In Nederlandsch-Indie
heeft men by benoeming van ambtenaren by 't binnenlandsch bestuur, de
gewoonte zich o.a. de vraag voorteleggen, of de kandidaat kennis heeft
van inlandsche zaken? [1] Dat er nu-en-dan wordt afgeweken, van dezen
regel moge waar zyn, regel is het.
Zou 't
niet wenschelyk zyn, iets dergelyks intevoeren in Nederland? En zou
misschien myn arbeid kunnen meewerken om dat doel te bereiken?
Indien
we eens ministers aan 't hoofd stelden, die Menschkunde hadden
beoefend in 't algemeen, en kennis van den Nederlander in 't
byzonder? [2]
Ik zie
echter in dat dit laatste niet voldoende wezen zou. De studie moest
zeer uitdrukkelyk het deel des Volks betreffen, dat niet in officieele
aanraking komt met mannen van de pen. De filantroop bestudeert den
arme, of kan geacht worden dien te bestudeeren. De kriminalist
samelt misdadigerskunde, of is daartoe in de gelegenheid. De
romanschryver zoekt gewoonlyk z'n sujetten in de hoogere standen der
maatschappy. En waar hy lager daalt, gebruikt-i meestal uit behoefte
aan tegenstelling slechts den àllerlaagsten.
Maar
de groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen
geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de
physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter,
noch de filosoof, noch de staatsman. [3] Ze staat voor politie en justitie
te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is onpoëtisch.
Ik zou
waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den stipten
zin dien ik aan al die benamingen hecht. Doch als men met de
dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen
verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der
Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid in, den lezer
belangstelling inteboezemen voor 'n romanheldje dat, by-gebrek aan
roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje wezen kan.
Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich voor zooiets
uitgaf. [4] En juist dááronder leed hy. En hoe hy in z'n gedachten dat
ondichterlyke van z'n toestand noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had
er evenmin 'n benaming voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens,
iets benepens. Ook kwam 't hem niet in den zin, zich aftescheiden van
z'n omgeving, veel minder nog zich daartegen-over te stellen.
[5]
Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die
poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem
kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n
venster reden. Dat vice-versa en sauvegarde - zóó stond
er op de postwagens in zyn tyd - kwamen hem voor als tooverspreuken
die hy wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks
schuilen moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te
komen, van héél ver, misschien wel van Rotterdam! En zouden nu al die
personen permissie hebben van hunne moeders, om zoo maar de heele
wereld doorteryden? En zou ieder nu precies weten waar-i wezen moest,
en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n koetsier, en de
man die naast hem zat met 'n trompet... och, die menschen waren toch
ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch aangelegd om 't
zoo ver te brengen? En hoe konden zy zoo precies in 't heele land den
weg weten? En hoe of ze 't wel maakten met de roovers? Of zouden die
alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!
Hy was
nu geheel hersteld, en wachtte slechts op den nieuwen broek en de
verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de
afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by
den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze
was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: ‘den medicynmeester
meer eer te geven dan den Heere.’ Wouter moest eerst z'n kerkgang
doen, zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de
Heer z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op
rekenen.
- Gut,
mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de
moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche
broek van Laurens zoo netjes ‘ingenomen’ is...
- Dat
zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad leiden,
betuigde juffrouw Laps.
- Maar
zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen omdat-i nog
niet in de kerk geweest is?
- Wat
beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel veertig
dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk eens! En al
dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me, juffrouw
Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door Laurens z'n
broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat vraagt de man
er voor?
Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker,
zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam
hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy
aan juffrouw Laps, hoelang zy in de woestyn geweest was?
- Heb
je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de ondeugendigheid
vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn geweest, en dat
hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe, weetje, en... om de
andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige Land, en... 't is
lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch verlegen maken.
Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van den jongen
hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n wyzigheid
moeten verleeren.
- Maar
't kind heeft niets miszeid, juffrouw!
- Zoo?
Vindt uwe dat? Nu, ik vind dan op myn beurt...
We
schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r
verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat
grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit.
[6] Juffrouw
Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters
eenvoud.
En
zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met het
beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou de
komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot
voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!
Na de
gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't onderwerp
gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te brengen. Ze
liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit, door flinkweg
al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel te verklaren.
- Uwe
verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer
algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste
klasse. [7] Myn jonge vriend hier - hy wees op Stoffel - heeft my uw
vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En
het is juist hierom dat ik...
- Dat moet je nu niet
zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester expres daarom hier
gekomen was. 't Is maar, zieje, dat Stoffel by-toeval...
