Idee 1051c.                                                


In Nederlandsch-Indie heeft men by benoeming van ambtenaren by 't binnenlandsch bestuur, de gewoonte zich o.a. de vraag voorteleggen, of de kandidaat kennis heeft van inlandsche zaken? [1] Dat er nu-en-dan wordt afgeweken, van dezen regel moge waar zyn, regel is het. 

Zou 't niet wenschelyk zyn, iets dergelyks intevoeren in Nederland? En zou misschien myn arbeid kunnen meewerken om dat doel te bereiken?

Indien we eens ministers aan 't hoofd stelden, die Menschkunde hadden beoefend in 't algemeen, en kennis van den Nederlander in 't byzonder? [2]

Ik zie echter in dat dit laatste niet voldoende wezen zou. De studie moest zeer uitdrukkelyk het deel des Volks betreffen, dat niet in officieele aanraking komt met mannen van de pen. De filantroop bestudeert den arme, of kan geacht worden dien te bestudeeren. De kriminalist samelt misdadigerskunde, of is daartoe in de gelegenheid. De romanschryver zoekt gewoonlyk z'n sujetten in de hoogere standen der maatschappy. En waar hy lager daalt, gebruikt-i meestal uit behoefte aan tegenstelling slechts den àllerlaagsten.

Maar de groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter, noch de filosoof, noch de staatsman. [3] Ze staat voor politie en justitie te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is onpoëtisch.

Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den stipten zin dien ik aan al die benamingen hecht. Doch als men met de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor 'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. [4] En juist dááronder leed hy. En hoe hy in z'n gedachten dat ondichterlyke van z'n toestand noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin 'n benaming voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam 't hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel minder nog zich daartegen-over te stellen. [5]

Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n venster reden. Dat vice-versa en sauvegarde - zóó stond er op de postwagens in zyn tyd - kwamen hem voor als tooverspreuken die hy wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél ver, misschien wel van Rotterdam! En zouden nu al die personen permissie hebben van hunne moeders, om zoo maar de heele wereld doorteryden? En zou ieder nu precies weten waar-i wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n koetsier, en de man die naast hem zat met 'n trompet... och, die menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch aangelegd om 't zoo ver te brengen? En hoe konden zy zoo precies in 't heele land den weg weten? En hoe of ze 't wel maakten met de roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!

Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op den nieuwen broek en de verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: ‘den medicynmeester meer eer te geven dan den Heere.’ Wouter moest eerst z'n kerkgang doen, zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de Heer z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.

- Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche broek van Laurens zoo netjes ‘ingenomen’ is...

- Dat zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad leiden, betuigde juffrouw Laps.

- Maar zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen omdat-i nog niet in de kerk geweest is?

- Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk eens! En al dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me, juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door Laurens z'n broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat vraagt de man er voor?

Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker, zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy aan juffrouw Laps, hoelang zy in de woestyn geweest was?

- Heb je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe, weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige Land, en... 't is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van den jongen hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n wyzigheid moeten verleeren.

- Maar 't kind heeft niets miszeid, juffrouw!

- Zoo? Vindt uwe dat? Nu, ik vind dan op myn beurt...

We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit. [6] Juffrouw Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters eenvoud.

En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!

Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit, door flinkweg al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel te verklaren.

- Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste klasse. [7] Myn jonge vriend hier - hy wees op Stoffel - heeft my uw vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En het is juist hierom dat ik...

- Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester expres daarom hier gekomen was. 't Is maar, zieje, dat Stoffel by-toeval...

- Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over die zaak te spreken. 

Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. [8] De ‘zinnelykheid’ kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen tot-i groot was. [9]

- Maar, meester, uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.

Dit woord ‘wereldsch’ heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te geven aan zoo'n aanval.

- Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...

- Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg ik maar! 't Staat in de Schrift!

Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.

Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van 'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan de redeneering waaruit ze voortsproot. [10] De afgezaagde tegenstelling van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: wereld, zinnelykheid, vleeschelyke begeerten, enz. heeft die uitdrukkingen tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken, al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die klanken zich 't denken heeft afgewend. [11] - Zie over Drutni-deuntjes, 't noodige in Bundel III! - Dit is ook van toepassing op heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met open mond zat te luisteren.

Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op 't altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen, en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen van haar sterk gesuikerde thee.

Wat overigens dat ‘wereldsche’ van den Schouwburg aanging, de man scheen er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd 'n wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n neusknypertje! En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat ànders?

Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der geloovery hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n uiterste schuilhoeken:

- Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft ook op 'n komedie gespeeld - althans zoo zeggen de menschen - en ze is getrouwd... laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar na, meester - uwe ziet dat ik de waarheid zeg! - zes maanden, zeg ik, en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!

O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde. [12] Helder was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den ‘Onechte Zoon.’ Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken tusschen de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe gekomen was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n komedie met zang en muziek... 'n opera, zooals Stoffel dat genoemd had. Die muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek. Maar 't benauwde hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen.

Juffrouw Laps ging voort:

- Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrristis-wil terecht komen van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè? [13]

Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik, en mompelde iets van ‘christelyke liefde en Gods byzondere goedheid.’ Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet nederzitten met de goddeloozen. [14] En dàt had de juffrouw boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo'n komedie...

- Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of eergister, viel juffrouw Pieterse in.

- Dàt's mogelyk, maar ik houd me-n-aan de Schrift. En daarin staat van geen komedie.

Men ziet dat juffrouw Laps nog altyd geen kennis droeg van de kritische nasporingen die vry zeker hebben uitgemaakt dat het Hooglied 'n drama is. En, al had ze daarvan iets geweten, ze zou die gissing hebben verworpen als ‘wereldsch.’

Het is zoo gemakkelyk niet, de zielkundige redenen te ontwikkelen waarom 't schepsel dat de liederlykheid zelf was - de lezer zal 't weten op z'n tyd - iets onfatsoenlyks zou gevonden hebben in de erotische tint van dat prachtwerk, zy die 't onäanstootelyk vond, en verheven zelfs, zoolang ze zich opdrong dat de lieve Sulamite de bruidelyke Kerk van den Heere Jezus beteekende. En - zonderling! - deze afkeer van natuurlyk-eenvoudige opvatting was alweer geen volstrekte huichelary. De personen van haar soort zyn te verkerkt om iets schoons te vinden in de naïve schildering van aandoeningen die zy in zichzelf slechts te beschouwen kregen als gniepige uitspatting. Zoo'n Hooglied waarvan zy de majestueuze oprechtheid voorbyzien of miskennen, schynt hun precies te gelyken op de walgelyke pekelzondjes die zy in alle stilte beoefenen om wat bezigheid te geven aan Gods onuitputtelyke genade.

En, omgekeerd, ze zouden de wanhopig ver gezochte toespeling van dat stuk op Kerkleer, niet zoo met hand en tand vasthouden, indien niet juist het erotisch element dat ze negeeren, de zaak zoo aantrekkelyk maakte. [15] Het zoeken en vinden van 'n christologische beteekenis in dat prikkelend drama, is 'n voorwendsel om - heel, héél in den geloove, en dus onzondig - te snoepen van 'n vrucht, die tot de verbodene zou behooren zoodra men ophield den boom waarvan ze geplukt werd, te doopen met den naam van dogmatiek.

