Idee 1053c.                                                


Ik zal zoo vry zyn de zeven ‘opzichten’ die ik noemde, te behandelen in eenigszins andere volgörde, dan waarin ze op blz. 108 voorkomen. We hadden daar iets als klimax in-acht te nemen, en moesten van de gebrekkigheid der taal opklimmen tot de ‘infame strekking.’ Vreezende dat men uit die volgorde 'n verkeerd model mocht putten voor litterarische kritiek, moet ik daarvan afwyken. Onze recensenten hebben waarachtig geen gebrek aan modellen van scheele boekbeschouwing. [1]

Toch is het my om 'n byzondere reden niet vergund, geheel-en-al korrekt te-werk te gaan, en met het oog op Idee 30 in de eerste plaats te vragen: wat beoogde de schryver? Het antwoord op die vraag behelst de afdoening van... 't zevende opzicht, en daarom moet ik haar bewaren voor 't slot.

Floris de Vyfde’ schynt 'n treurspel te zyn. We vernamen reeds van Pennewip ‘dat er in gestorven wordt.’ 't Is daarenboven heusch 'n historisch treurspel, wat, als gewoonlyk, niet meer zeggen wil dan dat de in 't stuk voorkomende personen ook in de geschiedenis genoemd worden. [2] En, eindelyk, het is 'n vaderlandsch stuk: 't speelt in Holland.

Dat ik in de laatstvoorgaande regels de aan Bilderdyks gedicht toegekende benaming en predikaten niet voldoende gerechtvaardigd heb, zal wel waar zyn. Doch by hoogere opvatting van de woorden: treurspel, vaderlandsch en historisch, zou alle kritiek 'n onmogelykheid worden.

Bilderdyk verzekert in een opdracht van z'n werk, die 't eigenlyke voorbericht ‘aan den - gewonen? - lezer’ voorafgaat, dat: ‘het treurspel ten-allen-tyde is beschouwd geworden als de school en de uitspanning van Vorsten en Volken.’ Of dit in 't algemeen juist is, laat ik daar. Doch dat er voor Vorsten en Volken uit Bilderdyks Floris veel te leeren valt, is de zuivere waarheid. Als uitspanning beduidt de lektuur niet veel. Maar... leering? Met het oog op m'n ideënnummer 58, houd ik het voor een van de nuttigste werken die ooit geschreven zyn. [3]

Voor ik tot de analyze overging, besteedde ik eenige uren aan 't lezen der inderdaad belangryke verhandeling van Feith: over het treurspel. Dit is 'n zeer volledig stuk, en al zy men 't dan dikwyls niet met den kundigen schryver eens - of liever met al de autoriteiten die hy aanhaalt - ieder zal erkennen dat het, na die handleiding, onze eigen schuld is wanneer goede treurspelen niet goedkooper zyn dan alle andere inrichtingen van onderwys of uitspanning. Vormleer en touwtje-springen hadden sedert lang moeten verdrongen zyn door tragedie. En wanneer Vorsten en Volken sedert tachtig jaar - zoo oud is de verhandeling - soms dom waren of zich verveelden, moet dit 'n gevolg zyn geweest van eigenaardige liefhebbery. Volgens Feith dan hebben:

‘de vijf Bedrijven ieder hunne eigen regels, wier waarneming van het uiterste belang is, indien men behagen wil.’

Wel zeker! Wie zou niet willen behagen?

‘Het eerste dat de Ouden protasis noemden, dewijl het de voorstelling van het onderwerp behelst, moet de zaak daar het op aan komt duidelijk aan den aanschouwer mededeelen.’

Ik heb er niets tegen. En ook Bilderdyk wist behoorlyk met zoo'n protasis omtegaan. Dàt zullen we zien! Herman van Woerden geeft aan Gysbrecht van Amstel te kennen dat men 't met dien Floris niet langer kon uithouden. Die graaf beschermt de boeren, en verzet zich tegen de partikuliere vechtpartyen van de edelen. Natuurlyk: jalousie de métier!