-
Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over die zaak
te spreken.
Als om
deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper
voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van
vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene.
[8] De
‘zinnelykheid’ kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de
beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy
zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek naar
die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen tot-i
groot was. [9]
-
Maar, meester, uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n
wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.
Dit
woord ‘wereldsch’ heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n
onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te
geven aan zoo'n aanval.
-
Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche
zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in
dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...
-
Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg ik
maar! 't Staat in de Schrift!
Het
doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze
gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel
durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.
Het
ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer
groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van 'n
wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige
benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan de
redeneering waaruit ze voortsproot. [10] De afgezaagde tegenstelling van
zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: wereld,
zinnelykheid, vleeschelyke begeerten, enz. heeft die uitdrukkingen
tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat
verschrikken, al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot
nagenoeg zuivere redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang
gebruik van die klanken zich 't denken heeft afgewend. [11] - Zie over
Drutni-deuntjes, 't noodige in Bundel III! - Dit is ook van
toepassing op heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit
oogenblik met open mond zat te luisteren.
Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De goeie
man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op 't
altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet
aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg
geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen, en
haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen van
haar sterk gesuikerde thee.
Wat
overigens dat ‘wereldsche’ van den Schouwburg aanging, de man scheen
er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd 'n
wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n
neusknypertje! En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat
ànders?
Ach,
hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der geloovery
hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep dat ze aan de
winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n uiterste
schuilhoeken:
-
Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al zulke
dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je nu by
my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft ook op
'n komedie gespeeld - althans zoo zeggen de menschen - en ze is
getrouwd... laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar
na, meester - uwe ziet dat ik de waarheid zeg! - zes maanden, zeg ik,
en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik
hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!
O, o,
o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks
optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de
ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of
in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit
alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de
moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten
beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde.
[12] Helder
was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde
inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den ‘Onechte
Zoon.’ Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken tusschen
de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide
onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw
Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat
hy ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe
gekomen was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook
dat probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer
benieuwd naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n
komedie met zang en muziek... 'n opera, zooals Stoffel dat
genoemd had. Die muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet
voor. Hy voelde inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek.
Maar 't benauwde hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen.
Juffrouw Laps ging voort:
- Ik
vraag uwe, meester, wat kan er om Krrristis-wil terecht komen van
zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè? [13]
Wouter
werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik, en mompelde iets
van ‘christelyke liefde en Gods byzondere goedheid.’ Maar juffrouw
Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde... goedheid... nu ja,
voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet nederzitten met de
goddeloozen. [14] En dàt had de juffrouw boven den spekslager gedaan! En
daarom zei zy maar dat zoo'n komedie...
-
Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of eergister,
viel juffrouw Pieterse in.
-
Dàt's mogelyk, maar ik houd me-n-aan de Schrift. En daarin staat van
geen komedie.
Men
ziet dat juffrouw Laps nog altyd geen kennis droeg van de kritische
nasporingen die vry zeker hebben uitgemaakt dat het
Hooglied 'n drama is. En, al had ze
daarvan iets geweten, ze zou die gissing hebben verworpen als
‘wereldsch.’
Het is
zoo gemakkelyk niet, de zielkundige redenen te ontwikkelen waarom 't
schepsel dat de liederlykheid zelf was - de lezer zal 't weten op z'n
tyd - iets onfatsoenlyks zou gevonden hebben in de erotische tint van
dat prachtwerk, zy die 't onäanstootelyk vond, en verheven zelfs,
zoolang ze zich opdrong dat de lieve Sulamite de bruidelyke Kerk van
den Heere Jezus beteekende. En - zonderling! - deze afkeer van
natuurlyk-eenvoudige opvatting was alweer geen volstrekte huichelary.
De personen van haar soort zyn te verkerkt om iets schoons te vinden
in de naïve schildering van aandoeningen die zy in zichzelf slechts te
beschouwen kregen als gniepige uitspatting. Zoo'n Hooglied
waarvan zy de majestueuze oprechtheid voorbyzien of miskennen, schynt
hun precies te gelyken op de walgelyke pekelzondjes die zy in alle
stilte beoefenen om wat bezigheid te geven aan Gods onuitputtelyke
genade.
