Een zyner helden had van
z'n hofmeister de bedoelde methode om menschen te doorgronden,
ten-geschenke gekregen, en daaraan 'n droevige ervaring te wyten, die
ik verhalen wil uit christelyke belangstelling in 't lot van m'n
lezers. Ik ben namelyk van plan hen straks uittenoodigen Pennewip
natebootsen, op 't oogenblik toen hy bezig was aan z'n hoorders de
akkuzatieve werking van 'n voorzetsel begrypelyk te maken, en mê...
mê riep, ten-einde ieder in-staat
te stellen zich te vereenzelvigen met 's mans schoolmeestery. De
hiertoe vereischte oefening kan noodlottige gevolgen hebben, wanneer
ze zonder oordeel des onderscheids wordt toegepast. Lezer, beproef 't
in 's hemelsnaam niet op straat! Niet op de Beurs! Niet in de Kerk!
Kies tot schouwplaats uwer gymnastie 't geheimste vertrekje van uw
huis, en tracht daar...
Ziehier wat den held van Lafontaine
bejegende. Hy trad de wereld en 'n koffihuis in. Daar zaten eenige
dozynen studie-exemplaren te schaken, te rooken, te drinken en te
praten. Onze nieuweling, vol vertrouwen op de aangeprezen methode,
wilde terstond met z'n studien beginnen. De eerste persoon dien hy in
zichzelf trachtte natedrukken, keek hem gek aan. De tweede gekker.
Onze student beantwoordde dit met 'n spiegelverschyning, eenigszins
vervalscht door sporen van de ontevredenheid die z'n eerste exemplaar
op hem had afgedrukt. De derde zette 'n dreigend gelaat, dat door den
menschen-student zorgvuldig werd nagebootst, en wel zoo nauwkeurig dat
de vierde hem 'n oorveeg gaf. Principiis obstans haastte zich
de leergierige jongeling ook dit gebaar te konterfeiten, en wel met 'n
juistheid die z'n model ontevreden maakte. Er volgden nieuwe gebaren
met handen, voeten en billardstokken, die allen weder zooveel frissche
modellen ter navolging leverden. Het experiment werd gedurig
belangryker, en zelfs pynlyk. De jonge held werd overstelpt met
psychologische gegevens welker stoffelyk gewicht zich zoo duidelyk
begon te openbaren, dat hy weldra te-kort schoot in 't naschetsen van
al de stompen, stooten, slagen en schoppen, die men aan z'n
menschkundige analyse onderwierp. Toen-i eindelyk met vereende kracht
z'n studeerkamer was uitgegooid, en op de straat zich trachtte te
verplaatsen in de houding van z'n modellen, voelde hy als weerslag
zyner gelaatstrekken en bewegingen, allerduidelykst dat ze bezield
waren geweest door zekere verstoordheid.
Of
Lafontaine z'n vertelling sluit met 'n behoorlyk fabula docet,
zou ik niet kunnen zeggen. Voor scherpzinnige lezers is 't niet
noodig. En de anderen heb ik reeds gewaarschuwd.
Wie
alzoo by benadering iets weten wil van de schoolmeestery die in de
Pennewippen spookt, begeve zich naar z'n binnenkamer. Daar zet men
zich aan 'n tafel die verondersteld wordt omringd te zyn van
heilbegeerig gezelschap. De neusknyper wordt te-paard op z'n troon
gezet, en wel zóó dat het vlak der glazen 'n hoek maakt van 450
met de lyn die, langs 't voorhoofd door de neus heen, naar de kin
loopt. Dit is van hoog gewicht. Waartoe zou 'n bril dienen, als men er
niet overheen kon zien? Hierop stelt men 'n gedeelte der spieren
waarmee zich het hoofd beweegt, buiten werking. Van schudden of
knikken is geen spraak meer, maar 't kan nog altyd rechts en links
zich naar een der schouders nygen. Alle voorwaartsche beweging moet
uitgaan van 'n lager geplaatste scharnier, zoodat de heele ruggegraat
in onverstoorbare rechtlynigheid te-pas komt by wat in gewone
omstandigheden 'n eenvoudig hoofdknikje wezen zou. Deze evolutie wordt
met behulp van 'n pivoteerende zwenking op den stoel, zoo menig maal
herhaald als de redenaar goed vindt te verwisselen van toegesproken
persoon. Hy zit dus voortdurend ver genoeg voor-over, om z'n lyder
over 't dan horizontaal liggend oogglas heen, in 't oog te krygen, in
't ééne oog. Dit huist in de zyde van 't hoofd die den schouder
nadert, en die schouder zelf wyst de aan gesproken persoon aan.
