongehoord, na 't hopeloost gevecht... aan 's Bisschops paard gekneveld’ ergens: ‘binnengevoerd.’ Door wie? Door wien? Door: ‘een keten.’ 't Staat er!

Wat men zou kunnen noemen: meer zachtmoedige regeeringswyze, heet by den dichter: ‘leniger gebied.’ 't Staat er.

Hun’ wieken zyn: ‘gefnuikt.’ Die gefnuikte wieken van ‘hun’ zyn de wieken: ‘des Adels.’ 't Staat er.

Moordrenrot, beulenrot, muitrenrot... ik doe deze smaakvolle dingen in één greep af. Ieder verzenmaker begrypt dat er om-den-wille van lot, spot, mot, tot, kot, God, zot, enz. 'n groote konsumtie is van al die dichterlyke rotten.

De uitdrukking: ‘dit of dat mag men den souverein niet wyten’ heet in 't zuivere bilderdyks: ‘men zoeke 't aan geen Vorst.’ Het staat er.

't Woord: ‘stam’ in den zin van ‘geslacht’ vereerde ik reeds in de parodie met m'n aandacht. 't Is me daar niet gelukt die uitdrukking zotter te-pas te brengen dan de ‘dichter’ zich veroorlooft, in de meening zeker dat-i niet parodiëerde.

Ook 't woord: ‘veet’ - rymwoord: leed, heet, weet, enz. - is zeer gewild. Amstel heeft met Zuylen 'n: ‘overoude veet’ elders 'n: ‘oude Maagschaps veet.

Staf’ ‘stoel’ en ‘hairband’ kregen 'n plaatsjen in de parodie. De zotternyen die de ‘dichter’ met deze artikelen weet uitterichten, zyn legio. Floris verzekert, by 't afdoen van de veet-zaak, dat voortaan de veiligheid - dichterlyk en germaansch: ‘zekerheid’ - niet langer zal afhangen van staal of grendel, noch van eindloos: ‘slotensterken’ maar van 't: ‘ontzag der Wet, en 't aanzien van... nu ja, van den ons bekenden ‘Staf.

M'n onderstrepen van 't woord slotensterken beteekent niet dat ik dit woord - als 't gekke: ‘ontzag der wet’ - onhollandsch vinden zou. By 't aanhalen van historische-kleurfouten of van vergrypen tegen karakterkundige mogelykheid, kòn ik niet vermyden tevens staaltjes van gebrekkige uitdrukking te leveren. En hier, waar 't my in 't byzonder om taal te doen is, worden we telkens... niet verrast door 't stuiten op historische leugen. Floris, die zoo'n afschuw voorwendt van slotensterken, was juist 'n kasteelbouwer van den eersten rang. Het schynt dus met z'n vertrouwen op 't: ‘aanzien van den Staf’ en op 't: ‘ontzag der Wet’ sobertjes gesteld te zyn geweest, waarin hy groot gelyk had.

Doch terug naar taal!

In byzondere gunst des dichters mag zich 't woord: wulpsch verheugen [7], en wel zonder 't minste verband nu met het gekke: ‘wulp’ waaruit reeds Wouter niet kon wys-worden, toen de meester de sterfhistorie deklameerde. De ‘Edelknaap’ werd daar tot wulp benoemd, omdat er straks 'n regel op ‘hulp’ eindigen zou, en z'n promotie had dus niets te maken met de wulpsheid die den ‘dichter’ telkens 'n voorwendsel aan de hand doet tot prachtige onbegrypelykheden.

Hy laat, byv. iemand optreden met het doel: ‘om hier, de wraak ten zoen, in 't wulpsche bloed te smooren!’ Het staat er.

Amstel verzoekt Woerden - ‘(met aandoening.)’ Het stáát er! - zyn: ‘hart te doorstooten, eer het helle om gruwlen goed te keuren.’ Wat heeft Woutertje zitten tobben met dat: eer het helle om!

De menigvuldige kikkans van den dichter sla ik over.

Booswichten die zich de uitspanning willen verschaffen, op ‘vaderen’ te rymen, noemen zich - let wel: zichzelf -‘gruweldaderen.’ 't Staat er.

De deugden van die vaderen heeten in één woord: ‘edelmoed.’ 't Komt zoo uit met de maat, en dus moeten de hollandsche vaderen met die duitsche kwaliteit tevreden zyn.

