Idee 1053f.                                                


Ik sprak eenige bladzyden geleden van wysgeerig-artistieke wysheid. Het blyft de vraag of ik me daar goed uitdrukte. [1] Dit is zoo gemakkelyk niet. Vooral daar ik hier 'n onderwerp behandel, dat zelden in oprechtheid ter-tafel gebracht is, en omdat ik stellingen verdedig, welker triumf door 't gros der boekenschryvers niet gewenscht wordt.

Aan de uitdrukking: wysgeerig-artistiek wil ik dus niet gehouden zyn. Ik geef ze om beter. Eigenlyk bedoel ik eenvoudig: dichterlyke waarheid. Maar dit zou aanleiding gegeven hebben tot misverstand, omdat men zoo is gewoon geraakt aan 't vereenzelvigen van dichters en leugenaars, dat het veel moeite kosten zou de menigte aan 't verstand te brengen hoe juist het dichterschap iemand belet 'n leugenaar te zyn. [2]

Het goed- of kwaadschiks inlymen van feiten die door 'n beroep op kroniekschryvers kunnen gestaafd worden, en 't gebruik daarvan als zegel der waarheid van 't geheel, herinnert aan den marktschreeuwer die beweerde dat z'n grootmoeder door 't gebruik van zyn middelen driehonderd jaar oud was geworden. 't Bewys? ‘Ziehier 'n tand van 't mensch... haar laatsten! Ze gaf hem my, te-gelyk met haar jongsten snik, juist op 't derde eeuwfeest van haar bestaan. Wie durft beweren dat ik lieg, en dat dit niet de echte allerlaatste tand van m'n grootmoeder is? Melis Stoke was er by...

Ei? Ook by de diskretie van Floris? Ook by dat onnoozel vertrouwen op z'n ‘Hof’? Ook by z'n vriendschap voor Woerden?

Ziehier eenige bydragen - óók historisch! - tot de kennis van die vriendschap, van dat vertrouwen, en van die diskretie. Ik ontleen ze aan Wagenaar die uit dezelfde bronnen schepte welke Bilderdyk gebruikt heeft, omdat er geen andere zyn. Ja, toch misschien... in de Engelsche archieven. Maar die kennen we niet, of slechts zeer gebrekkig.

‘Niet eenerlei waren egter de redenen, die deeze edelen hadden, om op den Graave misnoegd te zyn. Jan, neef van Gerard Van Velzen, was, om eenen manslag aan eenen met wien hy verzoend was begaan, volgens een Vonnis des Graaven, te Leiden onthalsd.’

We zagen reeds dat de auteur dien Neef tot Broeder maakte. Dit houd ik voor geoorloofd. Minder fraai is 't, dat hy de door Jan Van Velzen verslagen persoon tot 'n ‘boer’ degradeert. Met boeren behoefde 'n edelman zich niet te verzoenen. Doch ook dit is van ondergeschikt belang. Ik zoek naar waarheid in de schildering van Floris' omgeving, en van z'n verstandhouding met dat ‘Hof.

‘En hierin - d.i. in die te-rechtstelling van z'n neef - meende Gerard reden van misnoegen tegen den Graave te konnen vinden: waarby, zo anders het gemeen gevoelen grond heeft, nog kwam, dat de Graaf, die waarlyk genegen tot de vrouwen was, Velzens Huisvrouw, een dogter van Herman van Woerden, schandelyk verkragt had: 't welk Velzen, zo 't gebeurd is, met meer regt, tegen den Graave ontsteken moest.’

Dit wat den vriendschapsband met Velzen en Woerden aangaat! Wat zyn we ver van kuisheid, gemoedelykheid en diskretie! [3] Maar er is meer!

‘Gysbrecht van Amstel hadt verscheiden' jaaren in 's Graaven gevangenis versleeten.’

Zulke ervaringen zyn, dunkt me, geschikter om kennis dan om vriendschap te maken. [4]

‘Aan Herman van Woerden was, door 's Graaven toedoen, 't Land ontzeid.’

Opmerking als voren.

‘Beiden - d.i. Amstel en Woerden - waren niet dan op harde voorwaarden...

In 't Bilderdykiaansch zou dat zeker: vriendschapsstof moeten heeten.

...met hem verzoend. En schoon zy, zowel als Velzen, die met Floris opgevoed was, tot 's Graaven Raaden verheeven waren, en, naar 't gebruik dier tyden 's Graaven kleederen droegen, scheen de nieuwe gunst de gedachtenis van 't oude leed niet te hebben konnen uitwisschen.