Hoogstwaarschynlyk is deze redeneering zoowel van toepassing op de geschiedenis van den bybel, als op individuen. Kerkvaders en Bisschoppen, die in koncilien - en dus met de zeer werkdadige hulp van den H. Geest - van-tyd tot-tyd uitmaakten wat beschouwd moest worden als volkomen heilig, wat als byna heilig, en aan welke geschriften maar heel eventjes 'n geurtje van heiligheid mocht gevonden worden, hebben Salomo's Hooglied nooit onder de apokriefe boeken geplaatst. Hoogstens gaf men toe dat het misschien van 'n anderen auteur was - 'k wou dat ik 't geschreven had! - maar kanoniek verbindend is 't altyd gebleven. De menschkundige godsdienst-beredderaars hebben ten-allen-tyde ingezien dat ze in hun industrie 't hysterisch element niet missen konden, en dus den bybel niet mochten berooven van zoo'n vermakelyk Hoofdstuk. Liever alzoo dan het om de zinnelykheid te brandmerken, en te bannen als ‘onecht’ verhieven ze, zonder de minste schade voor gewenschte en bruikbare prikkeling, die zinnelykheid zelf tot 'n heilig symbool. 't Had er iets van, alsof de man die vasten wil en vleesch-eten tegelyk, z'n patrys 'n luchtvisch noemt. Met zulke handigheden is veel te bereiken. [16]

Maar och, aan dit alles dacht juffrouw Laps evenmin als zoo'n patrys. Misschien ook waren die Kerkvaders niet zoozeer menschenkenners, als wel in 't bezit der onbewuste geslepenheid die we dikwyls aantreffen by de domste personen. [17] Men hoeft immers geen genie te zyn om de menigte te foppen die... nu eenmaal géén genie is?

Hoe dit zy, onze geloofsheldin zou veel minder dan ik geweten hebben van de oorzaken die haar beletten de gissing aantenemen dat er in 't Hooglied maar wereldsche zaken worden behandeld... als ze van die gissing iets geweten had. Het ware haar te staan gekomen op haar stichtelykste lektuur. Dus... Renan moest ongelyk hebben, 'n jaar of veertig daarna.

Wat Pennewip aangaat, hy durfde zelfs haar begrippen omtrent gewone komedies niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht. Toch was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie? [18]


[1] In Nederlandsch-Indie heeft men by benoeming van ambtenaren by 't binnenlandsch bestuur, de gewoonte zich o.a. de vraag voorteleggen, of de kandidaat kennis heeft van inlandsche zaken?

In 't Nederland waarin ik leef, anno 2006, heeft geen 15% van de ambtenaren ooit een functionerings-gesprek gehad. Het is dus niet zo verwonderlijk dat hooguit 1 op de 10 Nederlandse ambtenaren die ik trof de afgelopen 30 jaar ook maar enigszins moreel behoorlijk of intellectueel redelijk was: Ze staan feitelijk boven of beneden de wet die ze betaald worden te handhaven, en wéten dit. Zie ook onder 116. In dat en dit verband - en ik méén het lezer:

Het eerste, dringendste en belangrijkste dat in Nederland moet veranderen wil het ooit nog beschaafd worden is het geheel opheffen van de ambtelijke stand.
 


[2] Indien we eens ministers aan 't hoofd stelden, die Menschkunde hadden beoefend in 't algemeen, en kennis van den Nederlander in 't byzonder?

Nee, dat lijkt me geen goed idee, al lijkt het me wel een goed idee om minimum-normen te stellen voor wat een kamerlid of minister moet kunnen en kennen, en daarop te toetsen. Maar ik denk dan niet aan psychologie e.d. maar aan wetenschap, wiskunde en geschiedenis.

Bijvoorbeeld .... als we om te beginnen eens zouden eisen dat een kamerlid gepromoveerd moet zijn in een natuurwetenschap, dan zouden we toch met één slag van vrijwel het hele - misschien wel het hele! - huidige kamer-dolhuis van incompetente praatjesmakers en beroepsleugenaars af zijn, en zouden we althans op iemand kunnen stemmen die niet evident een leeghoofd is, nietwaar? Ja, het is een utopisch ideaal, lezer. Maar zie een politiek voorstel dat ik ooit formuleerde.
 


[3] Maar de groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter, noch de filosoof, noch de staatsman.

