Het aantoonen van alle
vergrypen tegen menschkunde, die 't boek... doorwemelen - style
Bilderdyk - zou me te ver leiden. Ik meen
den lezer den weg te hebben gewezen tot analyse. Hyzelf zal nu wel
in-staat zyn de opmerking te maken, hoe zot het is dat de handelingen
der personen gedurig afwyken van hun woorden. De als herkulisch dapper
geschilderde Floris werpt, zoodra 't op vechten aankomt, z'n degen
weg. Amstel ‘de voornaamste dryver van 't verraad’ preekt als
'n katechizeermatres. Op 't laatste oogenblik nog, verzoekt hy God
‘die donders voert...
‘Voert.’
Zoo staat er. Ik zeide reeds dat het byna onmogelyk is, 'n zinsnede
aantehalen, die niet in allen opzichte tegen de waarheid
zondigt, al zy 't dan maar tegen de grammatikale.
...hy
bidt dien God ‘hem, den booswicht, te verpletten, en de braafheid te
redden.’
Is dat
niet 'n booswicht van vreemde soort? Is dat niet 'n zonderlinge
verrader?
En
Machteld! Ze doet niets. Ze redt geen vlieg... om den ‘knoop’
natuurlyk. Eindelyk, als de graaf - wel eenigszins ook ten-gevolge van
haar sammelen, dankt me - ‘aan handen en voeten geboeid’ in de
gevangenis zit, komt ze hem een zeer eigenaardig voorstel doen. Ze
raadt hem aan... wat denkt ge, lezer? Wèl: wegteloopen. Eenvoudiger
kan 't niet! De modus quo van haar voorstel houdt ze geheim, en
Floris schynt bevreesd de verdenking van natuurlykheid op zich te
laden, door er naar te vragen. Maar hy bedankt voor de uitnoodiging,
waarschynlyk om Melis Stoke niet tot 'n
leugenaar te maken, en om Bilderdyk niet in den steek te laten met z'n
treurspel. Ziehier hoe hy de weigering inkleedt:
- ‘Neen, geen
onedel vliên, myn redding hangt aan 't staal.’ [1]
Machteld zou 't recht
hebben gehad deze woorden niet te begrypen in den mond van iemand die
geen ‘staal’ had, en die 't wegwierp toen 't zou te-pas gekomen
zyn. Ook verzekert Floris dat-i niet wil wezen: ‘balling 's Lands’
waaruit alzoo heel duidelyk z'n lust verklaard wordt om gevangene 's
muiters te blyven.
Het is
duidelyk dat de auteur hier iets heeft willen schetsen dat naar
zielegrootheid gelyken moet, waarin hy niet slagen kòn, om de zeer
eenvoudige reden dat-i van zoo-iets geen model vond in z'n gemoed.
By-gebrek aan beter zoekt-i dus - 'n zeer algemeene fout! - z'n heul
in 't ongewone, vreemde, zonderlinge, ongerymde. [2] Elk burgerman, op 't
punt staande vermoord te worden door gauwdieven, zou wegloopen indien
zich daartoe de gelegenheid aanbood. Een ‘eedle Graaf’ blyft
dus doodbedaard zitten wachten tot-i gekeeld wordt. Ook Machteld heeft
het besef niet, hem de nogal voor de hand liggende opmerking te maken,
dat z'n vyanden hem waarschynlyk 't verlangde ‘staal’ niet
zullen komen brengen in z'n gevangenis, en dat hy alzoo juist
in-verband met z'n zeer byzondere heldhaftigheid, moest wenschen
handen en voeten vry te krygen. Aan zulke burgerluîs-redeneeringen
bezondigt zich de dichter van 't hoogere treurspel niet.
Floris
blyft weigeren. Hy vindt dit eervol, edel, enz. Maar my komt de zaak
anders voor. Ik beweer dat hy zich zoo koppig aanstelt om pleizier te
doen aan Aristoteles,
Feith, Bilderdyk en den engelenbak.
De kunstregels zyn niet in de wereld voor niemendal, que diable!
Me
dunkt, ik hoor hem zeggen...
Komaan, lezer, 'n brok variant op 's treurspelpoëets ‘Floris.’
[3]
-
Floris. Machteld.