Herman Van Woerden had niet voldaan aan Amstels vriendelyke uitnoodiging om hem te doorstooten voor-i helde om goedtekeuren. Hy begon werkelyk, ondoorstooten nog, te hellen om goedtekeuren. Tevens helde hy om dit op 'n zonderlinge manier te kennen te geven. ‘Fne, fle - ik oefen me in 't nazeggen - fnuik Floris!’ roept hy. En, om Woerden te helpen in dat fraaie fne, fle, belooft-i: ‘'k sta met u!Met iemand staan is de dichterlyke vertaling van... enz. De lezer zal wel genoeg bedreven zyn in 't hollandsch, om nu-en-dan Bilderdyks verzen in die taal te kunnen overzetten, al zy 't dan dat er by deze bewerking eenige schoonheden verloren gaan. Traduttore, traditore, helaas! [8]

Eén bladzy verder is Amstel volkomen met het fne-fle-plannetje verzoend. Men heeft hem verzekerd dat Floris' zoon Jan, die in Engeland was, de zaak goedkeurde, en: ‘waar de Zoon aan 't hoofd des opstands staat... vernemen wy:

 ‘Daar wordt het zwijgen plicht...

Dit is iets nieuws, niet waar?

 ... en 't spreken zelfs verraad.’

Ik houd me overtuigd dat de meeste lezers deze gevolgtrekking zonderling vinden. Hierom dan ook geeft Amstel een ongewone vorm aan z'n akte van toetreding. Waar minder excentrieke moralisten - vooral dezulken die hollandsch trachten te spreken - zouden gezegd hebben: nu goed, ik doe mee! Of: ga je gang maar met fne fle! roept hy: ‘ik stem het!’ En iets verder: ‘ik trad uw aanslag toe.’ Het staat er.

Hy verzekert aan Velzen: ‘Uw eer bleef ongekrenkt van Floris.’ 't Staat er.

De door Velzens broeder - zegge: neef - begane manslag, heet - en geenszins met vergoelykende bedoeling, maar om het tegen dien bloedverwant geslagen vonnis te rechtvaardigen: - ‘moedwil.

De: ‘jeugd van edel bloed is, naar we vernemen: ingenomen van fierheid.’ Het staat er.

Samenzweerders heeten - denk aan rym en maat, Machteld! - ‘verbondgenooten.

 ‘Wie d' opstand wederstreef, wordt redloos...

Wat denkt ge, lezer? De vorige regel eindigt met gebroeid. Dus: ‘uitgeroeid’ als 'n moluksche nagelboom. Zóó bedoelt het dan ook de taalbeheerschende dichtvorst. In den volgenden regel spreekt hy van: ‘uitdelgen.’ Och, 't moest wel, er volgt iets van: ‘telgen.

Gesteld eens dat de aanslag ontdekt werd, wat zou er dan geschieden? De zin dezer woorden wordt in 't bilderdyks aldus uitgedrukt: ‘Mislukt men?’ 't Staat er zoo.

Amstel: ‘deelt de wraak.’ 't Staat er. En hy: zwoer Graaf Jan.’ d.w.z. trouw. Maar die trouw staat er niet.

Hy zegt dat er niets aan de zaak te doen is:

 ‘Alschoon...

't Staat er.

 ‘Alschoon men zelfs den Graaf met wapens mocht verweeren.’

Den Graaf verweeren? 't Staat er alschoon.

De zonderlinge samenzweerder tracht zich: ‘te ontslaan van 't schelmstuk van verraad.

Machtelds: ‘viervoet’ is ons reeds bekend. Amstel drukt z'n verbazing over den spoed dien ze schynt te maken, uit met de woorden: ‘Dus verhaast!

‘De graaf is, nog niet aangekomen’ heet: ‘nog wordt zyn komst verwacht.’ Machteld: ‘ontrust zich fel.’ 't Staat er.

Ze wil hem redden: ‘van 't verraad dat toelegt op zijn hoofd.’ 't Staat er.

En dit wil ze doen, al: ‘kost’ het: ‘myns levens vloek, den haat van myn Gemaal.’ Vloek en haat zou ze dus kunnen verliezen by die zaak. 't Is heel erg, maar... 't staat er.

