Divagatiën over
ziellooze politiek. De uitgehongerde geest van
Leentje, spokend op 't graf van regeerders die 't beneden zich
rekenen acht te slaan op de behoeften van het Volk. Laps versus
Pennewip. Wouters embryologische studiën.
Het spreekt vanzelf
dat onderwerpen als de in 't vorig hoofdstuk aangeroerde, beneden de
aandacht zyn van ‘staatslieden’ die hun bekwaamheid wyden aan
bureauzaken: kommiezery, en Kamerdebat: parlementarisme.
Er blykt dus dat de voorgewende minachting voor 't zoogenaamd hoogere,
volstrekt geen bewys levert voor zorgvuldige behartiging van de
praktyk. Het is niet genoeg, zich boven of beneden schilderyen en
standbeelden te stellen, om op de ware hoogte van den Nederlandschen
waterstand te zyn. Ook in deze zaken kan men zeer wel, 't ééne niet
erkennende, 't andere verwaarloozen.
We ontdekken namelyk dezelfde slordigheid van opvatting, op velerlei
gebied. Hier als elders heerscht dat ‘aanleggen op 'n verkeerd gekozen
doel’ dat ‘misgrypen’ waarvan ik een-en-ander zeide in 't slot van m'n
vorigen bundel. Een zelfstandig denker, 'n uitstekend mensch, 'n
werkelyk staatsman, zou z'n denkbeelden noch willen noch kunnen
pasmaken voor 't begrip van 'n kollegie. (9,
en overal!) Wie dus minister is, en dat blyven wil, moet zich wel
voegen naar zoo'n heterogeen onding (336)
en trachten het op deze of gene wyze aan zich te verbinden. Hiertoe
is, by gebrek aan beter, noodig dat men van-tyd tot-tyd iets als 'n
maxime tevoorschyn brengt, dat op den klank af, gelden kan als
leus.
Wat nu
te kiezen? De Witte en Roode Rozen van de Yorken en Lancasters hebben
uitgediend. Schieringers en Vetkoopers, Heeckerens en Bronkhorsten,
Hoekschen en Kabeljauwschen, Patriotten en Oranjeklanten... dit alles
is vergeten. 't Zou moeielyk zyn, Welfen en Gibellynen, Montague's en
Capulet's populair te maken in Nederland. Kruis en Halvemaan zyn
versleten symbolen, en zelfs de bisschops-kwestie...
Komaan, we zullen iets klinkends zeggen over Kunst! Ziehier 't schema
van 'n nooit gehouden verhandeling:
‘Ons
principe, myne heeren, is...
Hear, hear, onze minister heeft 'n principe! Dat 's wat ànders dan
die beginsellooze behouders!
‘Ons
principe is dat we ons niet bemoeien met Kunst...
Dat 's
niets nieuws, roepen de tegenstanders. Uw grondbeginsel werd sedert
lang beoefend door Hunnen, Vandalen, Vuurlanders, Irokezen, Chippaways
en Nadowessiërs... en zelfs door ons, konservatieven. We betwisten u -
wy en al die anderen! - allerplechtigst het prioriteitsrecht op die
leus.
‘Laat
ons wèl onderscheiden, myne heeren! Dat m'n principe sedert
onheugelyke tyden beoefend werd, en zelfs by vele volkeren en
staatspartyen niet zonder vrucht, kan ik niet ontkennen. Doch...
behoorlyk geformuleerd, benoemd tot leiddraad, aangenomen als punt van
uitgang, bevorderd tot hoeksteen, verheven tot levendmakende kracht,
werd het nooit! Dit hebben noch Vandalen, noch Behouders gedaan.’
Dàt is
waar, roepen de geestverwanten. De nieuwigheid zit 'm in den moed van
't proklameeren!
‘Vergun my nu m'n stelsel te ontwikkelen. De Geschiedenis des
Menschdoms bestaat in eene onafgebrokene opvolging van leuzen. Wie
deze leuzen achter elkaar weet optezeggen, kent de Geschiedenis. En
wie 'n nieuwe leus uitvindt, heeft 'n brok Geschiedenis gemaakt.
Daarmee, myne heeren, ben ik op dezen oogenblik bezig. Ik verzoek u
dus, my niet in de rede te vallen. Er was eenmaal zeker Volk dat zich
in oogenblikken van geestvervoering vermaakte met het uitschreeuwen
van 't refrein: panem et circenses! Deze galm heeft veel
raddraaiers in 't leven gehouden. Maar... de tyden veranderen, d.i. de
leuzen veranderen, en daarmee de Geschiedenis. Deze verandering is
noodzakelijk, omdat 'n stilstaande Geschiedenis eigenlyk geen
Geschiedenis wezen zou. De eerste verandering nu, was, dat de hoogere
Beschaving sedert lang dat geroep om panis heeft afgeschaft.
