Ik sprak eenige bladzyden geleden van
wysgeerig-artistieke wysheid. Het blyft de vraag of ik me daar
goed uitdrukte. [1] Dit is zoo gemakkelyk niet. Vooral daar ik hier 'n
onderwerp behandel, dat zelden in oprechtheid ter-tafel gebracht is,
en omdat ik stellingen verdedig, welker triumf door 't gros der
boekenschryvers niet gewenscht wordt.
Aan de
uitdrukking: wysgeerig-artistiek wil ik dus niet gehouden zyn.
Ik geef ze om beter. Eigenlyk bedoel ik eenvoudig: dichterlyke
waarheid. Maar dit zou aanleiding gegeven hebben tot misverstand,
omdat men zoo is gewoon geraakt aan 't vereenzelvigen van dichters en
leugenaars, dat het veel moeite kosten zou de menigte aan 't verstand
te brengen hoe juist het dichterschap iemand belet 'n leugenaar
te zyn. [2]
Het
goed- of kwaadschiks inlymen van feiten die door 'n beroep op
kroniekschryvers kunnen gestaafd worden, en 't gebruik daarvan als
zegel der waarheid van 't geheel, herinnert aan den marktschreeuwer
die beweerde dat z'n grootmoeder door 't gebruik van zyn middelen
driehonderd jaar oud was geworden. 't Bewys? ‘Ziehier 'n tand van 't
mensch... haar laatsten! Ze gaf hem my, te-gelyk met haar jongsten
snik, juist op 't derde eeuwfeest van haar bestaan. Wie durft beweren
dat ik lieg, en dat dit niet de echte allerlaatste tand van m'n
grootmoeder is? Melis Stoke was er by...
Ei?
Ook by de diskretie van Floris? Ook by dat onnoozel vertrouwen
op z'n ‘Hof’? Ook by z'n vriendschap voor Woerden?
Ziehier eenige bydragen - óók historisch! - tot de kennis van
die vriendschap, van dat vertrouwen, en van die diskretie. Ik ontleen
ze aan Wagenaar die uit dezelfde bronnen
schepte welke Bilderdyk gebruikt heeft,
omdat er geen andere zyn. Ja, toch misschien... in de Engelsche
archieven. Maar die kennen we niet, of slechts zeer gebrekkig.
‘Niet eenerlei
waren egter de redenen, die deeze edelen hadden, om op den Graave
misnoegd te zyn. Jan, neef van Gerard Van Velzen, was, om eenen
manslag aan eenen met wien hy verzoend was begaan, volgens een
Vonnis des Graaven, te Leiden onthalsd.’
We zagen reeds dat de
auteur dien Neef tot Broeder maakte. Dit houd ik voor geoorloofd.
Minder fraai is 't, dat hy de door Jan Van Velzen verslagen persoon
tot 'n ‘boer’ degradeert. Met boeren behoefde 'n edelman zich
niet te verzoenen. Doch ook dit is van ondergeschikt belang. Ik zoek
naar waarheid in de schildering van Floris' omgeving, en van z'n
verstandhouding met dat ‘Hof.’
‘En hierin -
d.i. in die te-rechtstelling van z'n neef - meende Gerard reden
van misnoegen tegen den Graave te konnen vinden: waarby, zo anders
het gemeen gevoelen grond heeft, nog kwam, dat de Graaf, die waarlyk
genegen tot de vrouwen was, Velzens Huisvrouw, een dogter van Herman
van Woerden, schandelyk verkragt had: 't welk Velzen, zo 't gebeurd
is, met meer regt, tegen den Graave ontsteken moest.’
Dit wat den
vriendschapsband met Velzen en Woerden aangaat! Wat zyn we ver van
kuisheid, gemoedelykheid en diskretie! [3] Maar er is meer!
‘Gysbrecht van
Amstel hadt verscheiden' jaaren in 's Graaven gevangenis
versleeten.’
Zulke ervaringen zyn,
dunkt me, geschikter om kennis dan om vriendschap te maken.
[4]
‘Aan Herman van
Woerden was, door 's Graaven toedoen, 't Land ontzeid.’
Opmerking als voren.
‘Beiden - d.i.
Amstel en Woerden - waren niet dan op harde voorwaarden...
In 't
Bilderdykiaansch zou dat zeker: vriendschapsstof moeten heeten.
...met hem
verzoend. En schoon zy, zowel als Velzen, die met Floris opgevoed
was, tot 's Graaven Raaden verheeven waren, en, naar 't gebruik dier
tyden 's Graaven kleederen droegen, scheen de nieuwe gunst de
gedachtenis van 't oude leed niet te hebben konnen uitwisschen.’