Volgens Amstels theologie - waarvan nader! - weet alleen de Hemel: ‘wat zich ontdekken zal.’ 't Staat er.

Om te weten te komen of Machteld meent den Graaf te kunnen redden door... enz., vraagt hy: ‘zult gij zijn lijf bewaken, indien... enz. Zonderlinge vraag aan 'n ‘Edelvrouw’ die juist om haar byzondere kuisheid op 't personenlystje gezet is, maar... 't staat er.

Nog vreemder klinkt haar antwoord. Eenigszins plompverloren - maar rymend! - zegt ze: ‘O, dat ik 't mocht.

Om aanteduiden dat iemand vertrokken is - rym: spreken, teeken, steken of zoo-iets - bezigt de dichter de woorden: ‘hy is geweken.’ 't Staat er.

Machteld noodigt haar ‘hart’ uit: ‘hier zyn kieschheid... neerteleggen.’ Te vondeling zeker, maar dit staat er niet by.

Het woord waarschuwen...

 ‘Wat geeft een........ enz. om 'n letter?’

Waarschuwen heet: ‘schuwen.’ By 'n allerprachtigste sortie roept Machteld zegevierend uit:

 ‘Zijn - Velzens - ziel is bruischend, woest, hy haat my: Maar ze is braaf,
 'k Vermij zijn argwaan dus, en schuw en red den Graaf!’ **)

By 't ophalen der gordyn voor het tweede Bedryf, wordt de toeschouwer onthaald op: ‘vreugdegeroep van binnen, met gejuich doormengd.’ Zoo staat er.

De historisch-karakter- en taalkundige dichter legt aan Floris' ‘onderdanen’ schoone woorden in den mond. Ziehier hoe 't volk - zegge: 't Volk in 1296 - gewoon was zich uittedrukken, en erken met my dat onze hedendaagsche straatmenschen in fleurigheid van geschreeuw niet halen kunnen by de ‘vaderen.’ De lezer wordt verzocht vooral den luchtigen optatieven vorm te bewonderen. Men ziet alweer: greift nur hinein in 's volle... strassenleben! De ware artist schildert naar de Natuur, al vond-i ze maar op-straat.

 ‘Lang leve Hollands Vorst! De Vorst van Holland leve!
 En bloeie, en heersche in vreugd! En 't woedende oproer beve!’

De intelligente toehoorder begrypt dat er in 't minst geen spraak was van oproer. Maar: leve, beve... er moest dus gebeefd worden. Och, 't rym is zoo verleidelyk voor straatluî die hun vreugdegeroep doormengen met gejuich!

En... ze méénden het! Woerden die zich verstout dat geschreeuw uittemaken voor: ‘vleierij’ wordt op z'n plaats gezet door den ‘Edelknaap.’ Deze noodigt den pessimist uit, de tranen van die tooneel-straatmenschen te gaan zien ‘leken.’ En, zegt hy, de wangen: ‘biggelen.’ 't Staat er zoo. Woerdens skepticismus was dus ongegrond. Na 't kunststuk van die wangen, behoort men àlles te gelooven.

Toch blyft hy verstoktelyk beweren dat zulke zaken volstrekt niet: ‘beslissen van riddertrouw.’ 't Staat er.

Iets verder noemt Floris 'n tal van Ridders: de ‘hoekkanteelen van z'n... zetel.’ Zoo staat er.

Hy verzekert dat z'n ‘boezem zich in zooveel Ridders streelen mag.’ Hoe die boezem 't aanlei om gebruik te maken van de vreemde vergunning, weet ik niet.

Hyzelf: ‘mag den Franschen throon by zyn beschermers tellen.’ Maar hy houdt niet van ‘belgzieke’ Edellieden. Na eenige politieke beschouwingen, eischt hy dat men z'n ‘bevelen zal staven’ en om duidelyk te maken dat er geen gekscheren mee is, besluit hy z'n verhandeling met: ‘'k Begeer het op u!’ Zoo staat er.

Toch is hy 'n allerjoviaalst Vorst. Om, byv. Woerden wat optevroolyken, verzoekt hy hem: ‘den wolk die door zijn oogen wemelt ter zijde te schuiven, en zijn voorhoofd optehemelen.’ Waarachtig, het staat er! Is 't vreemd dat Woerden niet zoo terstond kans zag dit bevel te staven? Tot zulke dingen is oefening noodig.