Ziedaar de taal van iemand die waarheid zoekt! In 't geheele stuk van Bilderdyk is geen enkele regel die uit de verte kan vergeleken worden by deze menschkundige slotsom van Wagenaar. Er is tint in die zinsnede, en men voelt hoe de door Bilderdyk zoo geminachte ‘amsterdamsche klerk’ aan de eerlykheid van z'n streven een styl ontleende, die z'n hovaardige berisper te-vergeefs zocht te bereiken door z'n armzalige zoogenaamd-geleerde Kunst.

Wagenaar haalt nog andere redenen aan, die aanleiding kunnen gegeven hebben tot den moord, of, beter misschien: die het in Engeland beraamd plan in de hand werkten. Wat men in de politiek: oorzaak noemt, is gewoonlyk slechts de naastliggende aanleiding die aan verder liggende oorzaken 't gevolg verzekert, of dat gevolg mogelyk maakt. [4] Ook Heusden, vernemen wy:

‘was op den Graave gebeeten, omdat deeze zyne Dogter geschonden, of tot eene Byzit misbruikt hadt.’

Met achtenswaardige onpartydigheid voegt Wagenaar hierby dat deze assertie onbewezen is. Men mag dus te dezer zake geen vonnis slaan tegen Floris. Maar geeft dit het recht zyn beeld in de ‘leerschool voor Vorsten en Volken’ aan den wand te hangen als kuisheidsmodel? En, over 't geheel, wat hebben wy te denken van den waarheidszin des leeraars in die school, wanneer hy ten-behoeve van z'n ‘knoopen’ - en om iets ergers nog! - zoo onbeschaamd de werkelykheid verwringt?

Lezer, 't is me hier niet om de fouten van den schryver te doen, dan voor zoover ik die gebruik om den mensch te ontmaskeren. Het voorgoochelen van 'n paar feitjes - grootmoeders laatste tand! - om den lezer in den waan te brengen dat-i hier 'n zuivere schets voor zich heeft van 't gebeurde... nu, ook dàt is slecht. Maar men zou zich bedriegen, als men Bilderdyks félonie uitsluitend zocht op litterarisch terrein. Ze is aantetoonen zonder 't minste beroep op Wagenaar of Melis Stoke. Hiervan zal ieder overtuigd zyn, als ik gereed ben met de behandeling van z'n prullig stuk. Waarlyk, in hoedanigheid van letterkundig voortbrengsel verdient het zoo'n uitvoerige analyse niet. De rechtvaardiging van m'n aanval ligt in de behoefte aan waarschuwing tegen gemeene strekking.

Toch keer ik voorloopig weer tot dat stuk als stuk terug. Om den mensch te leeren kennen, is 't nuttig te doen zien wie de schryver is, de ‘gevierde’ schryver... met God.

Ik verzoek overigens by dit alles niet uit het oog te verliezen wat ik zeide in 720 en eenige volgende nummers.


[1] Ik sprak eenige bladzyden geleden van wysgeerig-artistieke wysheid. Het blyft de vraag of ik me daar goed uitdrukte.

Onwijs veel "wijs" voor negen lettergrepen?
 


[2] Eigenlyk bedoel ik eenvoudig: dichterlyke waarheid. Maar dit zou aanleiding gegeven hebben tot misverstand, omdat men zoo is gewoon geraakt aan 't vereenzelvigen van dichters en leugenaars, dat het veel moeite kosten zou de menigte aan 't verstand te brengen hoe juist het dichterschap iemand belet 'n leugenaar te zyn.

Over dichterlijke waarheid, selon Multatuli dan, citeer ik 1053d:

De logika der feiten, met zienersblik opgedolven, met oordeel geschift, met kracht saamgevat uit den warboel der slechts beschreven Geschiedenis - 'n armzalige bron anders! - is 't ware materiaal van den dichter.

Maar ook dan plegen dichterlijke waarheden niet echt gebeurd te zijn.
 


[3] Wat zyn we ver van kuisheid, gemoedelykheid en diskretie!

Hier zou het Bilderdijk om gaan. Maar ja, de gezegde goederen zijn ook in de geschiedenis zeldzaam, en veel zeldzamer dan ze worden voorgewend. Zo is 't met alle deugden.
 


[4] Wat men in de politiek: oorzaak noemt, is gewoonlyk slechts de naastliggende aanleiding die aan verder liggende oorzaken 't gevolg verzekert, of dat gevolg mogelyk maakt.

Dit is tennaastebij het geheel van de theoretische wetenschap niet van "de politiek" maar van de geschiedenis, zoals mij althans bijgebracht op de HBS.

Idee 1053f.