Wat my betreft, ik geef den brui van circenses. Ziehier dus myn
principe: weg met circenses!’
Hear, hear!
‘Weg
met Homerus, Phidias,
Apelles, Sophokles!’
Hear, hear!’
‘Weg
met de Muzen!’
Hear, hear!
‘Weg
met Pallas-Athene!’
Hier
bromden sommige ontevredenen: pallas... palladium! Maar ze
werden overschreeuwd door:hear, hear!
‘Weg
met Kunst alzoo!’
Precies!
‘De
eigenlyke oorzaak onzer ingenomenheid met dit principe, is
veelsoortig. Ten-eerste zal ieder die wèl denkt, ons na deze
verklaring aanzien voor 'n praktisch man. ‘Wie de Kunst veracht, zal
stevige dyken bouwen.’ Zoo redeneert al wat... niet redeneert.
Ten-tweede is Staatkunde 'n pozitieve wetenschap, zeer pozitief. Ze
heeft met Kunst niets te maken, omdat Kunst van oudsher 'n zaak is
van... droomery. Staatkunde, myne heeren, is onveranderlyk in haar
principes, terwyl de Kunst by den dag verandert. De pyramiden zyn
geheel anders gebouwd dan 't Binnenhof, terwyl de staatkunde der
Faraonen...
‘Over
die staatkunde zou ik veel kunnen zeggen, maar ik weerhoud me, omdat
ik den schyn wil ontgaan van bekendheid met archaeologie, een vak dat
aan Kunst verwant is, en dus niet te-pas komt in 'n deftige Kamer.
‘De
Kunst dan, myne Heeren, is... als een der hulpmiddelen van poëzie...
'n stokpaardje van dwazen. De verstandige beoefent alleen de
eenig-zaligmakende religie van... 't gekozen worden, en houdt zich ver
van de gekken, die...
Komaan, Thorbecke! Ik zal u afhelpen van uw
speech die in 't riet loopt. Ziehier wat onze
Langendyk er van zei. Hy schynt uw zotteklap voorzien of
voorgevoeld te hebben: dichtersplicht!
- 't Onnozel volkje
houdt poëten
- Voor dwaze
hoofden vol van waan:
- Maar wilt gy de
oorzaak daarvan weten?
- 't Ziet gekken
voor poëten aan. [1]
Dat velen, die zekere
kunsten tot hun beroepsvak kozen, zich alleen dáárom durven uitgeven
voor kunstenaars... eilieve, waarom zou alleen dit vak bevryd gebleven
zyn van den alom invretenden kanker der kwakzalvery? Dat de poëzie, de
ware innige gemoedspoëzie, veel te lyden heeft onder den kwaden naam
waarin ze gebracht is door verzenmakers, spreekt ook vanzelf. En dat
de Wysbegeerte, verminkt tot schoolsysteempjes, als zoodanig 'n
onbruikbaar werktuig werd, jazelfs 'n beletsel om tot waarheid
te geraken... wie zal 't ontkennen? [2]
Het zou juist de plicht van den ‘staatsman’ Thorbecke geweest zyn, het
echte te leeren onderscheiden van 't onechte. (114)
Hiertoe was-i niet in-staat. We mogen aannemen dat hy ook Wetenschap
en Poëzie in den ban zou gedaan hebben, en tevens - even als de zeer
oppervlakkige Frédéric le philosophe, die niet eens de
beteekenis van 't woord verstond (33)
- de Wysbegeerte, wanneer slechts niet deze benamingen wat lang waren
geweest voor 't apophthegmisch vormpje, waarin hy nu eenmaal z'n
Regeerings-principe wou inkleeden om-den-wille van 't effekt.
Geen
Kunst? Dat noem ik: niet-kunnen. *)
Geen
Wetenschap? Dat noem ik: niet weten.
Geen
Wysbegeerte? Dat noem ik: niet willen weten.
Geen
ποιησισ? Dat noem ik: niet maken, niet scheppen, niet
voortbrengen. Dat noem ik onvruchtbaar zyn.
Heb ik
over zulke leus- of party-regeerinkjes ooit iets anders gezegd?
