Een lang
hoofdstuk met korten titel: ‘waarom Louis-Napoleon koning van
Holland is geworden?’
Pennewip had de
fameuze ‘komedie waarin driemaal gestorven wordt’ in den huize
Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze 't lazen,
maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil om te
begrypen, bestudeerde hy 't stuk. En dit gelukte hem tendeele, maar hy
slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy bleef
Glorioso mooier vinden. En 't peruaansch geschiedenisjen ook. En zelfs
dat arme Roodkapje. [1]
Om
rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten wy
erkennen dat de manier waarop men hem by 't kind had ingeleid, niet
zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die sommigen
gewoon zyn de dichterlyke te noemen. De meester had door z'n
taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk gemaakt, en aldus in
dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die onze scholen
spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de antieken meer
geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren vergald geworden
door skolastiek. [2]
Toch
beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters hongerige
ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat voorop-stellen van komma's
in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur verdiende niet
beter. Pennewip zou 'n lofwaardig werk hebben gedaan, indien hy met
verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor den dag gebracht,
die nu slechts uitvloeisels waren van z'n nuchtere schoolmeestery.
De
lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich moest
bezig-houden, de meer of min bekende ‘Floris de
Vyfde’ van Bilderdyk was.
[3]
Van
Bilderdyk!
Die
man behoorde gedurende zeer langen tyd onder de voornaamste
voorgangers van 't Nederlandsche volk. Tydgenooten en zelfs
mededingers noemden hem: de meester. Hoe hoog hy aangeschreven
stond, blykt niet het onduidelykst uit de tegenwerking die hy
ontmoette. Hy werd vervolgd en gesmaad, uitgestoten, afgesneden,
veroordeeld - of gedwongen althans - tot ballingschap en gebrek-lyden.
Wat wil men meer? [4]
Hy
heeft dan ook ‘school’ gemaakt.
Bilderdyk oefende alzoo invloed uit op het Volk, een invloed die nog
voortduurt.
Even
als 'n rechtvaardig rechter onderzoek doet naar de opvoeding die den
misdadiger ten-deel viel - of onthouden werd - behooren wy ons tot
taak te stellen, de bronnen optesporen, waaruit het verkeerde
voortvloeide dat we dagelyks voor oogen zien. [5] Vraagt ook niet de arts
die by 'n kranke wordt geroepen, welke spyzen deze onlangs gebruikt
heeft, om te kunnen oordeelen of daarin misschien iets kan geweest zyn
dat de ziekte veroorzaakte?
Eenige
jaren geleden was 't m'n voornemen 'n analytische schets te leveren
van de Nederlandsche Letterkunde in de eerste helft der 19e
eeuw, en 'n betoog van den verderfelyken invloed dien ze op het
volkskarakter heeft uitgeoefend. Bezig met het verzamelen van
bouwstoffen, werd ik door de omstandigheden waarop ik in den vorigen
bundel doelde, daarvan beroofd. De gevolgen van 't bedrog dat
Nederlandsche ‘vrienden’ aan my pleegden, noodzaakten my 'n vry
belangryke bibliotheek wegtegeven voor minder geld dan de kisten
gekost hadden, waarin ze gepakt was geweest. In de hoop dat God me
niet aan m'n woord houdt, bid ik hem vurig om vergiffenis voor die
‘vrienden.’ [6]
En ook
de lezer heeft reden tot zoo'n gebed. Want hy heeft er schade by, dat
ik nu niet in-staat ben zoo nauwkeurig als anders 't geval zou geweest
zyn, de hoofdoorzaken aantewyzen van de verstandelyke, zedelyke en
politische nederlandsche volkomenheden, waarop heel Europa zich blind
staart. [7] Even als de scheikundige uit 'n vrucht of plant besluit tot de
bestanddeelen van den grond, en omgekeerd, had ik willen aantoonen
hoeveel deelen Helmers,
Feith, Van der Palm of
Bilderdyk er waren noodig geweest, om
voorttebrengen wat men, beleefd sprekende, zou kunnen noemen: ‘het
hedendaagsche volkskarakter.’