Iets verder ontmoeten we Floris: ‘in eene bedenkelijke houding.’ Zoo staat er. Ergdenkende lezers zullen misschien meenen dat de ‘dichter’ hier - en elders! - m'n parodie heeft nageschreven. Vanhier gy die... enz. verwaten, U schuldig maakt aan zulk... enz. praten! Ik heb m'n parodie eerst gistren voortgebracht. De ‘dichter’ schreef z'n... enz. in 1808. Ge hadt uw beschuldiging den... enz. moeten sparen.. Ze past slechts in den muil van... enz. Wagenaren. ***) Enz. Enz. Enz.

Ja, ja, poëzie is aanstekend! A... enz. libera nos, Domine! [9]

We zullen 'n nieuw nummer beginnen. Misschien brengt het ons weer in nuchtere prozastemming.

*) Noot van 1877. Wellustig prikkelende praatjes namelyk over kuisheid. Zie, b.v. dominee Hasebroeks: ‘Aan een dertienjarig meisje.’ De vrome man heeft het kind op de knie, en verzekert rymtokkelend en maatwiegelend, dat-i haar... niets doen zal. Als dàt niet kuisch is! Maar 't kittelend vers-zèlf dan, o dominee? Was daar geen vader in de buurt, die u met den hak van z'n laars begrypelyk wist te maken dat-i met uw allergodvruchtigste kuizigheid niet gediend was? [10]

**) Noot van 1877. De gewrongenheid die voortvloeit uit de opvatting dat schuwen hier de beteekenis zou kunnen hebben van niet-ontmoeten, niet in aanraking komen, ware heel makkelyk te vermyden geweest. Machteld had kunnen zeggen:

  { voorkom }   { vermy   }  
'k { ontga    } z'n argwaan dus, 'k { ontwyk  } den graaf.
  { misleid   }   { ontvlied }  

De gewoonte van onzen taalbeheerschenden verzensmid, om sylben die niet in z'n rympjes pasten, eenvoudig wegtelaten - zin of geen zin - geeft my recht tot de gissing dat-i met z'n schuwen wel degelyk ‘waarschuwen’ gemeend heeft. Bovendien de regel wordt niet veel korrekter als men haar anders opvat, want iemand schuwen heeft nooit de beteekenis die er volgens die al te welwillende lezing in gelegd zou moeten worden. Het blyft krompraten. Heeft de lezer opgemerkt hoe de booze Velzen hier op-eens braaf wordt? Er was 'n rym op ‘graaf’ noodig.

***) De diserte lezer weet, en de niet-diserte wete, dat in de bilderdyks-litterarische zoölogie, het woord ‘ezel’ met dezelfde letters gespeld wordt als de naam van den eerbiedwaardigen schryver der ‘Vaderlandsche Historie.[11]
Het is my niet onaangenaam aan deze herinnering 'n plaatsje te geven, ter handleiding van sommigen die niet in-staat zyn iets goedtekeuren, voor men hen op 'n precedent wyst. Wat my betreft, ik zou over Bilderdyks arbeid oordeelen als nu, al had hy Wagenaar de eer gegeven die den konscientieuzen man toekomt.


[1] Het is te verwachten dat velen zich zullen verwonderen over 't hoogst ongunstig oordeel dat ik uitsprak over een man die by velen zoo byzonder hoog wordt gesteld als Voorganger des Volks.

Ik verwonder me enigszins over die verwondering, en neem dus maar aan dat M. hier ironisch is. In ieder geval kan wie de Ideen tot hier gelezen heeft (of grotendeels) zich er niet over verwonderen.
 


[2] On ne veut pas être étonné’ zei Jozef le Maistre, 'n denker!

Le Maistre was mij ook onbekend tot ik 'm opzocht, en het blijkt een zeer conservatieve Fransman te zijn geweest.
 


[3] ‘Het zou dan toch wel zonderling wezen, dat iemand wien duizenden zoo vurig vereerden als taalkenner, schryver, dichter, wysgeer en... mensch, zoo'n onwaardig sujet wezen zou!’

M. werpt dit op om het tegen te spreken, en ik merk hier maar op dat voorgangers en leiders zelden of nooit samenvallen met het publieke beeld dat ze van zichzelf geven, en er vaak zelfs niet op lijken.
 