De eerste zin is een aardige zegswijze, en is waar in 't algemeen: De meeste menselijke individuen hebben geen eigen geschiedschrijver, en worden geboren, leven en sterven zonder dat het nageslacht, met wie hetzelfde gebeurt, veel of zelfs maar iets van ze weet. (Wellicht dat dit in de nabije toekomst verandert, als het overigens nogal beangstigende plan - vanwege de vele tirannen en dictatoriale staten in de geschiedenis - doorgevoerd is alle levende burgers van een persoonsbewijs te voorzien.)

De tweede zin is zeker niet waar, ook niet voor Multatuli's eigen tijd, wat de laatste vier - tsja - beroepsgroepen betreft. Terwijl Multatuli dit idee schreef waren er in de meest recente Nederlandse encyclopedieën al lemma's voor "communisme" en "socialisme", terwijl Marx - 1818-1883 - een vrijwel exacte tijdgenoot van Multatuli - 1820-1887 - was, en "Das Kapital" al gepubliceerd had. Zie ook het werk van Le Play dat Multatuli in idee 451 citeert.
 


[4] Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor 'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf.

O? De verteller van Peruaanse sprookjes? De enthousiaste lezer van Glorioso? De schrijver van het Rooverslied? De zelfbeoogd koning van Afrika? Geen "behoorlyk heldje"? Ikzelf, die toch ook een jongetje is geweest, zou aannemen dat het jongetjes aangeboren is held te willen wezen, in het een of ander.  
 


[5] Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam 't hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel minder nog zich daartegen-over te stellen.

Multatuli verzette zich vooral tegen het benepene in het Protestantisme, dat in zijn tijd en eeuwen daarvoor behoorlijk tot zeer drukkend en levensvreugde-bedervend moet zijn geweest.
 


[6] De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit.

Inderdaad, als in het sprookje van de kleren van de keizer.
 


[7] - Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste klasse.

En we mogen hier wel opmerken dat het nog steeds zo is onder mensen dat "de zeer algemeene" dwalingen waaronder zij leven en lijden vooral die van "de allerbekrompenste klasse" zijn, gedicteerd door domheid of onwetendheid en plaatselijk vooroordeel.
 


[8] Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene.

Ook ik heb dat gedaan, niet zonder schroom, onder 423 en 817.
 


[9] De ‘zinnelykheid’ kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen tot-i groot was.

Zoals vele geslachten telkens weer gebeurde, behalve dat de meerderheid er ook in volwassenheid gearriveerd nog steeds vooral beschaamd over deed. Dit hangt samen met een verschijnsel waar deze passage over gaat: Dat kinderen heel snel leren waarover een welopgevoed kind niet mag spreken, en wat niet deugt, niet netjes is, niet past, en "dus" niet besproken wordt, behalve indirect en onduidelijk. Dit is kennelijk een heel belangrijk opvoedings-mechanisme: De zelf-censuur van kinderen ingegeven door de suggesties van ouders dat zekere thema's niet behoorlijk zouden zijn, en niet bediscussieerd behoren te worden.
 


[10] Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van 'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan de redeneering waaruit ze voortsproot.

Nee, niet precies: 't Ligt niet aan de klank of eigenaardigheid ervan, al helpt dat laatste, maar aan de doorsnee domheid. De grote meerderheid meent vrijwel alles te kennen en begrijpen van een zaak die een behoorlijk mens moet weten als ze de naam ervoor kennen, en weten hoe deze  grammaticaal te gebruiken.
 


[11] De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die klanken zich 't denken heeft afgewend.

Nee, ook niet precies: Men kon gewoonlijk om te beginnen al niet behoorlijk nadenken, en wilde dit meestal ook niet. Men zocht begrippen en termen die de eigen vooroordelen sterkten, en de eigen wensgedachten ondersteunden.
 


[12] O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde.