't Is
dan ook alleen daarom dat ik 't verlies van die boekverzameling
betreur. Overigens houd ik niet van boeken, en sedert vele jaren lees
ik zoo weinig mogelyk. [8]
Bezig
met het nasporen der grondstoffen die de bestanddeelen leverden voor
Wouters ziel... [9]
Ik
druk me hier gebrekkig uit, doch zal dit later herstellen.
...in
verband daarmee, neem ik me voor, van-tyd tot-tyd 'n enkel stuk te
behandelen van de schryvers die invloed hadden op zyn ontwikkeling, en
op die van z'n tydgenooten. [10]
Niet
zonder doel koos ik ditmaal dien ‘Floris de Vyfde’ van
Bilderdyk, en wel omdat ik daarin, naast de letterkundige...
waarde, tevens bydragen vind tot de zedelyke... hoogte waarop
zoo'n verzenmaker staat. Bovendien... Bilderdyk was 'n zeloot in den
geloove. Wel dringt zich z'n misselyke genadeleer van een
‘vrymachtbren’ God, in dit stuk niet zóó op den voorgrond, als in z'n
meeste andere werken - op Ridder Sox
na! - maar toch, geheel-en-al ontbreken de sporen van dordrechtery
niet. Schoon God niet onder de dramatis personae genoemd wordt,
speelt hy in 't stuk mee niet alleen, maar vervult zelfs daarin de
hoofdrol. In 't vyfde bedryf namelyk, draagt Floris hem eenige
politische werkzaamheden op, die zeer lang na 't vallen van de gordyn
behoorlyk zyn ten-uitvoer gelegd, gelyk we zien zullen.
[11]
En ook
in andere opzichten heeft de auteur zich niet onbetuigd gelaten in
staatkundige theologie. Hy doet ons 'n blik slaan in de reglementen
der hemelsche Rechtsbedeeling. Met de voorgeschreven christelyke
zachtmoedigheid verzoekt hy de ‘hardheid van de slagen’ waarmee
Holland moet gestraft worden te ‘matigen.’ Meer schynt hy niet te
durven dragen.
- ‘want
ik weet, Uw recht gedoogt het niet
- Dat strafloos
Vorstenmoord en Staatsverraad geschied'.
Pennewip was
opgetogen over dat afsnydingsteeken. En ik ben het over de zeer
eigenaardige verplichtingen van 't Opperwezen omtrent Vorsten en
Staten. Een paar dozyn burgerlyke laagheidjes zoud-i met wat goeden
wil door de vingers mogen zien, maar op hoogpolitiek terrein schynt
z'n recht van gratie nogal beperkt. [12] 't Zal wel waar zyn, want de
auteur legt de vermaning in den mond van iemand die 't officieel weten
kon, van 'n ‘Vorst.’ 't Was zoo dom niet in Floris, z'n prerogatieven
by deze gelegenheid eens uitdrukkelyk en a governo ter-spraak
te brengen. Met de bekende goddelyke menschkunde zal de Heer wel
begrepen hebben aan wien die avis au lecteur eigenlyk
geadresseerd was. En met behulp van myn menschkunde zal de
lezer dit straks ook weten. Heel diep zit de zaak niet, maar toch
schynt ze de aandacht van de meesten der beoordeelaars van Bilderdyk
ontgaan te zyn.
Hoe de
vromen dat misbruiken en mismaken van hun ‘Heer’ kunnen rymen met den
eerbied dien ze voorwenden, mogen zyzelf verantwoorden. Van hun eigen
standpunt beschouwd, zyn ze godslasteraars. Wat is dat voor 'n God,
die zich door graaf Floris laat voorschryven wat hy, eeuwen daarna
nog, zal te doen en te laten hebben? En, let wel,
Bilderdyk stelde hem als by-uitstek gehoorzaam voor. Maar we
zyn nog zoo ver niet.