- Floris, bladert
aanvankelyk in een ’Floris de Vyfde van Mr. Willem Bilderdyk’
doch weldra opgewonden door kunstbesefs-overstelpingsstof,
deklameert hy buiten 't boekje. Ook Machteld, ofschoon den
geest des teksts naar behooren blyvende eerbied huldigen, houdt zich
niet zeer stipt aan de letter. Graaf Floris alzoo spreekt, en
wel met 'n anstrich van vreeselyke verontwaardiging en
gemoedelykheid. Zoodra hy overgaat in zeker door kunst
kuisheidsbeoefeningsvertoon ingehouden geestvervoeringsstemming, zal
ik den lezer daarvan by-tyds kennis geven.
-
- - Akt V...
en scène II! Mevrouw, waar zyn je zinnen?
- We kunnen dit
bedryf niet met 'n vlucht beginnen!
- Wie waarborgt my
dat ik, by 't vallen der gordyn,
- Hier op m'n
treurspelpost by-tyds terug zou zyn?
- De régisseur
is streng! Beboet... ik zou je danken!
- Straks verft myn
graaflyk bloed - kyk hier: ‘hy sterft’ - de planken.
- En wat uzelf
betreft, staak dat gelammenteer,
- En val... in
't...
-
hy bladert
- achtst tooneel
behoorlyk op my neer.
- De ware
treurspelplicht van Graaf en Edelvrouwe,
- Leer Machteld,
dit van my... welnu, het Stichwort?
-
-
Machteld.
-
- Ouwe?
-
Floris.
- - Perfekt,
Mevrouw! 't Is onbeleefd maar... 't rymt. Ziedaar
- De roeping van
een Treurtooneelgraaf-kunstenaar!
- Wat leert hier
onze Feith? Het is aan u... hoe verder?
- Komaan, het
eenheids-rymwoord... hé?
-
-
Machteld.
-
- Gelerder? Herder?
- Wat dunkt u,
eedle graaf?
-
Floris in z'n boeiens klappende.
-
- Het rymt weer. Opperbes!
- Eén letter mist
hier, vatje, om...
-
-
Machteld, geleerd, en niet zonder jacht op emancipatie.
-
- Aristoteles?
-
-
Floris, in historische houding.
- - Wel neen, om 't
rym. Van hier, kreuzdonnerwetter...
- ter-zyde
tot Machteld
-
-
Lokale-kleurvloek... die zich kommert om 'n letter!
- En nu, hoe staat
het met je eenheid? Mollig? Schraal?
-
-
Machteld, zich beblozende.
- - Van plaats?
-
Floris, notarieel.
-
- Ook die!
-
Machteld, niet zonder herinnering aan Amstels vriendelykheid.
-
- Ik was ter-zyde 't trapportaal,
- 'k Ben in m'n
eentje daar zoo-even neergezegen.
-
-
Floris, met verborgen menschkunde.
- - En de eenheid
van je tyd?
-
Machteld, op haar toekomst-horloge ziende.
-
- 't Is circa hallef negen.
-
Floris, inquizitoriaal en beminnelyk.
- - In ééns!
-
Machteld, kunstgeroerd.
-
- In ééns!
-
Floris, met 'n lichten tint van wulpsheid.
-
- Dat 's wèl. Uw treurspelvaardigheid
- Verrukt de schim
van Aristoteles en Feith,
- Tot leer van
Vorst en Volk. Maar nu je handelingen?
- Zyn die wel
éénig?
-
Machteld, onbezonnen maar forsch.
- - Alleréénigst...
mandelingen!
-
-
Floris, kuisch en verwonderd.
- - Hè? Wat?
-
Machteld, de oogen ten Hemel slaande.
-
- Het rymt!
-
Floris.
-
- Dat 's waar. Ga voort met je eenigheid.
-
Machteld, haar nagels tellende.
- - 'k Heb naast
dat trapportaal... heel eenig...
-
Floris, indiskreet.
-
- Uitgeschreid?
-
Machteld, in 't volle besef dat ze Hollandsch spreekt.
- - O neen,
doorluchte Vorst! Uw goedheid zal my hengen
- Dat ik daar -
éénig, éénig, by Jupyn! - heb zitten...
-
Floris, snel en hartstochtelyk.
-
- Plengen?
-
Machteld, met waardigheid.
- - Je brandt je!
Raad nog-eens. Je bent er haast. Ui... ui...
-
Floris, vorstenstammelyk.
