Idee 1052c.                                                


Een zyner helden had van z'n hofmeister de bedoelde methode om menschen te doorgronden, ten-geschenke gekregen, en daaraan 'n droevige ervaring te wyten, die ik verhalen wil uit christelyke belangstelling in 't lot van m'n lezers. Ik ben namelyk van plan hen straks uittenoodigen Pennewip natebootsen, op 't oogenblik toen hy bezig was aan z'n hoorders de akkuzatieve werking van 'n voorzetsel begrypelyk te maken, en mê... mê riep, ten-einde ieder in-staat te stellen zich te vereenzelvigen met 's mans schoolmeestery. De hiertoe vereischte oefening kan noodlottige gevolgen hebben, wanneer ze zonder oordeel des onderscheids wordt toegepast. Lezer, beproef 't in 's hemelsnaam niet op straat! Niet op de Beurs! Niet in de Kerk! Kies tot schouwplaats uwer gymnastie 't geheimste vertrekje van uw huis, en tracht daar...

Ziehier wat den held van Lafontaine bejegende. Hy trad de wereld en 'n koffihuis in. Daar zaten eenige dozynen studie-exemplaren te schaken, te rooken, te drinken en te praten. Onze nieuweling, vol vertrouwen op de aangeprezen methode, wilde terstond met z'n studien beginnen. De eerste persoon dien hy in zichzelf trachtte natedrukken, keek hem gek aan. De tweede gekker. Onze student beantwoordde dit met 'n spiegelverschyning, eenigszins vervalscht door sporen van de ontevredenheid die z'n eerste exemplaar op hem had afgedrukt. De derde zette 'n dreigend gelaat, dat door den menschen-student zorgvuldig werd nagebootst, en wel zoo nauwkeurig dat de vierde hem 'n oorveeg gaf. Principiis obstans haastte zich de leergierige jongeling ook dit gebaar te konterfeiten, en wel met 'n juistheid die z'n model ontevreden maakte. Er volgden nieuwe gebaren met handen, voeten en billardstokken, die allen weder zooveel frissche modellen ter navolging leverden. Het experiment werd gedurig belangryker, en zelfs pynlyk. De jonge held werd overstelpt met psychologische gegevens welker stoffelyk gewicht zich zoo duidelyk begon te openbaren, dat hy weldra te-kort schoot in 't naschetsen van al de stompen, stooten, slagen en schoppen, die men aan z'n menschkundige analyse onderwierp. Toen-i eindelyk met vereende kracht z'n studeerkamer was uitgegooid, en op de straat zich trachtte te verplaatsen in de houding van z'n modellen, voelde hy als weerslag zyner gelaatstrekken en bewegingen, allerduidelykst dat ze bezield waren geweest door zekere verstoordheid.

Of Lafontaine z'n vertelling sluit met 'n behoorlyk fabula docet, zou ik niet kunnen zeggen. Voor scherpzinnige lezers is 't niet noodig. En de anderen heb ik reeds gewaarschuwd.

Wie alzoo by benadering iets weten wil van de schoolmeestery die in de Pennewippen spookt, begeve zich naar z'n binnenkamer. Daar zet men zich aan 'n tafel die verondersteld wordt omringd te zyn van heilbegeerig gezelschap. De neusknyper wordt te-paard op z'n troon gezet, en wel zóó dat het vlak der glazen 'n hoek maakt van 450 met de lyn die, langs 't voorhoofd door de neus heen, naar de kin loopt. Dit is van hoog gewicht. Waartoe zou 'n bril dienen, als men er niet overheen kon zien? Hierop stelt men 'n gedeelte der spieren waarmee zich het hoofd beweegt, buiten werking. Van schudden of knikken is geen spraak meer, maar 't kan nog altyd rechts en links zich naar een der schouders nygen. Alle voorwaartsche beweging moet uitgaan van 'n lager geplaatste scharnier, zoodat de heele ruggegraat in onverstoorbare rechtlynigheid te-pas komt by wat in gewone omstandigheden 'n eenvoudig hoofdknikje wezen zou. Deze evolutie wordt met behulp van 'n pivoteerende zwenking op den stoel, zoo menig maal herhaald als de redenaar goed vindt te verwisselen van toegesproken persoon. Hy zit dus voortdurend ver genoeg voor-over, om z'n lyder over 't dan horizontaal liggend oogglas heen, in 't oog te krygen, in 't ééne oog. Dit huist in de zyde van 't hoofd die den schouder nadert, en die schouder zelf wyst de aan gesproken persoon aan. Wanneer deze zich links tegen-over de betoogmachine bevindt, vervult de rechterhand de rol van verstands-wegwyzer, en omgekeerd. Deze funktien bestaan in 't voorzichtig omhoog steken van tegen elkaar geklemde duim en wysvinger die, om elk voorkomend geval begrypelyk te maken, zich moeten aanstellen alsof ze zoo-even met veel moeite 'n vloo hadden gevangen. Wel zeker! De beteekenis van 't signaal is: ‘ik vattede’ wat alzoo hier zooveel zeggen wil als: ‘vat ook!’ of ‘vatje?’