Het
geheele stuk zou eigenlyk in allen opzichte beneden kritiek zyn - d.i.
niet vatbaar voor ernstige beoordeeling - indien niet juist dáárin de
eigenaardigheid van die kritiek gelegen was. M'n tekst is: met zùlke
vodden hebt ge u gevoed, o Nederlanders, en even als Trui of Petrò
riept ge: ‘zeker, zeker, meester, 't is mooi, heel mooi!’
In
alle opzichten beneden kritiek?
De
taal is slecht.
De versificatie is slecht.
De historische voorstelling is slecht.
De ontwikkeling der karakters is slecht.
De knoop is slecht.
De ontknooping is slecht.
De strekking is... infaam.
Heel
veel meer opzichten zyn er niet. [13] Ik zal waarschynlyk genoeg bewezen
hebben, als ik die zeven punten toelichtend behandel. *)
*)
Noot van 1877. De ontleding van
Bilderdyks Floris heeft de woede van zeker volkje gaande
gemaakt. Heel natuurlyk! M'n aanval treft niet hèm alleen, maar ook
en vooral de letterluî van professie, de menigvuldige Pennewippen
die gewoon waren den ongelukkigen verzenmaker aan hun leerlingen
voortestellen als 'n model, als 'n feniks, als 'n dichter. De
woede van zulke heeren is begrypelyk, en woede werkt nadeelig op
denkvermogen en geheugen. By den gewezen letterprofesser
Van Vloten steeg de razerny tot in 't
komieke. Dat de Floris 'n haastig samengeflanst stuk was,
wist men al lang, beweerde die gewezen hooggeleerde. Dat hoefde
ik niet te komen vertellen!
Ei? My was 't onbekend dat men dit wist. 't Bleek me, o.a.
niet uit het stuk, getiteld: Bilderdyk, in de ‘Verpoozingen’
van den letterman en volksvoorganger Beets,
waarin gesproken wordt over de ‘uitnemende schoonheden van den
Floris V.’ al erkent dan die al te scherpzinnige schoonheidsvinder
dat Bilderdyk ‘niet gelijkelijk in alle vakken heeft uitgemunt.’ De
heer Beets is wel goed, waarlyk!
Maar voornamelyk put ik het recht tot de meening dat die Floris
nog altyd doorging voor 'n redelyk, jazelfs voor 'n uitstekend werk,
uit de ontdekking dat dit stuk opgenomen is in 'n Bloemlezing van
Nederlandsche Dichters. De verzamelaar nu, van die bloemen was
dezelfde Van Vloten die later my beschuldigde oud nieuws verkondigd
te hebben. [14] 't Was alzoo z'n gewezen hooggeleerde memorie ontgaan dat
hyzelf meegeholpen had aan 't verheffen en aanpryzen van dat prul.
Een andere bedenking tegen de kritiek waaraan ik Bilderdyk
onderwierp, lag in de vraag of ik wel dien Floris tot punt
van uitgang had mogen kiezen? Velen erkenden de onwaarde van het
stuk, doch sommigen hunner vonden 't wat wreed, den auteur juist
dáárnaar aftemeten. Hy had andere dingen geschreven, heette het, die
veel beter waren. Dit geloof ik byna. Erkennende dat zelfs hy niet
in staat kan geweest zyn, altyd zóó laag te staan als-i ons in dit
stuk voorkomt, is 't hem echter gelukt, in zeer veel van z'n werken
- zelfs in zyn beroemdste! - aftedalen tot het peil van narigheid
dat-i in den Floris zoo schitterend bereikt heeft. Z'n
fragment van den Ondergang der eerste wareld geeft dat
koddige treurspel niets toe in zotte konceptie, platte opvatting,
manken gang, verschrompelde denkbeelden, onhandige teekening,
gebrekkige diktie, mislukte verhevenheid en verknoeide taal.