Hoewel de ware oorzaken van den wrevel tegen Floris niet volledig bekend zyn, mag men deze voorstelling niet afkeuren. Er komen in de kroniekschryvers genoeg zinspelingen op zoo-iets voor, om den dichter 't recht te geven de gissingen daaromtrent als zekerheid aantenemen. Maar vreemd is 't dat dit alles verteld wordt aan Amstel die 't best weten kon, dunkt me. Z'n vriend Woerden vergeet er by te zeggen: ik doe dit om de protasis, begrypje? De rol die Amstel hierby speelt, is zonderling. Maar dit behoort by de behandeling van de karakters.

Als bydrage tot de protasis, komt Gerard van Velzen insinueeren dat ‘z'n bed onteerd is.’ Bovendien beweert hy dat z'n broeder ten-onrechte door Floris was ter-dood verwezen. Volgens den Spiegel Historiael geschiedde dit niet ten-onrechte, en zou die broêr wel beschouwd 'n neef geweest zyn.

Een toegiftje tot de protasis komt zekere Machteld brengen, 'n zeer zonderlinge persoon. Ze was de dochter van Van Woerden, en Velzens... vrouw? Ja... neen... wèl z'n vrouw... niet z'n vrouw...

Lezer, 't is heel moeielyk den burgerlyken staat van die Machteld te bepalen. De schalke auteur bereidt den toeschouwer 'n verrassing voor, waarover Melis Stoke, Wilhelmus Procurator, de ‘onbekende Klerk’ Beka, de schryver van den Spiegel Historiael, Scriverius, en allen die zich ooit met het mensch bemoeid hebben, zeer verbaasd zouden staan. Zyzelf waarschynlyk ook.

Myn protase brengt nu mee, den lezer in spanning te brengen over de ware natuur van die Machteld. Men make zich gereed - treurspelstyl - iets zeer fyns te vernemen. 't Is een der schoonheden van 't stuk.

Die vrouw dan - voorloopig zullen we haar voor 'n vrouw aanzien - van den aanstaanden hoofdmoordenaar, komt ‘te-viervoet aangevlogen’ om Floris te waarschuwen. Schoon 't haar onbekend is, dat haar vader en... echtgenoot in 't komplot zyn, mag Velzen toch volstrekt niet weten wat ze komt doen: hy is zoo jaloersch! We zullen zien dat de man hiertoe niet de minste reden had... ja, toch wel... neen... ja... weer 'n mysterie!

Machteld wil den graaf waarschuwen. Maar ze komt er niet toe, omdat ze 't zoo byzonder druk heeft met die drommelsche protase. Ze houdt namelyk 'n protasiaal gesprek met Amstel, dat geen mug in 't leven houden kan, laat staan 'n graaf op z'n ‘stoel.’ Lokaal-tintuitdrukking voor troon. Wat we tegenwoordig hyperbolisch de ‘kroon’ noemen, heet in de vaderlands-historische taal uit het grafelyk tydperk: hairband. De overzetting van ‘scepter’ is: staf. Dit laatste woord vooral, geeft aanleiding tot zonderlinge quiproquo's. De lezer heeft telkens moeite om niet te denken òf aan 'n tooverstaf, òf aan 'n état-major.

Na Amstels vertrek - hy schynt heen te gaan uit diskretie, om Machteld den tyd te geven tot niet-doen van wat ze voorhad - verzekert ze aan 't publiek, dat haar groote lust om den graaf te redden...

Maar doe 't dan, schepsel!

...geenszins voortspruit uit:

 ‘heimelijke drift die in den boezem slaat’

Ook heeft ze zich die taak - ze vervult hem volstrekt niet - geenszins opgelegd omdat ze 'n afkeer heeft van haren... echtgenoot, van den man liever:

                                  ‘wiens wrevel en verachting
 In my met de echtkoets spot.’

