Het tant bien que mal
te-pas brengen, zonder meer - te-pas is wat veel gezegd
- van eenige personen die in de Geschiedenis genoemd worden, is 'n
kinderachtig kunstje dat met het Zienerschap van den poëet niets te
maken heeft. Reeds in de school - in de kinderschool bedoel ik nu -
oefent zich de knaap in 't maken van opstelletjes, waarin zekere
opgegeven woorden moeten voorkomen. En ook by 't invullen van
eindrymen speelt men 'n dergelyk spel. Vóór smart en hart
zet de vindingryke kunstenaar: ik voel, en: in myn...
klaar is 't vers! Droogstoppel is volkomen in z'n recht, wanneer hy
zulke kinderachtigheden lager stelt dan zyn beurszaken.
En
heel veel anders toch doet zoo'n Bilderdyk
niet. Hoe is 't in-godsnaam mogelyk, dat die man met z'n
walgelyke armoed van geest drie geslachten heeft kunnen foppen!
[1] Om
binnen de grenzen te blyven die ik my vaststelde, houd ik me ditmaal
aan den Floris, doch als 't noodig blyken mocht, zal ik later
z'n andere werken behandelen, en daarin dezelfde valsheid aantoonen,
hetzelfde bedrog! Niemand zou 'n stuk brood willen eten, waarin
zóó weinig meel was als er geestelyk voedsel zit in zulk geknoei.
Dat
onze ‘Dichtervorst’ zekere handigheid had - hy bluft er op - in 't
maken van verzen, is heel natuurlyk. Men kan zich 't krompraten
aanwennen, als 't gapen of scheelzien. Z'n verzen zyn slecht. Daar
bluft-i niet op. Het eeuwige gejingel met maat en rym is 'n tic,
niets meer. Wie inderdaad denkbeelden heeft, wie ernstig bezield
is, tracht zich van dien tic tegenezen, ook al zag hy kans
beter waar te leveren dan Bilderdyk z'n lezers in de hand stopte.
[2]
Maar
aan de soort van z'n verzen zyn we nog niet. Toch was 't onmogelyk ook
dáárvan geen staaltjes te geven, by 't aanhalen van passages die me
dienen moesten tot betoog van iets anders. 't Is moeielyk in z'n
werken 'n greep te doen, zonder fouten te vinden van allerlei
soort te-gelyk.
Nog
altyd zoek ik naar de juiste omschryving van de eigenaardige
waarheid die ik beweer in zulke voortbrengselen te mogen vorderen.
De zoo-even aangehaalde door my onderstreepte regel van Wagenaar,
levert ons 'n voorbeeld. Daar is menschkunde in, schildering, kleur,
concisie. En, by dit alles, 'n onwillekeurige door de goede
trouw ingegeven voorzichtigheid die 't effekt versterkt. ‘Scheen’
zegt de Dichter, en onbewust dwingt hy den
lezer, met het oog op al 't voorafgaande, tot den uitroep: zóó is 't!
Wagenaar doet meer gevoelen dan hy zegt,
juist andersom dan de verzenknoeier die na veel gezegd te hebben,
niets gevoelen doet. Kan iemand ontkennen, dat de zinsnede waarmee 't
natuurlyk gevolg van al de opgesomde feiten wordt saamgegrepen - ook
'n gerucht is feit! - 'n dramatisch effekt te-weeg-brengt,
waarby Bilderdyks harte, smarte niet halen kan, noch zelfs z'n
koestert, voedstert, of andere noch prachtiger kreupelrymen?