En,
omgekeerd, ze zouden de wanhopig ver gezochte toespeling van dat stuk
op Kerkleer, niet zoo met hand en tand vasthouden, indien niet
juist het erotisch element dat ze negeeren, de zaak zoo aantrekkelyk
maakte. [15] Het zoeken en vinden van 'n christologische beteekenis in dat
prikkelend drama, is 'n voorwendsel om - heel, héél in den geloove, en
dus onzondig - te snoepen van 'n vrucht, die tot de verbodene zou
behooren zoodra men ophield den boom waarvan ze geplukt werd, te
doopen met den naam van dogmatiek.
Hoogstwaarschynlyk is deze redeneering zoowel van toepassing op de
geschiedenis van den bybel, als op individuen. Kerkvaders en
Bisschoppen, die in koncilien - en dus met de zeer werkdadige hulp van
den H. Geest - van-tyd tot-tyd uitmaakten wat beschouwd moest worden
als volkomen heilig, wat als byna heilig, en aan welke
geschriften maar heel eventjes 'n geurtje van heiligheid mocht
gevonden worden, hebben Salomo's Hooglied nooit onder de
apokriefe boeken geplaatst. Hoogstens gaf men toe dat het misschien
van 'n anderen auteur was - 'k wou dat ik 't geschreven had! - maar
kanoniek verbindend is 't altyd gebleven. De menschkundige
godsdienst-beredderaars hebben ten-allen-tyde ingezien dat ze in hun
industrie 't hysterisch element niet missen konden, en dus den bybel
niet mochten berooven van zoo'n vermakelyk Hoofdstuk. Liever alzoo dan
het om de zinnelykheid te brandmerken, en te bannen als ‘onecht’
verhieven ze, zonder de minste schade voor gewenschte en bruikbare
prikkeling, die zinnelykheid zelf tot 'n heilig symbool. 't Had er
iets van, alsof de man die vasten wil en vleesch-eten tegelyk, z'n
patrys 'n luchtvisch noemt. Met zulke handigheden is veel te bereiken.
[16]
Maar
och, aan dit alles dacht juffrouw Laps evenmin als zoo'n patrys.
Misschien ook waren die Kerkvaders niet zoozeer menschenkenners, als
wel in 't bezit der onbewuste geslepenheid die we dikwyls aantreffen
by de domste personen. [17] Men hoeft immers geen genie te zyn om de
menigte te foppen die... nu eenmaal géén genie is?
Hoe
dit zy, onze geloofsheldin zou veel minder dan ik geweten hebben van
de oorzaken die haar beletten de gissing aantenemen dat er in 't
Hooglied maar wereldsche zaken worden behandeld... als ze van die
gissing iets geweten had. Het ware haar te staan gekomen op haar
stichtelykste lektuur. Dus... Renan moest
ongelyk hebben, 'n jaar of veertig daarna.
Wat
Pennewip aangaat, hy durfde zelfs haar begrippen omtrent gewone
komedies niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht.
Toch was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en
verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie?
[18]
[1]
In Nederlandsch-Indie
heeft men by benoeming van ambtenaren by 't binnenlandsch bestuur, de
gewoonte zich o.a. de vraag voorteleggen, of de kandidaat kennis heeft
van inlandsche zaken?
In 't
Nederland waarin ik leef, anno 2006, heeft geen 15% van de ambtenaren
ooit een functionerings-gesprek gehad. Het is dus niet zo
verwonderlijk dat hooguit 1 op de 10 Nederlandse ambtenaren die ik
trof de afgelopen 30 jaar ook maar enigszins moreel behoorlijk of
intellectueel redelijk was: Ze staan feitelijk boven of beneden de wet
die ze betaald worden te handhaven, en wéten dit. Zie ook onder
116. In dat en dit verband - en ik méén
het lezer:
Het eerste, dringendste en belangrijkste
dat in Nederland moet veranderen wil het ooit nog beschaafd worden is
het geheel
opheffen van de ambtelijke stand.
[2] Indien
we eens ministers aan 't hoofd stelden, die Menschkunde hadden
beoefend in 't algemeen, en kennis van den Nederlander in 't
byzonder?
Nee, dat lijkt me
geen goed idee, al lijkt het me wel een goed idee om minimum-normen te
stellen voor wat een kamerlid of minister moet kunnen en kennen, en
daarop te toetsen. Maar ik denk dan niet aan psychologie e.d. maar aan
wetenschap, wiskunde en geschiedenis.
Bijvoorbeeld .... als we om te beginnen eens zouden eisen
dat een kamerlid gepromoveerd moet zijn in een natuurwetenschap, dan
zouden we toch met één slag van vrijwel het hele - misschien wel het hele! - huidige
kamer-dolhuis van incompetente praatjesmakers en beroepsleugenaars af
zijn, en zouden we althans op iemand kunnen stemmen die niet evident een
leeghoofd is, nietwaar? Ja, het is een utopisch ideaal, lezer. Maar
zie een politiek
voorstel dat ik ooit formuleerde.