[4] ‘Duizenden’ meent ge? Men mag zeggen dat Bilderdyk door millioenen geëerd werd en wordt. Z'n ‘bloei’ als publiek persoon is ouder dan de eeuw. Als student reeds werd hy tot feniks uitgeroepen, en de vereering van z'n naam is van geslacht aan geslacht als 'n schildwachts-konsigne overgegeven. Hy had - en heeft! - vrienden, bewonderaars, leerlingen, adepten, zeloten. Men dweepte - en dweept! - met hem.

Misschien dat 'millioenen' iets overdreven is, maar men mag ook aannemen dat één van de goede werken die M. heeft verricht is dat hij de portie Bilderdijk in het onderwijs van het nageslacht aanzienlijk verminderd heeft.
 


[5] De stelling dat die man zoo weinig beteekende, is dus wel inderdaad zonderling!

Nee. Immers, zovelen hebben met zovelen gedweept die - Hitler, Stalin, Mao - au fond geheel niet deugden, al was dat hun bewonderaars niet duidelijk te maken.
 


[6] De bewysvoering is kort. Bilderdyk schermde met ‘God.’ In de Schrift staat: ‘wie den Heer vreest, zullen alle dingen meewerken ten-goede.’ Dit is volkomen juist. ‘Met God’ kan men 'n Volk krankzinnig maken. Dit ziet men nog dagelyks.

De bewijsvoering is aardig, maar mij gaat het vooral om "‘Met God’ kan men 'n Volk krankzinnig maken. Dit ziet men nog dagelyks.", wat een gevleugelde uitspraak is die bekender zou moeten zijn.
 


[7] In byzondere gunst des dichters mag zich 't woord: wulpsch verheugen

Ongetwijfeld vanwege de suggestie van de - was het 18e eeuwse woord - teeldelen.
 


[8] De lezer zal wel genoeg bedreven zyn in 't hollandsch, om nu-en-dan Bilderdyks verzen in die taal te kunnen overzetten, al zy 't dan dat er by deze bewerking eenige schoonheden verloren gaan. Traduttore, traditore, helaas!

Wel, ik heb er enig idee van, maar beheers de 19e eeuwse grammatica niet genoeg. Ook ontbreekt het mij aan relevante kennis van andere Nederlandse toneelschrijvers uit Bilderdijk's tijd, zodat ik niet weet of die vergelijkbaar mal schreven. Ik vrees van wel.
 


[9] libera nos, Domine!

Letterkundige noot: Ik heb de komma achter "nos" één woord opgeschoven.
 


[10] Wellustig prikkelende praatjes namelyk over kuisheid. Zie, b.v. dominee Hasebroeks: ‘Aan een dertienjarig meisje.’ De vrome man heeft het kind op de knie, en verzekert rymtokkelend en maatwiegelend, dat-i haar... niets doen zal. Als dàt niet kuisch is! Maar 't kittelend vers-zèlf dan, o dominee? Was daar geen vader in de buurt, die u met den hak van z'n laars begrypelyk wist te maken dat-i met uw allergodvruchtigste kuizigheid niet gediend was?

Twee opmerkingen.

Eén. Jammer genoeg ken ik het bedoelde fraais van deze 19e eeuwse dominees niet. Slechter dan de eigentijdse Nederpoëzie kan het nauwelijks zijn, en dit klinkt alsof het veel amusanter of humoristischer is.

Twee. M. mat bij gelegenheid met verschillende maten: Eén voor hemzelf, en één voor anderen. Dit is heel gebruikelijk, maar tegen de tijd dat hij dit publiceerde zal het al vrij bekend zijn geweest dat M.'s "Minnebrieven" mede gebaseerd waren op een verhouding die hij gehad heeft met zijn veel jongere nichtje Sietske Abrahamsz.
 


[11] De diserte lezer weet, en de niet-diserte wete, dat in de bilderdyks-litterarische zoölogie, het woord ‘ezel’ met dezelfde letters gespeld wordt als de naam van den eerbiedwaardigen schryver der ‘Vaderlandsche Historie.

Alweer een letterkundige noot, deze keer van onvermogen: Ik weet niet wat "disert" betekent.

Idee 1055.