Zoo ziet men hoe alles in de wereld ‘deszelfs eischen heeft’ om met Pennewip te spreken, tot wien ik nu terugkeer.

De lezer weet nu precies hoe hy zich den man moet voorstellen op 't gewichtig oogenblik toen-i de hooge waarde van zeker treurspel bedemonstreerde.

- Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet?

- Is 't iets van... 'n schaap, meester?

- Geenszins, juffrouw. Het woordje met behoort tot de klasse der voorzetsels...

- Precies, betuigde Stoffel.

...en regeert alzoo - let wel op! - den vierden naamval. Die komma of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken, een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?

- Ja, ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter?

Met tranen in de oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs, of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van afsnyden begon te spreken:

- Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.

- Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk geweest. Senie in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't er maar niet in krygen.

Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan met onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydingsteekens was nog niet uitgeput.

- Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?

- Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.

- Juist! ‘Degen’ is mannelyk, en ‘dolk’ ook, dit begrypt u?

- Wel zeker, dat 's heel duidelyk.

En al de meisjes riepen: zeker, zeker!

De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord, en z'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt gelukkig te maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder, oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:

- Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens ‘uitgetogen degen’ juffrouw, of - indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen - beproef eens het te verbuigen.

- Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen, riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar, meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe meid. 't Schepsel weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe!

Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van 't slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van z'n auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten, zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met hem eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt, en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. [1] 't Ergste was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid. [2]

- Ook in konjugatien is de man een eerst meester, in konjugatien of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?

De juffrouwen knikten.

- Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?

‘Zeker, zeker, heel partikulier!’ schenen alle blikken te antwoorden.

- Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? ‘Zoo straff' de Hemel my!’ Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken geplaatst, en gy ziet wel...

- Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om open te doen.

Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.

- Uwe dan, juffrouw. Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy, of dat de Hemel...

- Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! Dat de Hemel... welnu, hoe is 't verder?

- De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze heeft me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt...

Weg was Petrò. Ze verzaakte den ‘hemel’ voor vier aardsche duiten, want zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde.

En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht.

Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk wel wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in 't verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters.

Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige inspanning wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver te brengen... dat ik straffe... dat gy straffet... dat hy... en dan 't afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon nu zelf zien hoe hy z'n best deed... straffe... straff'... komma in de lucht... 'n bleekersjongetje...

Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken z'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde!

De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle toespeling op Femken in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen dat-i liever koning was geworden - om Femke prinses te maken! - of kondukteur van zoo'n diligence - om haar ver, vèr weg te brengen naar 'n vreemd land! - of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot.

Nu ja, dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet kon, door z'n verregaande domheid...

Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van den kleinen huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van 't gevraagde. Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen zware post geweest zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak dreigde uitteloopen op den schoot van Femke...

Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand, niet... krek is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten... [3]

't Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in waarheid, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn, dan de ruwaardy van 'n bleekveld.

Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde is godenplicht. [4]


[1] Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt, en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken.

Ja, ik ken dat uit eigen ervaring, o.a. van het onderwijs in de Nederlanse Letterkunde. Niet alles was even vervelend, en niets was moeilijk, maar ... wel, laat ik het zo zeggen: Internationaal gezien zijn de Nederlanders, inclusief zij die nu in Belgen zijn, verbazend goede schilders en tekenaars, om een reden die ik nooit behoorlijk toegelicht heb gezien, maar geheel geen interessante of boeiende schrijvers. Er zijn uitzonderingen, maar zelfs Multatuli is internationaal nooit bijzonder bekend geworden als Groot Schrijver.

Met de Engelsen is het precies omgekeerd: Veel internationaal bekende en erkende grote schrijvers, maar weinig eersteklas schilders of tekenaars. Dat Engels tegenwoordig een wereldtaal is heeft er trouwens weinig mee te maken: Wat volstaat is de internationaal bekende schilders en schrijvers van Engeland en Nederland uit de 16e en 17e eeuw in een lijstje te zetten.
 


[2] 't Ergste was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.

Zou dit autobiografisch zijn? M. had twee oudere broers en een oudere zuster, en maakte het gymnasium niet af. Hoe het zij: Het is niet érg verbazend dat een heel slim jongetje, zoals Woutertje Pieterse, dat opgevoed wordt in een zeer bekrompen milieu waarin hem heel weinig werkelijke kennis en veel dwaalleer en onzin wordt onderwezen, van zichzelf weet zeer veel niet te begrijpen en dat aan z'n eigen vermogens wijt.
 


[3] Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand, niet... krek is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...

Omdat ik het eerder opgevoerd heb en het leerzaam is, is hier nogmaals een link naar Mark Twain's War Prayer.
 


[4] Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde is godenplicht.

Zie 1049b.

Idee 1052c.