Idee 1052b.                                                


De goede Lafontaine - ik bedoel August, den romanschryver, dien we later weer zullen ontmoeten, omdat-i deel nam aan 't opvoeden van onzen Wouter, en dus 'n belangryke rol speelt in z'n leven - de duitsche Lafontaine dan, geeft 'n aardig middel aan de hand om menschen te leeren beoordeelen. Probaat is 't niet, maar we mogen 't ook niet geheel-en-al verwerpen. In de toepassing evenwel is zekere voorzichtigheid noodig.

De student in menschkunde en menschenkennis moet zoo nauwkeurig mogelyk, houding, stem, blik en bewegingen nabootsen, van de exemplaren die hy beoordeelen wil, en daarby letten op de aandoeningen die deze poging by hemzelf te-weeg brengt. Ze zal hem 'n gezichtsveld leveren, waarop zich 't onderwerp zyner nasporingen vry zuiver afspiegelt, of althans silhouetteert. Dat er op meer dan een manier nauwkeurigheid verloren gaat, spreekt vanzelf. [1] Zoowel het nabootsen als de schatting van de daardoor voortgebrachte indrukken is altyd eenigszins inkorrekt, maar... we moeten arbeiden met de werktuigen die we hebben. En 't gevaar van mistasten is zoo heel groot niet, wanneer we ons toeleggen op 't in rekening brengen van de vermoedelyke tarra.

Lafontaine ging voor sentimenteel door. Dat-i tot de school behoorde die aldus genoemd werd, is waar. Zelfs was hy een der voorgangers van die school, en hoofdeigenaar van al de ‘eenzame dalen’ en ‘graftombes’ waarmee onze Feith zoo'n mirobolant effekt maakte. Sommige Nederlandsche schryvers namelyk waren in vroeger tyd niet zeer oorspronkelyk. In de o- en ach-periode diefden ze 't sentiment uit de bovenlanden, waar 't gewoonlyk ook reeds van niet te zuiver gehalte was, en in andere perioden...

Maar dat is veranderd. Tegenwoordig kiezen de schryvers geen andere modellen dan de lieve ryke natuur, en wel uit vaderlandsliefde. Ze vreezen, en te-recht, dat Bismarck geen eerbied hebben zou voor 'n land dat niet eens in 't bezit is van 'n inderdaad oorspronkelyke letterkunde, en daarom... [2]

Wel zeker, 't annexeeren van hollandschen grond zou redelyk wel kunnen worden gerechtvaardigd door 'n beroep op 't annexeeren van duitsche denkbeelden. Daarom ook worden er in Holland nooit vreemde boeken aan 't Volk gegeven. Men vreest te zeer dat dit den nationalen smaak zou voorbereiden op zwart-wit-rood of andere kleuren die ons niet passen. Van hier ook de zorg van onze Regeering voor Nederlandsche kunst. Zy ziet in dat de eigenaardigheid van 'n Volk moet gehandhaafd worden, en dat de ware kracht...

Och, over die kracht heb ik al gesproken op blz. 77. Ik wil maar zeggen dat Bismarck woedend is over de zorg die wy besteden aan onze oorspronkelykheid.

Zelfs Feith en konsorten verloren dit, by al hun krabbedieven niet uit het oog. Ze lieten hun ongelukkige minnaars als veldmuizen sterven, maar om aan Duitschland het voorwendsel te ontnemen tot klachte of... verovering, besloten zy in 'n koncilie van letterkundigen, zich nooit te vergrypen aan humor. Helmers, Loots, Tollens... zy allen beloofden - en hielden woord, waarachtig! - de wereld nooit anders aantezien dan uit 'n versächtig oogpunt. [3]

Een paar verraders zyn er geweest! De juffrouwen Wolf en Deken- één van de twee althans - Loosjes - eventjes! - Bilderdyk... heel eventjes, byna niet, en altyd met God.

Staring was soms op 't punt 'n booswicht te worden. Dit moet ik tot z'n eer erkennen.

Waar ik sommige anderen plaatsen moet, die wèl humorizeerden, maar... hoe zal ik 't zeggen? Hen die toch kans zagen te stelen ook, en 't gestolene nog te vervalschen...

Nagevolgde humor is altyd valsch.

... en als men dan bovendien nog modellen kiest, die reeds zelf zoo bitter lyden aan wurmstekigheid, Jean-Paul, Claudius den Wandsbecker bode... och!

En den zoeterigen Hebel met z'n Schwäbisch, en Hölty...

Kortom, wie de duitsche litteratuur wil leeren kennen van 1760 af, tot... hm, hm... toe, moet zich 'n kompleet stel hollandsche Letteroefeningen en Muzen-almanakken aanschaffen. Daarin vindt men alles - neen, byna alles - zoo ongeveer tegen den tyd toen men 't in Duitschland begon te vergeten. [4]

Alles... op 't oorspronkelyke na. Op den van de Natuur afgekeken humor na.

Apol bewaar me dat ik de Duitschers zoo ryk zou vinden in dit opzicht! Maar toch is 't opmerkelyk hoe konscientieus zich de hollandsche schryvers onthielden van stroopen op dàt gebied. Was 't medelyden met armoed? Neen, neen, 't was inderdaad vaderlandsliefde, gelyk ik reeds poogde uitteleggen.