De ware dryfveer is:

                                     ‘zuivre plichtsbetrachting.
      't Is de inspraak van die plicht, van die onkreukbre trouw
      Die 't hart bezielen moet van elke Edelvrouw.
 En (ondanks zelf - zelf: sic - den spijt, dien Velzens inborst voedstert)
 Die Velzen-zelf in 't hart voor zijnen Meester koestert.’

Die, die, die, dien, en nog 'ns die! Eigenlyk spyt het me wel eenigszins dat de lezer reeds nu 'n staaltje te aanschouwen krygt van taal, versifikatie en zinbouw. Ik wilde alleen doen zien wat die Machteld voor 'n braaf edelvrouwtje was. Maar 't zou moeielyk zyn, vier regels uit het stuk aantehalen, zonder telkens 'n paar van m'n zeven ‘opzichten’ te-gelyk te staven. De Meester is waarlyk al te gul met voorbeelden hoe men niet schryven moet! [4]

Dat ‘spotten’ van Gerard Van Velzen met het echt-rytuig is 't non plus ultra van alle welbegrepen protasialiteit. Als bewys zou ik me kunnen beroepen op Woutertje die, al had-i overigens 't boekje geen aandacht waard gekeurd, nu wel genoodzaakt was, regel voor regel aandachtig te ontleden. Er mocht eens in 'n slordig gelezen of overgeslagen zinsnede, eenige oplossing liggen van dat raadseltje!

Ik ben overtuigd dat elke lezer en toeschouwer deze nieuwsgierigheid met hem deelt. We mogen veronderstellen dat Machteld het stuk van Feith gelezen had [5], en op-grond daarvan reeds by haar eerste optreden 't redden van den graaf uitstelde, om aan 't parterre dat raadseltjen optegeven. Ze stak hierin Melis Stoke met z'n ‘over spel’ den loef af. ‘Hoe, moet de lezer denken, Machteld is vervuld van allerlei onschuld - ze klaagt er gedurig over - er blykt verder dat ook Floris gebukt gaat onder 'n vermoeiende jozefs-natuur, en tòch is er 'n steekje los aan 't huwelyksgeluk van dat Velzelyk edelpaar? Hoe drommel zit de zaak in elkander?’

Het te-weeg brengen van zóó'n spanning is de triumf des dichters, en 'n stempel op de verdienstelykheid van de protase-methode.

Historische waarheid? Onze Floris 'n tweebeenige lelie van kuisheid? De kronieken zeggen anders, al behooren Stokes ‘over’ en ‘spel’ niet geschreven te worden in één woord, dat dan ook in-verband met wat er by hem voorafgaat en volgt, geen zin geven zou.

Volgens Wagenaar leest men in Beka ‘dat de graaf waarlyk genegen tot de vrouwen was.’ Ik neem 't hem volstrekt niet kwalyk. [6] Onze degelyke en achtenswaardige historieschryver voegt hierby, dat er in 'n oud handschrift van de Egmonder rymkroniek deze regels worden gevonden:

 ‘Al dede Gherrydt van Velzen quaet,
 Dat quam alleen bi sulker daet,
 Dat syn wyf was jammerlike verkraft,
 Daertoe dede de Grave syn macht.’

Dit zou ik Floris wel kwalyk genomen hebben. Maar... die regels zyn apokrief. Ze staan niet in den tekst van Stoke, en schynen door 'n vreemde hand ingesmokkeld te zyn.

Volgens den Spiegel Historiael *) liep er 'n gerucht dat men den graaf van-kant geholpen had ‘omdat hy de vrouw van eenen zyner baroenen verkragt hadt.’ De onbekende kommentator die de zoo-even aangehaalde vier regels in 'n exemplaar van Stoke's kroniek schreef, schynt 'n naschryver van dat ‘gerucht’ geweest te zyn. ‘Geruchten’ en ‘naschryvers van geruchten’ zyn onklassieke getuigen. Dus: weg daarmee!