Ziedaar de taal van
iemand die waarheid zoekt! In 't geheele stuk van Bilderdyk is geen
enkele regel die uit de verte kan vergeleken worden by deze
menschkundige slotsom van Wagenaar. Er is tint in die zinsnede,
en men voelt hoe de door Bilderdyk zoo geminachte ‘amsterdamsche
klerk’ aan de eerlykheid van z'n streven een styl ontleende, die z'n
hovaardige berisper te-vergeefs zocht te bereiken door z'n armzalige
zoogenaamd-geleerde Kunst.
Wagenaar haalt nog andere redenen aan, die aanleiding kunnen gegeven
hebben tot den moord, of, beter misschien: die het in Engeland
beraamd plan in de hand werkten. Wat men in de politiek:
oorzaak noemt, is gewoonlyk slechts de naastliggende aanleiding
die aan verder liggende oorzaken 't gevolg verzekert, of dat gevolg
mogelyk maakt. [4] Ook Heusden, vernemen wy:
‘was op den Graave
gebeeten, omdat deeze zyne Dogter geschonden, of tot eene Byzit
misbruikt hadt.’
Met achtenswaardige
onpartydigheid voegt Wagenaar hierby dat deze assertie onbewezen is.
Men mag dus te dezer zake geen vonnis slaan tegen Floris. Maar geeft
dit het recht zyn beeld in de ‘leerschool voor Vorsten en Volken’
aan den wand te hangen als kuisheidsmodel? En, over 't geheel, wat
hebben wy te denken van den waarheidszin des leeraars in die school,
wanneer hy ten-behoeve van z'n ‘knoopen’ - en om iets ergers nog! -
zoo onbeschaamd de werkelykheid verwringt?
Lezer,
't is me hier niet om de fouten van den schryver te doen, dan
voor zoover ik die gebruik om den mensch te ontmaskeren. Het
voorgoochelen van 'n paar feitjes - grootmoeders laatste tand! - om
den lezer in den waan te brengen dat-i hier 'n zuivere schets voor
zich heeft van 't gebeurde... nu, ook dàt is slecht. Maar men zou zich
bedriegen, als men Bilderdyks félonie uitsluitend zocht op
litterarisch terrein. Ze is aantetoonen zonder 't minste beroep op
Wagenaar of Melis Stoke. Hiervan zal ieder overtuigd zyn, als ik
gereed ben met de behandeling van z'n prullig stuk. Waarlyk, in
hoedanigheid van letterkundig voortbrengsel verdient het zoo'n
uitvoerige analyse niet. De rechtvaardiging van m'n aanval ligt
in de behoefte aan waarschuwing tegen gemeene strekking.
Toch
keer ik voorloopig weer tot dat stuk als stuk terug. Om den
mensch te leeren kennen, is 't nuttig te doen zien wie de
schryver is, de ‘gevierde’ schryver... met God.
Ik verzoek overigens by dit alles niet uit het oog te verliezen wat ik
zeide in 720
en eenige volgende nummers.
[1]
Ik sprak eenige bladzyden geleden van
wysgeerig-artistieke wysheid. Het blyft de vraag of ik me daar
goed uitdrukte.
Onwijs veel
"wijs" voor negen lettergrepen?
[2]
Eigenlyk bedoel ik eenvoudig: dichterlyke
waarheid. Maar dit zou aanleiding gegeven hebben tot misverstand,
omdat men zoo is gewoon geraakt aan 't vereenzelvigen van dichters en
leugenaars, dat het veel moeite kosten zou de menigte aan 't verstand
te brengen hoe juist het dichterschap iemand belet 'n leugenaar
te zyn.
Over dichterlijke
waarheid, selon Multatuli dan, citeer ik
1053d:
De logika der feiten, met zienersblik
opgedolven, met oordeel geschift, met kracht saamgevat uit den warboel
der slechts beschreven Geschiedenis - 'n armzalige bron
anders! - is 't ware materiaal van den dichter.
Maar ook dan plegen dichterlijke
waarheden niet echt gebeurd te zijn.
[3]
Wat zyn we ver van kuisheid, gemoedelykheid en diskretie!
Hier zou het Bilderdijk om gaan. Maar
ja, de gezegde goederen zijn ook in de geschiedenis zeldzaam, en veel
zeldzamer dan ze worden voorgewend. Zo is 't met alle deugden.
[4]
Wat men in de politiek:
oorzaak noemt, is gewoonlyk slechts de naastliggende aanleiding
die aan verder liggende oorzaken 't gevolg verzekert, of dat gevolg
mogelyk maakt.
Dit is
tennaastebij het geheel van de theoretische wetenschap niet van "de
politiek" maar van de
geschiedenis, zoals mij althans bijgebracht op de HBS.