[15] Vooral
na de analytische wenken die ik by 't behandelen van den Floris
geef, dunkt me dat dit elken lezer die zich eenigszins op de
kunst van lezen gelieft toeteleggen, ook zonder verdere
aanwyzing van myn kant moet in 't oog vallen. En nu spreek ik nog
niet van de duizend-en-een andere vodden die ‘uit z'n pen gevloeid’
zyn. Waarlyk, als 't niet gedeeltelyk by toeval geweest was dat ik
den Floris tot onderwerp van m'n beschouwingen koos, 't zou
hebben kunnen doorgaan voor 'n goedigheid!
[1]
De juffrouwen stelden zich aan of ze 't lazen, maar Wouter deed meer nog
dan lezen. Met den ernstigen wil om te begrypen, bestudeerde hy 't stuk.
En dit gelukte hem tendeele, maar hy slaagde volstrekt niet in de
voorgeschreven opgetogenheid. Hy bleef Glorioso mooier vinden. En 't
peruaansch geschiedenisjen ook. En zelfs dat arme Roodkapje.
De lezer zal grondig de kans krijgen te
kunnen beslissen of ie dat ook vindt. Wie het over wil slaan moet
verder met idee 1059.
[2]
De meester had door z'n taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk
gemaakt, en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld
die onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de
antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren
vergald geworden door skolastiek.
Dit is mij ook overkomen, en ik lees
sindsdien veel liever Engelse literatuur dan Nederlandse.
[3] De
lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich moest
bezig-houden, de meer of min bekende ‘Floris de
Vyfde’ van Bilderdyk was.
Ik vermoed dat de lezer uit wat volgt
althans één voorname grond zal kunnen begrijpen waarom hij of zij géén
Bilderdijk heeft gehad in het VWO, en dit fraaie toneelstuk vrijwel
iedereen van de nu levenden volledig onbekend is.
Wie M.'s kritiek te lang vindt of er
anderszins bezwaar tegen heeft zal toch moeten toegeven dat dit in ieder
geval één goed gevolg van Multatuli's Ideen is: Hele generaties
Nederlanders en Nederlandsen zijn althans niet geplaagd met "‘Floris de
Vyfde’ van Bilderdyk",
wat zeer velen een zeer aanzienijke hoeveelheid tegenzin en verveling
moet hebben bespaard.
[4] Die
man behoorde gedurende zeer langen tyd onder de voornaamste
voorgangers van 't Nederlandsche volk. Tydgenooten en zelfs
mededingers noemden hem: de meester. Hoe hoog hy aangeschreven
stond, blykt niet het onduidelykst uit de tegenwerking die hy
ontmoette. Hy werd vervolgd en gesmaad, uitgestoten, afgesneden,
veroordeeld - of gedwongen althans - tot ballingschap en gebrek-lyden.
Wat wil men meer?
Wel, als die
'men'
Multatuli is dan is het tamelijk duidelijk: Ook voor 'meester'
doorgaan, minstens, en premier zijn. Eén psychologische reden waarom
M. zo vaak zo kritisch en boos is over Thorbecke (zie:
452) )en Bilderdijk is dat
hij vond dat ze posities innamen die hij zelf verdiende maar niet
kreeg.
[5]
Even als 'n rechtvaardig rechter onderzoek doet naar de opvoeding die
den misdadiger ten-deel viel - of onthouden werd - behooren wy ons tot
taak te stellen, de bronnen optesporen, waaruit het verkeerde
voortvloeide dat we dagelyks voor oogen zien.
En dit is wat M. gaat doen, en de
algemene strekking is - zie de Conceptie
van de Ideen, want dat verheldert het een en ander over M.'s
opstelling - dat Bilderdijk één van de hoofdverantwoordelijken is voor
de vele verkeerde dingen in de Nederlandse samenleving waar M. zich
zich tegen verzette.
Ikzelf
vind de taalkundige oefening die gaat volgen heel aardig, maar velen
schijnen 'm wat lang te vinden, en ook niet erg nodig. Het is waar dat
Multatuli's kritiek lang is, maar er staan heel vermakelijke stukken
in (zie bijv. in 1054a waarin M. Bilderdijk
parodieert), en het is ook waar dat Bilderdijk niet meer gelezen
wordt, behalve door enkele Neerlandici en wellicht ook door sommige
snobistisch uitgevallen
masochisten.