Wanneer deze zich links tegen-over de betoogmachine bevindt, vervult
de rechterhand de rol van verstands-wegwyzer, en omgekeerd. Deze
funktien bestaan in 't voorzichtig omhoog steken van tegen elkaar
geklemde duim en wysvinger die, om elk voorkomend geval begrypelyk te
maken, zich moeten aanstellen alsof ze zoo-even met veel moeite 'n
vloo hadden gevangen. Wel zeker! De beteekenis van 't signaal is: ‘ik
vattede’ wat alzoo hier zooveel zeggen wil als: ‘vat ook!’ of ‘vatje?’
Zoo
ziet men hoe alles in de wereld ‘deszelfs eischen heeft’ om met
Pennewip te spreken, tot wien ik nu terugkeer.
De
lezer weet nu precies hoe hy zich den man moet voorstellen op 't
gewichtig oogenblik toen-i de hooge waarde van zeker treurspel
bedemonstreerde.
-
Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet?
- Is
't iets van... 'n schaap, meester?
-
Geenszins, juffrouw. Het woordje met behoort tot de klasse der
voorzetsels...
-
Precies, betuigde Stoffel.
...en
regeert alzoo - let wel op! - den vierden naamval. Die komma of die
apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken, een
afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef wel,
juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met het
vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets
aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?
- Ja,
ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter?
Met tranen in de
oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de zaak gewaar werd. Het
gebluf van de anderen op snel begrip, had hem in den waan gebracht dat
er in dat boekjen iets van die uitgetogen of opgeheven moordtuigen te
zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs, of iets van dien edelknaap
althans. En nu de meester bovendien van afsnyden begon te spreken:
- Ik
zal nooit iets leeren, jammerde hy.
- Dan
moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je wat
uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk
geweest. Senie in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't
er maar niet in krygen.
Dit
kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan met
onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydingsteekens was nog
niet uitgeput.
- Het
zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld worden
in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?
- Ja,
meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.
-
Juist! ‘Degen’ is mannelyk, en ‘dolk’ ook, dit begrypt u?
- Wel
zeker, dat 's heel duidelyk.
En al
de meisjes riepen: zeker, zeker!
De
meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord, en z'n
stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt gelukkig te
maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen eindelyk
domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder, oog, duim en
wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:
-
Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens ‘uitgetogen degen’ juffrouw, of
- indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen - beproef eens
het te verbuigen.
- Ja,
ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen, riep ze. En
jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar, meester? En ik
moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de gort aanbranden...
want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe meid. 't Schepsel
weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe!
Onder
dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van 't
slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van z'n
auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van het
treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten,
zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne
van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met hem
eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt, en
dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken.
[1] 't Ergste was
dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef
zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid. [2]
- Ook
in konjugatien is de man een eerst meester, in konjugatien of...
vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?
De
juffrouwen knikten.
-
Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?
‘Zeker, zeker, heel partikulier!’ schenen alle blikken te antwoorden.
-
Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? ‘Zoo straff' de Hemel my!’
Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken
geplaatst, en gy ziet wel...
- Daar
wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om open te
doen.
Aldus
retireerde zich juffrouw Sertrude.
- Uwe
dan, juffrouw. Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy, of
dat de Hemel...
-
Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! Dat de Hemel...
welnu, hoe is 't verder?
- De
Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze heeft
me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt...
Weg
was Petrò. Ze verzaakte den ‘hemel’ voor vier aardsche duiten, want
zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze
noemde.
En ook
Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig
schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht.
Wouter
torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om te
begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk wel
wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in 't
verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit
voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters.
Hy
droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik wakker. De
onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat allen anderen
zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem vreeselyk. Hy
bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n best te doen
om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als Stoffel of
Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel gevergd
was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam genoeg te
maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige inspanning
wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te onbescheiden
vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver te brengen...
dat ik straffe... dat gy straffet... dat hy... en dan 't
afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon nu zelf
zien hoe hy z'n best deed... straffe... straff'... komma in de
lucht... 'n bleekersjongetje...
Zoo
sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken z'n
slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde!
De
schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle
toespeling op Femken in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken
dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen
dat-i liever koning was geworden - om Femke prinses te maken! - of
kondukteur van zoo'n diligence - om haar ver, vèr weg te brengen naar
'n vreemd land! - of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer
van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot.
Nu ja,
dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet kon, door
z'n verregaande domheid...
Neen,
neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De Heer zal
zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van den kleinen
huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van 't gevraagde.
Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen zware post geweest
zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak dreigde uitteloopen
op den schoot van Femke...
Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, en
wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden heeft.
Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand, niet...
krek is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer de
schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...
[3]
't Is
te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in waarheid,
en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn, dan de ruwaardy
van 'n bleekveld.
Maar
dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in z'n
gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde is
godenplicht. [4]