Zie [9]. En hoewel tegenwoordig het klein kroost de porno van het internet kan halen en kennelijk wat eerder en beter sexueel voorgelicht wordt dan vroeger (letterkundig terzijde: aan gestoord-pedante schoolmeesterlijke spellings-nieuwlichterij als "seksueel" doe ik zo min als aan "kserkses" of "ksenofobie"), heb ik niet de indruk dat "de jeugd van tegenwoordig" veel zinniger of vrijer is inzake sexualiteit dan in mijn tienerjaren, die in de zestiger jaren van de twintigste eeuw vielen. De reden is kennelijk vooral dat het emotionerend is, en in het begin vreemd, en dat goede sex vooral een kwestie van wederszijds vertrouwen en begrip is, en dat nog steeds "l'enfer, c'est les autres", ondanks voorlichtende boekjes, videoos en TV-programmas.

Trouwens.... de moderne sexuele voorlichsters, vooral, zijn om zeer van te schrikken, voor de wat meer gevoelige geesten. Wie voorbereid is op Het Wonder Van De Liefde aan de video-hand van Katrien Keyl of Hummie van der Tonnencreek zal pijnlijk teleurgesteld worden, vrees ik.
 


[13] - Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrristis-wil terecht komen van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?

Voor Multatuli's Ideen hierover zie het begin van Ideen II.
 


[14] Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet nederzitten met de goddeloozen.

Ook in dit opzicht was juffrouw Laps een heel typische gelovige, van om het even welk geloof. Het geloof mag prediken dat alle mensen gelijk zijn, of bemind behoren te worden, of althans behoorlijk behandeld, maar de gelovigen van het geloof plegen deze geloofsinstructies, op z'n allerbest bovendien, alleen te handhaven tegen leden van hun eigen geloof.

In dit verband: Het hele Christelijke leerstuk van "Bemin uw naasten gelijk uzelve", "Hebt uw buren lief als uzelve" etc. klinkt fraai maar is feitelijk, vanwege de gemiddelde menselijke vermogens en aandriften, in de praktijkt vrijwel alleen een aansporing tot schijnheiligheid, leugens en poses. Het gaat namelijk de gewone menselijke vermogens ver te boven.
 


[15] En, omgekeerd, ze zouden de wanhopig ver gezochte toespeling van dat stuk op Kerkleer, niet zoo met hand en tand vasthouden, indien niet juist het erotisch element dat ze negeeren, de zaak zoo aantrekkelyk maakte.

Ongetwijfeld, en opgemerkt lang vóór Freud.
 


[16] 't Had er iets van, alsof de man die vasten wil en vleesch-eten tegelyk, z'n patrys 'n luchtvisch noemt. Met zulke handigheden is veel te bereiken.

Ja, en het is een uitleg in één zin van het hele mechanisme van Bijbel-verklaring door metaforen, gelijkenissen etc.: Verander patrijzen in luchtvissen, en onwaarheden in gelijkenissen, en je kunt je overal uitdraaien, bovendien met een schijn van eer en scherpzinnigheid. Multatuli behandelt deze aanpak o.a. in idee 452.
 


[17] ... als wel in 't bezit der onbewuste geslepenheid die we dikwyls aantreffen by de domste personen.

Dit gaat over kerkvaders, die mij zo dom niet voorkomen, maar dat is terzijde. Multatuli had de bedoelde geslepenheid in het geheel niet, en deze komt neer op het altijd onderkennen van het eigenbelang dat een zaak heeft: "Wat is hier mìjn voordeel aan, als ik handig ben?" is de vraag die de aldus geslepen persoon zich al dan niet bewust stelt. En: "Hoe kan ik dit, of hem, of haar, voor mijn belang gebruiken?", "Hoe word ik hier beter van?". Voor deze zeer normale menselijke oriëntatie is inderdaad vrijwel geen intelligentie nodig.
 


[18] Maar: geloof, schoolmeestery en verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie?

Laat ik voor de verandering weer eens een letterkundig opmerkinkje plaatsen en een vertaling bieden van "cerberus van biologie": Hellehond van hypnose - want M. gebruikte "biologie" voor "hypnose".

Idee 1051c.