Er is niet bewezen dat Floris zich meer dan de gewoonte van mannen en graven meebrengt, bezig-hield met galanterie - zoo'n vreeselyke zaak niet! - noch met verkrachten: misdaad!

Maar... nòg minder zeker is 't, dat de man zoo'n vervelend-brave Hendrik zou geweest zyn als Bilderdyk ons schynt te willen wys-maken. We zullen later zien waarom!

Nogal onvoorzichtig legt hyzelf een van z'n personen woorden in den mond, die hem logenstraffen. Amstel - volgens den scherpzinnigen Huydekopereen der sterkste dryvers’ van 't verraad - wordt door Bilderdyk voorgesteld als... ja, als wat? Geen zielkundig onderzoek kan uitmaken welke rol die Amstel in Bilderdyks treurspel vervult. Hy is 'n onding. Op zeker oogenblik schynt rym, maat of wie weet welke andere exigentie van de komedie-mekaniek te eischen dat Gysbrecht party trekt voor den graaf. Hy verzekert dat Velzens eer ‘ongekrenkt bleef van - van: sic! - Floris.’ Van Velzen beantwoordt dit met ironie, en zegt o.a.

                ‘Zyn Kuischheid is volkomen.
 En Haamstede is de vrucht van onverstandig droomen!’

Op 't stopwoord ‘onverstandig’ na, is de persifflage niet onaardig.

De vraag blyft, hoe ver poëtische licentie - zegge: de onbehelpelykheid van zulke verzenmakers! - gaan mag? Of Floris die Machteld verkracht heeft, kunnen we dáár laten. Een vraag van meer belang is of Clio niet verkracht werd door Bilderdyk, wanneer-i stoutweg, en ondanks den door Velzen zoo juist ter-snee geciteerden Haemstee, z'n held proklameert tot hermelyntje? En zelfs dit zou er niet op aankomen, indien de meer of mindere vlekkeloosheid van Floris tot de byzaken behoorde. Maar dit is zoo niet. Want juist op de bovenmenschelyke deugdzaamachtigheid van dien ‘Vorst’ wordt het heele stuk gebazeerd, van de protase af tot het opruimen der lyken toe. We zullen, byv. later zien dat Floris met God omgaat als 'n kameraad.

Dat Velzen zich die toespeling op Haemstee laat ontvallen, staat hem dan ook, hovelings gesproken, leelyk genoeg. En 't zou niet gebeurd zyn, als de auteur zich niet genoopt had gevoeld, heel zuinig omtegaan met z'n voorraad van pikante uitdrukkingen. Ze zyn in 't gansche stuk zoo dun gezaaid, dat iedere huishoudster begrypen kan hoe jammer 't zou geweest zyn dat sprankje geestigheid ongebruikt onder de asch te laten verglimmen. Maar... de integriteit der zeer monarchistische strekking van 't stuk lydt er onder. Ieder weet dan ook dat Van Velzen behoorlyk geradbraakt is. Dat komt er van als men graven vermoordt uit minnenyd, en tendenz van monarchistische treurspelen uit gemiskraamd sarkasme!

We hebben gezien hoe Machteld die ‘te viervoet’ was komen ‘aanvliegen’ om den graaf te redden, zich uitsloofde om hem volstrekt niet te redden. Dit was van haar kant zeer verstandig, omdat anders Floris niet by-tyds van staf, stoel, hairband en... leven zou beroofd geworden zyn, om Bilderdyk stof te leveren tot 'n Vaderlands-historisch treurspel. Maar voor toekomstige graven die op 't vermoord-worden staan, is het te hopen dat ‘Edelvrouwen’ wier ‘hart’ behoorlyk - d.i. terdege lands-opperheerlyk - ‘bezield’ is, wat meer haast maken met waarschuwen. Men kan van onschuld en kuisheid alleen niet op 'n ‘stoel’ en in 't leven blyven! Wel beschouwd, is alzoo Floris de Vyfde overleden aan Machtelds protase, en dit heeft onze Feith op z'n geweten. Ziehier alzoo reeds één leering voor Vorsten, historie- of treurspelschryvers, Edelvrouwen en Volken.