[3]
Maar de groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft
geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de
physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter,
noch de filosoof, noch de staatsman.
De eerste zin is een aardige zegswijze,
en is waar in 't algemeen: De meeste menselijke individuen hebben geen
eigen geschiedschrijver, en worden geboren, leven en sterven zonder
dat het nageslacht, met wie hetzelfde gebeurt, veel of zelfs maar iets
van ze weet. (Wellicht dat dit in de nabije toekomst verandert, als
het overigens nogal beangstigende plan - vanwege de vele tirannen en
dictatoriale staten in de geschiedenis - doorgevoerd is alle levende
burgers van een persoonsbewijs te voorzien.)
De tweede zin is zeker niet waar, ook
niet voor Multatuli's eigen tijd, wat de laatste vier - tsja -
beroepsgroepen betreft. Terwijl Multatuli dit idee schreef waren er in
de meest recente Nederlandse encyclopedieën al lemma's voor "communisme"
en "socialisme", terwijl Marx - 1818-1883 - een vrijwel exacte
tijdgenoot van Multatuli - 1820-1887 - was, en "Das Kapital" al
gepubliceerd had. Zie ook het werk van Le Play dat Multatuli in
idee 451 citeert.
[4]
Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid
in, den lezer belangstelling inteboezemen voor 'n romanheldje dat,
by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje
wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich
voor zooiets uitgaf.
O? De
verteller van Peruaanse sprookjes? De enthousiaste lezer van Glorioso?
De schrijver van het Rooverslied? De zelfbeoogd koning van Afrika?
Geen "behoorlyk
heldje"? Ikzelf, die toch
ook een jongetje is geweest, zou aannemen dat het jongetjes aangeboren
is held te willen wezen, in het een of ander.
[5]
Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam 't hem
niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel minder nog
zich daartegen-over te stellen.
Multatuli verzette zich vooral tegen het
benepene in het Protestantisme, dat in zijn tijd en eeuwen daarvoor
behoorlijk tot zeer drukkend en levensvreugde-bedervend moet zijn
geweest.
[6]
De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat grof bedrog zich
niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit.
Inderdaad, als in het sprookje van
de kleren van de keizer.
[7] - Uwe
verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer
algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste
klasse.
En we mogen hier wel opmerken dat het
nog steeds zo is onder mensen dat "de
zeer algemeene" dwalingen
waaronder zij leven en lijden vooral die van "de
allerbekrompenste klasse" zijn,
gedicteerd door domheid of onwetendheid en plaatselijk vooroordeel.
[8] Als om
deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper
voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van
vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene.
Ook ik heb dat gedaan, niet zonder
schroom, onder 423 en
817.
[9] De
‘zinnelykheid’ kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de
beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy
zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek naar
die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen tot-i
groot was.
Zoals vele
geslachten telkens weer gebeurde, behalve dat de meerderheid er ook in
volwassenheid gearriveerd nog steeds vooral beschaamd over deed. Dit
hangt samen met een verschijnsel waar deze passage over gaat: Dat
kinderen heel snel leren waarover een welopgevoed kind niet mag
spreken, en wat niet deugt, niet netjes is, niet past, en "dus" niet
besproken wordt, behalve indirect en onduidelijk. Dit is kennelijk een
heel belangrijk opvoedings-mechanisme: De zelf-censuur van kinderen
ingegeven door de suggesties van ouders dat zekere thema's niet
behoorlijk zouden zijn, en niet bediscussieerd behoren te worden.
[10] Het
ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer
groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van 'n
wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige
benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan de
redeneering waaruit ze voortsproot.
Nee, niet precies: 't Ligt niet aan de
klank of eigenaardigheid ervan, al helpt dat laatste, maar aan de
doorsnee domheid. De grote meerderheid meent vrijwel alles te kennen
en begrijpen van een zaak die een behoorlijk mens moet weten als ze de
naam ervoor kennen, en weten hoe deze grammaticaal te gebruiken.
[11]
De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die klanken zich 't
denken heeft afgewend.
Nee, ook niet precies: Men kon
gewoonlijk om te beginnen al niet behoorlijk nadenken, en wilde dit
meestal ook niet. Men zocht begrippen en termen die de eigen
vooroordelen sterkten, en de eigen wensgedachten ondersteunden.