Ook is het niet zo
dat "de bronnen
(..) waaruit het verkeerde voortvloeide dat we dagelyks voor oogen
zien" bestaan uit Nederlandse
literatuur, hoe beroerd, saai, schijnheilig of slecht deze bij
gelegenheid (?) ook mag zijn.
Shelley - een jongere tijdgenoot van
Bilderdijk - mag beargumenteerd hebben dat "Poets are the unacknowledged
legislators of mankind", maar dat was pure wensdenkerij van een poëet,
Homerus wellicht uitgezonderd.
Als er dan een verklaring moet worden gegeven wat "de
bronnen" zijn "waaruit
het verkeerde voortvloeide dat we dagelyks voor oogen zien"
dan moeten deze veel eerder in het modale en gemiddelde menselijke
hoofd en hart worden gezocht dan in de literatuur die daar ook door
geproduceerd wordt: "Stupidity and egoism are the roots of all vice".
(Boeddha)
[6]
In de hoop dat God me niet aan m'n woord houdt, bid ik hem vurig om
vergiffenis voor die ‘vrienden.’
Ik heb dit eruit gelicht als aardige
zegswijze. Het verhaal wat achter de alinea waar dit uit komt zit is dat
M. meende dat hij zijn huis, inclusief bibliotheek(je), te Den Haag op
had moeten geven omdat hij niet genoeg financiële steun kreeg van z'n
medestanders.
[7]
En ook de lezer heeft reden tot zoo'n gebed. Want hy heeft er schade by,
dat ik nu niet in-staat ben zoo nauwkeurig als anders 't geval zou
geweest zyn, de hoofdoorzaken aantewyzen van de verstandelyke, zedelyke
en politische nederlandsche volkomenheden, waarop heel Europa zich blind
staart.
Wel... in feite heeft de
lezer, als ie althans Ideen IV gelezen heeft, al een heel redelijk
idee over "de
hoofdoorzaken aantewyzen van de verstandelyke, zedelyke en politische
nederlandsche volkomenheden": Men
kan niet lezen. En men laat zich misleiden door leugens, propaganda,
uitvluchten en geschipper van maatschappelijke voorgangers van
allerlei soorten.
Aan de andere
kant... ik heb al uitgelegd in mijn commentaren bij
Ideen IV, en wellicht vaker dan
de lezer nodig vond, dat "men" niet kan lezen omdat "men" dom is, en
dat "Gegen die Dummheit kämpfen selbst die Götter vergebens"
(Schiller).
[8]
Overigens houd ik niet van boeken, en sedert vele jaren lees ik zoo
weinig mogelyk.
Dit is waar: M. was geen groot boekenlezer.
[9] Bezig
met het nasporen der grondstoffen die de bestanddeelen leverden voor
Wouters ziel...
Want dit is tenslotte
het hoofdonderwerp van de geschiedenis van Woutertje Pieterse. Zie
idee ....
[10] ...in
verband daarmee, neem ik me voor, van-tyd tot-tyd 'n enkel stuk te
behandelen van de schryvers die invloed hadden op zyn ontwikkeling, en
op die van z'n tydgenooten.
Er kwam niet meer in dit kader dan M.'s
behandeling van Bilderdijk's Floris, en wat later in deze bundel, enige
kritiek op Hilarides.
[11]
Schoon God niet onder de dramatis personae genoemd wordt, speelt
hy in 't stuk mee niet alleen, maar vervult zelfs daarin de hoofdrol. In
't vyfde bedryf namelyk, draagt Floris hem eenige politische
werkzaamheden op, die zeer lang na 't vallen van de gordyn behoorlyk zyn
ten-uitvoer gelegd, gelyk we zien zullen.