Een voorbeeld van die kieschheid? Men heeft nooit dien ‘overgevoeligen’ Lafontaine nagevolgd in z'n zoo goed gelukte grepen in 't dagelyksch leven. Of men niet inzag dat hy hierin de officieele helden van den dag, Göthe en Schiller, ver te-boven ging - moeielyk was 't niet! - of dat men 't by al die tranen en hysterische gevoelskitteling van andere soort, niet deftig genoeg vond, waag ik niet te beslissen.

Welnu dan, Lafontaine was humorist. 't Is hem gelukt hier-en-daar de natuur te betrappen op ondeugendheidjes die meer waard zyn dan 't eenzaamste dal vol kerkhoven en gebroken harten. Dat z'n Publiek er niet op lette, en volstrekt schreien wilde, kon hy niet helpen. Misschien leverde hy al die tranen om den broode, en nu-en-dan wat waarheid als toegift voor eigen liefhebbery.


[1] De student in menschkunde en menschenkennis moet zoo nauwkeurig mogelyk, houding, stem, blik en bewegingen nabootsen, van de exemplaren die hy beoordeelen wil, en daarby letten op de aandoeningen die deze poging by hemzelf te-weeg brengt. Ze zal hem 'n gezichtsveld leveren, waarop zich 't onderwerp zyner nasporingen vry zuiver afspiegelt, of althans silhouetteert. Dat er op meer dan een manier nauwkeurigheid verloren gaat, spreekt vanzelf.

Inderdaad, en het gegeven advies is goed, maar ikzelf geloof dat de essentie van de zaak niet in het "nabootsen" zit, al dan niet nauwkeurig, maar in het weten dat wat men doet "nabootsen" is: Het bewust en opzettelijk spelen van een rol; het zich ànder voordoen dan men denkt en voelt dat men is.

En het huichelachtige hier, in deze hypocrisie (= toneelspelerij, in het Grieks), komt vooral door de valse pretentie dat men géén rol speelt terwijl men dat wèl doet; dat men niet liegt terwijl men wel liegt; dat men doet alsof men iets is dat men niet is.
 


[2] Tegenwoordig kiezen de schryvers geen andere modellen dan de lieve ryke natuur, en wel uit vaderlandsliefde. Ze vreezen, en te-recht, dat Bismarck geen eerbied hebben zou voor 'n land dat niet eens in 't bezit is van 'n inderdaad oorspronkelyke letterkunde, en daarom...

Hier geeft M. natuurlijk, hoewel sarcastisch, zijn eigen standpunt: Nederland kent geen of vrijwel geen oorspronkelijke literatuur, want vrijwel alles wat daarvoor doorgaat is nagedaan of afgekeken van buitenlandse voorbeelden, en dat is voor het voortbestaan van Nederland gevaarlijk.
 


[3] Ze lieten hun ongelukkige minnaars als veldmuizen sterven, maar om aan Duitschland het voorwendsel te ontnemen tot klachte of... verovering, besloten zy in 'n koncilie van letterkundigen, zich nooit te vergrypen aan humor. Helmers, Loots, Tollens... zy allen beloofden - en hielden woord, waarachtig! - de wereld nooit anders aantezien dan uit 'n versächtig oogpunt.

Het is waar dat er heel weinig echte humor te vinden is in de Nederlandse literatuur, maar ook waar dat er onder Multatuli's tijdgenoten toch minstens twee behoorlijk humoristische dichters waren, waar M. ook van wist, en waarvan hij in ieder geval de eerste op prijs stelde: De Schoolmeester (Gerrit van der Linden) en Piet Paaltjens (François HaverSchmidt).

En het oogpunt van de anderen was niet zozeer "versächtig" als moreel verheven: Men beoogde met Literatuur nobele doelen te dienen, en edele gevoelens uit te drukken en ten voorbeeld te stellen.


[4] Kortom, wie de duitsche litteratuur wil leeren kennen van 1760 af, tot... hm, hm... toe, moet zich 'n kompleet stel hollandsche Letteroefeningen en Muzen-almanakken aanschaffen. Daarin vindt men alles - neen, byna alles - zoo ongeveer tegen den tyd toen men 't in Duitschland begon te vergeten.

Hier is M. ongetwijfeld ook opzettelijk sarcastisch. Ik vermoed dat Neerlandistieke letterkundigen zullen willen beweren dat M. te neerbuigend is over de Nederlandse literatuur uit de 18e en 19e eeuw, en dat daar best, naast Multatuli, het een en ander aan origineel werk is te vinden, bijvoorbeeld van de hand van de hierboven genoemde Schoolmeester of Piet Paaltjens, of anders toch wel die zo bijzonder humoristische Camera Obscura van Beets.

Ik zeg niet nee, hoewel ik me Beets alleen als plaag kan heugen, maar vermoed dat M. een groter gelijk heeft dan Nederlandse letterkundigen, wier vak het is om Nederlandse literatuur mooi te vinden, zouden willen toegeven, vooral als men zich richt op waar M. het vooral heeft: De alledaagse populaire schrijvers van hun tijd, die nu allang niet meer gelezen of herdrukt worden vanwege hun opgelegde saaiheid, dorheid en vaderlandslievende bravigheid.

Idee 1052b.