Summa: de eerste akte van Bilderdyks stuk is komedieachtig onwaar. Ook ik houd zeer veel van kuisheid [6], maar toch had ik liever alle vyftig Danaïden tot onecht kroost, dan dat ik me zou schuldig maken aan zulke leugens. De licentie van den verzenmaker komt me hier - vooral om de laaghartige bedoeling die later blyken zal - erger dan prozaïsch voor. Ze is gemeen.

*) Zo zegt Wagenaar. Ik bezit den Sp. Hist. niet, en kan dus niet beoordelen of hy de plaats juist aanhaalt. De spelling komt me voor niet van den Spiegel te zyn.


[1] Onze recensenten hebben waarachtig geen gebrek aan modellen van scheele boekbeschouwing.

Daar zijn het immers recenten voor. Ik heb zelden of nooit een behoorlijke Nederlandse recensie gelezen - één die behoorlijk geschreven, helder, en informatief is, en geen of weinig onzin meedeelt - maar moet toegeven dat ik er ook niet echt veel gelezen heb. Ik at ook weinig koolraap, want dat staat me ook tegen.

Hier staat tegenover dat ik wel eens Engelse recensies heb gelezen, die zeker in de 18e en 19e eeuw regelmatig heel behoorlijk tot zeer goed waren.
 


[2] 't Is daarenboven heusch 'n historisch treurspel, wat, als gewoonlyk, niet meer zeggen wil dan dat de in 't stuk voorkomende personen ook in de geschiedenis genoemd worden.

Dit draagt de suggestie in zich dat historische toneelstukken zelden waar of waarachtig zijn. Dit mag zo zijn, maar als ik Simon Schama mag geloven, in 'A History of Britain', dan zijn Shakespeare's historische drama's zo slecht nog niet, ook vanuit historisch oogpunt.
 


[3] Maar... leering? Met het oog op m'n ideënnummer 58, houd ik het voor een van de nuttigste werken die ooit geschreven zyn.

Het is nuttig 58 te bekijken, ook om te begrijpen dat M. Bilderdijk's Floris voor één van de slechtste werken uitmaakte die hij gelezen had.
 


[4] De Meester is waarlyk al te gul met voorbeelden hoe men niet schryven moet!

Zie de vorige noot en Ideen IV, dat veel bittere ideeën bevat over het feit dat men niet lezen kan.
 


[5] We mogen veronderstellen dat Machteld het stuk van Feith gelezen had

O? Ik weet niet of M. hier sarcastisch of slordig is. Hoe een jonkvrouw een werk had kunnen lezen dat honderden jaren na haar dood geschreven zou gaan worden is me niet duidelijk, maar het is óók waar dat Bilderdijk suggereerde - en dit heeft alles van doen met Multatuli's titel van het hoofdstuk, dat begon in 1053 : ‘waarom Louis-Napoleon koning van Holland is geworden?’ - dat Floris, althans Bilderdijk's toneel-Floris, Louis-Napoleon voorzag en verwelkomde, wat natuurlijk voor Bilderdijk's carrière onder Louis-Napoleon geheel niet slecht zou zijn. (Maar helaas voor Bilderdijk's vooruitzichten als collaborateur: het stuk werd niet opgevoerd, en Louis-Napoleon bracht het nooit ver met kennis van de Nederlandse taal.)
 


[6] Volgens Wagenaar leest men in Beka ‘dat de graaf waarlyk genegen tot de vrouwen was.’ Ik neem 't hem volstrekt niet kwalyk.

Het gaat me niet om kwalijk nemen, maar mij staat me bij dat Floris bekend stond als "der keer'len god", dus in modern Nederlands als een homo. Vandaar dat "waarlyk"?

Idee 1053c.