Men
meene in 's hemelsnaam niet, dat er du temps qui court iets zou
gewonnen worden by 't verwisselen van liberale dorheid voor
konservatieve droogte. In de beoefening van 't niet weten, niet
kunnen en niet doen, steken onze Staatspartyen elkander
naar de kroon. [3] En dit kan niet anders. De uitstekendste mannen worden
bedorven door wat ze gewoon zyn te noemen: ‘hun politieke loopbaan.’
[4] Dat deze hen vertrouwd maakte met de détours du serail op 't
Binnenhof, baat het Volk niet. Dat Volk heeft zekere behoeften...
Zie
daaromtrent alweer Leentje's verslag van den ‘Onechte Zoon.’
*) Zelfs de taal protesteert tegen
Thorbecke's plompheid. De woorden Koning en Kunst zyn
na verwant. [5]
[1] 't Onnozel volkje
houdt poëten
Voor dwaze
hoofden vol van waan:
Maar wilt gy de
oorzaak daarvan weten?
't Ziet gekken
voor poëten aan.
Shelley beweerde, een jaar of vijftig
voordat dit idee werd geschreven, dat "Poets are the unacknowledged
legislators of mankind", in een essay dat "In Defense Of Poetry"
heette. Hij zou meer gelijk hebben gehad, afgezien van Homerus en
Griekenland, in welk geval er iets voor het idee te zeggen valt,
althans waar het de laatste honderd à honderdvijftig jaar betreft, als
hij niet van dichters maar van journalisten had gesproken.
En een deel van de zin van deze
opmerking is dat de mensheid geregeerd wordt door ideeën, maar dan
vooral door die ideeën die algemeen verbreid zijn, dus gereproduceerd,
gestyleerd en tot cliché zijn gemaakt door schoolonderwijs, preek,
krant of TV.
[2] Dat velen, die zekere
kunsten tot hun beroepsvak kozen, zich alleen dáárom durven uitgeven
voor kunstenaars... eilieve, waarom zou alleen dit vak bevryd gebleven
zyn van den alom invretenden kanker der kwakzalvery? Dat de poëzie, de
ware innige gemoedspoëzie, veel te lyden heeft onder den kwaden naam
waarin ze gebracht is door verzenmakers, spreekt ook vanzelf. En dat
de Wysbegeerte, verminkt tot schoolsysteempjes, als zoodanig 'n
onbruikbaar werktuig werd, jazelfs 'n beletsel om tot waarheid
te geraken... wie zal 't ontkennen?
Ikzelf behoor tot de tegenwoordig
kleine minderheid die een groot deel van de abstracte en moderne
schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur voor "kanker
der kwakzalvery" houdt, maar
registreer dit hier alleen maar.
Wat "de
Wysbegeerte" betreft: Het is waar
dat dit vaak een "'n beletsel
om tot waarheid te geraken", maar
dit komt omdat wie waarheid wil zich tegenwoordig zeer veel beter tot
de natuurwetenschappen kan wenden, en omdat de mens een ideologische
aap is. "Wysbegeerte"
voorziet zelden in een bestaande behoefte naar waarheid en gewoonlijk
in een behoefte naar een wereldbeeld, oriëntatie, geloof, zingeving -
wat allemaal dorsten zijn die zich emotioneel veel bevredigender laten
stillen door wensdenkerij dan door waarheid of wetenschap.
[3]
In de beoefening van 't niet weten, niet
kunnen en niet doen, steken onze Staatspartyen elkander
naar de kroon.
En dat is nog steeds zo. Drie
belangrijke redenen zijn kennelijk dat wie in politiek gaat dit zelden
doet om behoorlijk bestuur te leveren, maar meestal gedreven wordt
door de wens op te vallen en macht te hebben; doordat politiek vooral
die ijdele publiekshoeren aantrekt die juist niet geschikt zijn voor
de publieke ambten die ze najagen; en doordat politiek vooral
zoveelste-rangers aantrekt, die niet de begaafdheid hebben te
excelleren in kunst of wetenschap, maar wel mateloos ambitieus of
publieksgeil zijn.
[4]
De uitstekendste mannen worden bedorven door wat ze gewoon zyn te
noemen: ‘hun politieke loopbaan.’
Juist: Het is niet alleen macht maar
ook politiek die corrumpeert. En veel politici worden evident bewogen
door ijdelheid en de wens op te vallen.
[5]
De woorden Koning en Kunst zyn
na verwant.
In M.'s eigen etymologie dan, mag je
aannemen.