- - Zyn 't
uilen?
Machteld, met treurspellige vastberadenheid.
- Neen!
Floris, toenemend stamvorstelyk
- Is 't Uitert?
Machteld, met de vorige doch zeer sterk aangroeiende,
treurspellige vastberadenheid.
- Neen!
Floris, in matige wanhoop verzwolgen.
- Ik geef den brui
Van 't raden. Zeg
maar op!
Machteld, alsof ze iets zeer gewoons zeide, doch overigens met 'n
onbezwaard geweten.
- Met kuisheid neergezeten,
Heb ik daar...
uitgeplengd.
Floris, heldhaftig en kunstgevoelend.
- Nu, dat mag éénig heeten!
Zyn Feith en de andren met zóó'n eenheid niet te vreê,
Dan, dan... let op je Stichwort, Machteld!
Machteld
- Heerejé?
Floris, hoogstfatsoenlyk.
- O,
eeuwigdierbre vrouw... vergun my dat ik zwym
Van wondring
over uwe kuisheid en uw rym!
Hoe keurig weet
je 'n woord, ten-spyt van vitzuchtszotten,
In
letterstaatskunststyl te lengen, te beknotten!
Des
treurspelkunstgevoels elastisch hoekkanteel,
Zyt gy...
Hy zwygt
eenige oogenblikken, met de hooggrafelyke bedoeling Machteld tyd te
geven tot botvier harer historisch-bescheidene verlegenheid. De
voorzichtige Edelvrouw maakt hiervan een niet onmatig blozend
gebruik, hetgeen door Floris met genoegen wordt opgemerkt, omdat hy
anders bevreesd zou zyn haar te doen zwyken onder de vleiende
nederigheidsaanranding die hy in petto hield:
... de ware
gutta percha van 't tooneel! *)
Machteld, als opduikende uit den afgrond van hare nogal moeielyk
gemaakte zelfverkleining.
- - O, schoon myn
zedig, Graaf!
Floris, inschikkelyk, doch zonder konsekwentie voor den
vervolge.
- Heel wel, ik
schoon ze. Luister.
De taak die onzer wacht, eischt handlingseenheidsluister.
Je weet, we worden straks gestorven?
-
Machteld, tragisch.
-
- Met pleizier.
-
-
Floris, niet onvoldaan, en zich de schoone lessen herinnerende
die Meester Pennewip in den huize Pieterse met zooveel
vuur verkondigd heeft.
- - 't Is
treurspel, weetje? 't Staat in Melis, en...
-
bladerende
-
... ook hier
- In 't boekje des
poëtenvorsts...
-
hy verkucht twee sylben.
-
hm... hm... historisch.
- Denk om je rym-
en steekwoord, Machteld.
-
Machteld, uit innig schokkende rym-overtuiging.
-
- Kwakzal... florisch!
-
Floris, tevreden maar nog altyd eenigszins bezorgd dat ze niet
voldoende doordrongen is van 't echte tooneelbesef.
- Heel wel! Ons
klaver-lykblad zal wel schikken, maar
- Wy, stamluî,
vallen niet als boeren door elkaar!
- Hier lig ik...
en jy zóó... de page dáár...
-
op zeer klassieken toon...
-
...aeschylisch!
- Dat 's eenheid
met ons drieën, vatje?
-
Machteld, kunstbeseffelyk.
-
- Perfek... tilisch.
-
Floris, niet zonder aandoening.
- - Op-nieuw
verrukkingsstof!
-
met eenige aandoening.
-
O, dierbre gaê van Vels,
- aangedaan.
- Ver...
-
zeer aangedaan.
-
gun...
-
met
byzonder veel aandoening.
-
my...
-
alleraangedaanst.
-
dat...
-
verrukkelyk ylende, doch zonder koorts.
-
ik...
-
Machteld, met eigenaardig graaf-intoomend
gebaar.
-
- Kuisheid!
-
Floris, historisch-maagdelyk terugtredende.
-
- Juist... u niet omhels.
- Dat doet geen
soenlyk Graaf. Hy moet zyn stam ontzienen,
- Z'n stoel, z'n
staf, z'n hairband...
-
Hy maakt 'n zeer deftige beweging.
-
Machteld, met zeer ongemakkelyke berusting de schouders
ophalende, en hare edelvrouwelyke teleurstelling verbergende voor
ieder die dezen avend niet in de komedie is.