[12] O, o,
o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks
optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de
ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of
in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit
alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de
moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten
beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde.
Zie [9]. En hoewel tegenwoordig het
klein kroost de porno van het internet kan halen en kennelijk wat
eerder en beter sexueel voorgelicht wordt dan vroeger (letterkundig
terzijde: aan
gestoord-pedante schoolmeesterlijke spellings-nieuwlichterij als
"seksueel" doe ik zo min als aan "kserkses" of "ksenofobie"), heb ik
niet de indruk dat "de jeugd van tegenwoordig" veel zinniger of vrijer
is inzake sexualiteit dan in mijn tienerjaren, die in de zestiger
jaren van de twintigste eeuw vielen. De reden is kennelijk vooral dat
het emotionerend is, en in het begin vreemd, en dat goede sex vooral
een kwestie van wederszijds vertrouwen en begrip is, en dat nog steeds
"l'enfer, c'est les autres", ondanks voorlichtende boekjes, videoos en
TV-programmas.
Trouwens.... de moderne sexuele
voorlichsters, vooral, zijn om zeer van te schrikken, voor de wat
meer gevoelige geesten. Wie voorbereid is op Het Wonder Van De Liefde
aan de video-hand van Katrien Keyl of Hummie van der Tonnencreek zal
pijnlijk teleurgesteld worden, vrees ik.
[13] - Ik
vraag uwe, meester, wat kan er om Krrristis-wil terecht komen van
zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?
Voor Multatuli's Ideen hierover zie
het
begin van Ideen II.
[14]
Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde...
goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet
nederzitten met de goddeloozen.
Ook in dit opzicht was juffrouw Laps
een heel typische gelovige, van om het even welk geloof. Het geloof mag
prediken dat alle mensen gelijk zijn, of bemind behoren te worden, of
althans behoorlijk behandeld, maar de gelovigen van het geloof plegen
deze geloofsinstructies, op z'n allerbest bovendien, alleen te handhaven
tegen leden van hun eigen geloof.
In dit verband: Het hele Christelijke
leerstuk van "Bemin uw naasten gelijk uzelve", "Hebt uw buren lief als
uzelve" etc. klinkt fraai maar is feitelijk, vanwege de gemiddelde
menselijke vermogens en aandriften, in de praktijkt vrijwel alleen een
aansporing tot schijnheiligheid, leugens en poses. Het gaat namelijk de
gewone menselijke vermogens ver te boven.
[15] En,
omgekeerd, ze zouden de wanhopig ver gezochte toespeling van dat stuk
op Kerkleer, niet zoo met hand en tand vasthouden, indien niet
juist het erotisch element dat ze negeeren, de zaak zoo aantrekkelyk
maakte.
Ongetwijfeld, en opgemerkt lang vóór
Freud.
[16]
't Had er iets van, alsof de man die vasten wil en vleesch-eten
tegelyk, z'n patrys 'n luchtvisch noemt. Met zulke handigheden is veel
te bereiken.
Ja, en het is een
uitleg in één zin van het hele mechanisme van Bijbel-verklaring door
metaforen, gelijkenissen etc.: Verander patrijzen in luchtvissen, en
onwaarheden in gelijkenissen, en je kunt je overal uitdraaien, bovendien met een
schijn van eer en scherpzinnigheid. Multatuli behandelt deze
aanpak o.a. in idee 452.
[17]
... als wel in 't bezit
der onbewuste geslepenheid die we dikwyls aantreffen by de domste
personen.
Dit gaat over kerkvaders, die mij zo
dom niet voorkomen, maar dat is terzijde. Multatuli had de bedoelde
geslepenheid in het geheel niet, en deze komt neer op het altijd
onderkennen van het eigenbelang dat een zaak heeft: "Wat is hier mìjn
voordeel aan, als ik handig ben?" is de vraag die de aldus geslepen
persoon zich al dan niet bewust stelt. En: "Hoe kan ik dit, of hem, of
haar, voor mijn belang gebruiken?", "Hoe word ik hier
beter van?". Voor deze zeer normale menselijke oriëntatie is
inderdaad vrijwel geen intelligentie nodig.
[18]
Maar: geloof, schoolmeestery en verzen... welke hersens zyn bestand
tegen zoo'n cerberus van biologie?
Laat ik voor de verandering weer eens
een letterkundig opmerkinkje plaatsen en een vertaling bieden van "cerberus
van biologie": Hellehond van
hypnose - want M. gebruikte "biologie" voor "hypnose".