Waarlyk, in dien enkelen regel van Wagenaar ligt 'n model van
gemoeds-logika, en tevens de eenig mogelyke bevrediging van de
nieuwsgierigheid des lezers, die weten wil waarom dan toch al
die edelen zoo vreeselyk op Floris gebeten waren? Men voelt dat daar
gewerkt, gedacht, onderzoekt moet zyn. Dat de historieschryver
zich dichterlyk in de geschetste toestanden heeft moeten
verplaatsen, om tot die slotsom te geraken, en aan 't gevondene zoo'n
vorm te geven. De Ziener heeft altyd iets in zich van den
wiskundige, van den chemist. Als deze velt hy, na omslachtige
moeielyke analyse van 't lyk des vergiftigden, het bondig, maar
verpletterend vonnis: ziehier arsénic! Als gene vat hy den
hoofdinhoud der meest uiteenloopende vertoogen in één greep saam, en
levert het vereischte Q.E.D. in 'n klemmend epigram: Toulon
est là! [3]
Ik
stel Wagenaar zéér hoog. Bilderdyk bleef volkomen in z'n rol, door hem
te verkleinen en uitteschelden, want de yverige, konscientieuze
schryver der ‘Vaderlandsche Historie’ was z'n natuurlyke
tegenvoeter. Ook als auteur in meest gewonen zin, heeft Wagenaar zeer
schoone stukken geleverd - zie, o.a. z'n beschryving van den dood der
De Witten - doch bovenal blinkt ons uit elke bladzy z'n eerlykheid
tegen. Geen wonder dat 'n Bilderdyk hem niet kon uitstaan.
Maar
hoe treffend me 't voorbeeld van de door my bedoelde waarheid
toeschynt, dat ik aan Wagenaar ontleen, het is nog altyd geen
definitie. Kon ik er op rekenen dat men 't woord ‘dichterlyk’
begreep, dan ware de zaak afgedaan. Maar... by de kleinzonen der
vereerders van Bilderdyk kan ik vry zeker staat-maken op het
tegendeel. Dat hebben de lieden van zyn soort op hun geweten! Ze
stelden zich zoo dwaas aan, dat men er aan gewoon is geraakt -
Langendyk wist het wel! - elken verzenmaker
voor 'n gek aantezien...
Nu,
dit gaat nog!
...en
elken gek voor 'n poëet.
Om m'n
bedoeling duidelyk te maken, zou 't nuttig zyn ons de werkzaamheid van
den schryf-artist voortestellen als overgebracht op 'n ander terrein
van Kunst.
Wat
is, byv. Waarheid in Muziek? De
belangstellende lezer wordt verzocht nateslaan wat ik hierover zeide
in m'n IIIn Bundel op blz... neen, àlles wat in dat deel
over Kunst voorkomt. Maar... ook daar is de kwestie ver van
afgehandeld. Is de komponist die kattegemauw of kikkergekwaak weet
natebootsen, 'n waarheidsprofeet? Hoe hoog moeten we dan wel opzien
tegen kikkers en katten zelf, die nog precisiger kwaken en mauwen dan
hy?
Is 't
voor den schilder voldoende dat-i al de personen die verondersteld
kunnen worden by zeker voorval tegenwoordig geweest te zyn, 'n
plaatsje gaf op z'n doek, om daarvoor den rang te vorderen van
historiestuk?
‘Zeker
niet! Maar... de houding!’
Goed,
de houding. Meer niet?
‘Het
koloriet.’
Ook
goed. En niet meer?
‘De
uitdrukking van 't gelaat, het kostuum...
Zeker,
en veel meer nog! Er zou 'n lange lyst van desiderata te maken
zyn: de Kunst is moeielyk! Maar al die vereischten, hoe onontbeerlyk
op-zichzelf, en al ware men verzekerd de lyst kompleet te maken,
worden beheerscht door één noodzakelykheid, door één voorwaarde,
door...
Ach,
ik ben op 'n verkeerd spoor. Dat komt er van, als men redeneert zonder
eerst de konkluzie vasttestellen! [4] Ik zocht, ik zocht naar dat ééne...
Anders
dus!
In-plaats van schildery, muziekstuk of treurspel, willen we nu eens 'n
mensch maken. 'n Ondankbaar werk zeker, maar 't is nu eenmaal noodig
voor m'n betoog. We nemen zóóveel kalk, zóóveel water, zóóveel metaal.
We vervaardigen spieren, zenuwen, aderen, bloed, gal, hart, lever,
milt, armen, beenen, hoofd... alles naar de eischen van de ‘school.’