-
- Zeker!
-
Floris, treurspeltakelyk.
-
- Bovendienen,
- Dat: zal-ik,
zal-ik niet-gekoos... en in 't publiek...
- Vermakelyk is
't...
-
Machteld, zonder 't minste blyk van dynastisch-hysterische
extaze, en zelfs op-eenmaal publiekig deugdzaam.
-
- O ja!
-
- Floris.
-
- Maar niet... paedagogiek.
- Het mocht de
Vorsten en de Volken eens bederven!
-
met
vaderlyke tooneelkennis, en professoraal.
- Ga heen nu! Denk
er aan, mit Anstand straks te sterven.
-
- Machteld
vertrekt nygende en verdrietig. In haar gang openbaart zich zekere
wrevel tegen fâcheuse Vorsten en Volken, die door Floris uit
rugzicht voor 't aanwezig Publiek geschoond wordt.
-
Floris. alleen.
- Hy nadert met
wyde stappen den voorgrond, en wendt zich op onderwyzendvermakenden
toon, tot Volken en Vorsten.
-
- - Zóó koestren
hartbezield met kuisheidskunstzinsvuur,
- Zich Graaf en
Edelvrouw aan 't voorbeeld der...
...der ...der
...Feithsche kunstverhandelingen, had de man waarschynlyk willen
zeggen. Maar 't kon niet, om 't rym. Dat drommelsche rym! Bovendien...
Mr. Willem Bilderdyk koesterde zich ‘met God’ aan nog heel iets
anders!
Myn
treurspelproef is voor heden afgeloopen. We keeren nu tot het stuk van
dien anderen Meester terug, waarin we kuisheid, taalfouten en
laaghartigheid zullen te beschouwen hebben, alles van zeer
eigenaardige hoedanigheid.
Thesis: m'n parodie is te zachtmoedig!
*) Ik zie geen reden waarom ik Floris minder krom
zou laten spreken dan onze geanglizeerde en verduitschte winkeliers.
Daarom laat ik hem gutta percha zeggen. De ware benaming is
echt maleisch: getàh Pertjah, d.i. Sumatrasche boomgom. Ik
bedoel hiermee niet, dat die stof alleen van Sumatra komen zou, noch
zelfs hoofdzakelyk vandaar. Maar: poeloe Pertjah (ook:
Indaloes) - die malle hollandsche oe! - beteekent
Sumatra. 't Woord getàh is een van de zéér weinige maleische
woorden, die den klemtoon niet op de penultima hebben. Ik ken
er maar 'n stuk of zes. Met het oog op de maat myner kennis, zouden
er dus 'n twintigtal kunnen wezen, maar ik denk dat er minder zyn.
[1]
‘Neen, geen onedel vliên, myn redding hangt aan 't staal.’
Voor de waarachtige liefhebber van
Nederlandse Letterkunde heb ik hier Een Letterkundige Noot: De
geciteerde plaats staat in de Garmond-editie een paar regels hoger,
namelijk direct na "die
donders voert...".
Overigens krijgt de lezer in dit idee
een fraaie parodie op Bilderdijk.
[2] Het is
duidelyk dat de auteur hier iets heeft willen schetsen dat naar
zielegrootheid gelyken moet, waarin hy niet slagen kòn, om de zeer
eenvoudige reden dat-i van zoo-iets geen model vond in z'n gemoed.
By-gebrek aan beter zoekt-i dus - 'n zeer algemeene fout! - z'n heul
in 't ongewone, vreemde, zonderlinge, ongerymde.
De slotoverweging is zinnig, maar de
aanvang niet. Er is zomin reden om aan te nemen dat voor het "schetsen"
van "zielegrootheid"
de laatste eigenschap in 't "gemoed"
aanwezig moet zijn, als dat men voor het "schetsen"
van roodharigheid beslist rood haar moet hebben. Alles wat nodig is
zijn enige taalvaardigheid en wat mensenkennis. (En ik zeg niet dat
Bilderdijk deze bezat.)
[3]
Komaan, lezer, 'n brok variant op 's treurspelpoëets ‘Floris.’
Ik laat dit aan de lezer over, behalve
de inleidende opmerking dat de interpunctie die van Multatuli imiteert,
althans voorzover mogelijk zonder al te veel moeite in html.
|