Dit slaat feitelijk op de titel van dit
idee "Een lang
hoofdstuk met korten titel: ‘waarom Louis-Napoleon koning van
Holland is geworden?’". Het
antwoord daarop is te ontlenen aan de Floris: Om de voorspelling van
Floris uit te doen komen, en mr. Willem Bilderdijk's carrière door
collaboratie vooruit te helpen.
[12] ‘want
ik weet, Uw recht gedoogt het niet
Dat strafloos
Vorstenmoord en Staatsverraad geschied'.
Pennewip was
opgetogen over dat afsnydingsteeken. En ik ben het over de zeer
eigenaardige verplichtingen van 't Opperwezen omtrent Vorsten en
Staten. Een paar dozyn burgerlyke laagheidjes zoud-i met wat goeden
wil door de vingers mogen zien, maar op hoogpolitiek terrein schynt
z'n recht van gratie nogal beperkt.
Ik heb dit eruit gelicht om te laten
zien dat M. behoorlijk revolutionair was. (Of: Bij gelegenheid kon
zijn.)
[13] Heel
veel meer opzichten zyn er niet.
Hier is ruimte voor enige skepsis,
die ik de lezer zal besparen. Er staat een konkretere samenvatting van
wat M. zo tegenstond in z'n noot. Zie [15].
[14]
Maar voornamelyk put ik het recht tot de meening dat die Floris
nog altyd doorging voor 'n redelyk, jazelfs voor 'n uitstekend werk,
uit de ontdekking dat dit stuk opgenomen is in 'n Bloemlezing van
Nederlandsche Dichters. De verzamelaar nu, van die bloemen was
dezelfde Van Vloten die later my beschuldigde oud nieuws verkondigd te
hebben.
Van Vloten was een
tijdgenoot van Multatuli die ook radikaal was in zaken van religie en
politiek, maar die, anders dan M., welvarend en jarenlang professor
was. Hij was enigszins bevriend geweest met M. maar de vriendschap was
bekoeld en veranderd in afkeer, kennelijk omdat Van Vloten vond dat
Multatuli opgang maakte ten koste van hem, en omdat hij het oneens was
met allerlei ideeën van M., en vooral met zijn presentatie van
zichzelf, en met Multatuli's ingenomenheid met zichzelf.
Het resultaat was
een boek van Van Vloten dat Multatuli's Ideen behandelt, dat "Onkruid
onder de tarwe" heet, vanwege M.'s motto van de Ideen "Een zaaier ging
uit om te zaaien", waarin M. rijkelijk gekritiseerd wordt.
Multatuli nam dit
Van Vloten zeer kwalijk, mede omdat Van Vloten wel een aantal jaren
Multatuli's vrouw en kinderen financieel had geholpen, en M. meende
dat Van Vloten brieven van Multatuli's vrouw bezat of zou kunnen
bezitten die tegen hem konden worden gebruikt, en hem zouden dwingen
te zwijgen over Van Vloten. Ook beweerde Multatuli herhaaldelijk dat
Van Vloten hem het publicitaire zwijgen had opgelegd, hoewel hij dat ook weer
ontkende. Feit is dat M. na de publikatie van "Onkruid onder de tarwe"
weinig meer schreef voor publikatie.
Wie hier meer van
wil weten verwijs ik naar de biografieën van Multatuli van Hermans en
van Van der Meulen. De eerste is ouder, korter, beter geïllustreerd,
en over het geheel genomen het best. De tweede is ook redelijk, maar
dik en veel minder fraai geïllustreerd, en ruikt meer naar een
akademisch proefschrift, wat het dan ook is.
[15] ...
zotte konceptie, platte opvatting, manken gang,
verschrompelde denkbeelden, onhandige teekening, gebrekkige diktie,
mislukte verhevenheid en verknoeide taal.
Dit is een
konkretere samenvatting van M.'s eerdere
De
taal is slecht.
De versificatie is slecht.
De historische voorstelling is slecht.
De ontwikkeling der karakters is slecht.
De knoop is slecht.
De ontknooping is slecht.
De strekking is... infaam.