Deze
of gene Feith zal wel 'n verhandeling hebben geschreven, waaruit men
precies kan te weten komen welke ingredienten er voor zoo'n treurspel
op twee beenen noodig zyn. Stel dat wy de daarin aangeprezen regels
met bilderdyksche nauwkeurigheid hadden opgevolgd. Wat zou er altyd
aan ons kunststuk blyven ontbreken?
De
ziel immers? Wel zeker!
Dàt,
of zoo-iets - en 't voornaamste dus! - zal ook altyd ontbreken aan elk
voortbrengsel op 't gebied van Kunst dat z'n oorsprong verschuldigd is
aan iets anders dan de Natuur.
[5] Zy alleen kan
zedelyk bevruchten, technisch den waren vorm aanwyzen.
Zy, de scheppende, lokt tot scheppen uit, noopt er toe, dwingt er toe.
Wie haar wenken veronachtzaamt, wie ziel meent te leggen in z'n werk,
door 't volgen van beschreven regeltjes, wie - erger nog! - z'n edele
roeping dienstbaar maakt aan vulgaire nevenbedoelingen... nu ja,
zoo-iemand rymt 'n Floris de Vyfde, vaderlandsch-historisch
treurspel met protase en nog vier andere bedryven, maar...
zonder de Dichterlyke waarheid die inderdaad
het tooneel - en alle Kunst, nu zeg ik het - maken kan tot 'n
leerschool voor Vorsten en Volken.
De
door Boileau aan sommigen gegeven
onvriendelyke raadgeving dat ze moesten trachten metselaar te worden,
komt me verwerpelyk voor. Ook in 't bouwvak is behoefte aan bekwame en
eerlyke lieden.
[1]
Hoe is 't in-godsnaam mogelyk, dat die man met z'n
walgelyke armoed van geest drie geslachten heeft kunnen foppen!
Het antwoord ligt voor de hand
(aangenomen dat de veronderstellingen waar zijn): Men was dom; men had
geen taalgevoel; zovelen in binnen- en buitenland deden ongeveer
hetzelfde; Bilderdijk was of poseerde fraai als patriot en Christen,
allebei naar wijd verbreid publiek verlangen etc.
[2]
Het eeuwige gejingel met maat en rym is 'n tic,
niets meer. Wie inderdaad denkbeelden heeft, wie ernstig bezield
is, tracht zich van dien tic tegenezen, ook al zag hy kans
beter waar te leveren dan Bilderdyk z'n lezers in de hand stopte.
Nee, het is geen "tic".
Het is een kunstmatige beperking, die aan de andere kant het helpen
onthouden vergemakkelijkt, en het kan tot heel vervelende domme
versjes leiden. Maar dat kan ook héél goed zonder "maat
en rym", met hulp van veel wit,
veel grote woorden, en allerlei half of geheel onbegrijpelijke
mededelingen.
[3] ..'n
klemmend epigram: Toulon
est là!
Dit is een uitroep
van Napoleon, die door Multatuli bewonderd werd.
[4] Ach,
ik ben op 'n verkeerd spoor. Dat komt er van, als men redeneert zonder
eerst de konkluzie vasttestellen!
Zou dit een grapje zijn? Of bedoelt M.
i.p.v. "redeneert":
schrijft? Hoe het zij, veel redeneringen zijn op zoek naar een
konklusie, zonder er één bereikt te hebben. Dat is nu eenmaal een
belangrijk doel van redeneren: Uitvinden waar iets heen leidt of kan
leiden.
[5] Dàt,
of zoo-iets - en 't voornaamste dus! - zal ook altyd ontbreken aan elk
voortbrengsel op 't gebied van Kunst dat z'n oorsprong verschuldigd is
aan iets anders dan de Natuur.
Nee, tenzij men "Natuur"
een bijzondere betekenis geeft. In ieder geval is er nogal wat zeer
fraaie door religie of religieuze ideeën of gevoelens ingegeven kunst,
zoals veel schilderkunst en veel muziek.