Idee 1050.                                                


Vervolg:
Onechte Zoon, gekompliceerd met 'n echt zilveren doosje, onechte eerlykheid, echte naïveteit van Leentje, onechte bravigheid der juffrouwen Pieterse... alles uitloopende op 'n verhandeling over watersnood.

‘Foei!’ hadden alzoo de drie jonge dames geroepen, toen Leentje de onvoorzichtigheid beging, gewag te maken van die verpönte melodie. Vóór ik de terwyzing schreef, die bestemd is eens-voor-al zoo'n preutsch miskennen van 't schoone den kop intedrukken, heb ik my nauwkeurig geïnformeerd of 't heele gezin der Pietersens wel wezenlyk overleden is, omdat ik me geen twist op den hals wil halen. De dood-attesten liggen voor me. Ik kan dus onbekommerd voortgaan met Leentje's relaas. [1]

- En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf, maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis, en mocht heen-en-weer loopen net als 'n ander. En toen prezenteerde de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje, maar hy zei: ‘kyk nu liever naar 't stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor je geld.’ We hadden twaalf stuivers betaald... twaalf stuivers de man, weet u, buiten de wafels en de chocola. [2] En toen zei de baron... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw, begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook 'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee inzaten... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht kon. [3] En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom zoud-i nu sterven... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we namen nog 'n wafel. [4] En toen zei die heer achter ons, dat er altyd zooveel slecht volk in de zaal was... zakkerollers, weet u? En 't was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met 'n gevangenis er in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i, eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje prezenteeren, maar... och, ze schrok zoo, want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van haar peetemoei... en dus, uwe kunt begrypen hoe 't mensch ontdaan was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen kon wie 't gedaan had? En hy vroeg of 't doosje van zilver was? Ja, zei de kleermakers-juffrouw, 't was van echt zilver, en... dat ze 't van 'r peetemoei had. En toen vroeg-i of 't glad of geribt was? En de juffrouw zei dat het geribt was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan zeker gestolen was door 'n zakkeroller, maar hy kon niet zeggen door wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... 't was zeker door 'n zakkeroller gedaan.

- Hyzelf kan 't wel gedaan hebben! riepen 'n paar toehoorsters.

Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug.

- Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat's zonde! 't Was 'n allerfatsoenlykste man, dat kan ik u zeggen! Den heelen avend is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen [5], en hy noemde my ‘juffrouw’ zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde, en als-i 't doosje vond, zeid-i, zoud-i 't haar terugbrengen. Hy had 'n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo iets zeggen!

- Nou, ga maar voort met je Onechte Zoon, eischte het Publiek.

- Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er 'n heer, die met 'n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan.

- Maar vertel dan toch van 't stuk!

- Ja, ziet u, dat 's zoo makkelyk niet! 't Was heel mooi, maar er zyn zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen, want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager in de gevangenis z'n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger tyd... kennis had gehad... weet u...

Er heerschte 'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje wist geen raad met 'r vertelling. Ze werd vuurrood.

- Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo 'reis zeggen, en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide gekomen... en... daarom heet het stuk de Onechte Zoon...

Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z'n verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes, om de teugels lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel kende 'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht.

- Juist! Hy had hare onschuld misbruikt - zoo wordt zulks genoemd - en daarna haar ten-prooie gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg 't de jongens alle dagen op m'n school...

- Hoorje 't, Wouter? Let daar 'ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt.

Toen Stoffel merkte dat z'n kommentaar in den smaak viel, ging hy voort:

- Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier of hier-namaals gestraft wordt... [6]

- Hoorje 't, Wouter?

- Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden van de menschelyke Maatschappy... [7] uwe ziet wel, dat zoo'n komedie heel mooi wezen kan, als men 't maar goed opvat, en alles behoorlyk weet uitteleggen. Dàt is het maar!

- En hoe liep het toen af met dien baron? [8]

- Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken, en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw...

- Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje 't ware woord niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden.

- Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i 'r nooit weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon, dat men altyd op 't pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee te vreden.

- Dàt geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met 'n snelheid die verklapte waar eigenlyk 't zwaartepunt ligt van sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze 'n ryke barones!

- Ja, zei Leentje, ze werd 'n groote dame. En de onechte zoon viel den baron om den hals, en toen speelden ze 't ‘Kamertje van 'n Waschmeisje’ en de zoon was huzaar, en zong: ‘'k bèn vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!’ Maar waar de oude baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan, maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar doosje kwyt was. Of die heer 't haar nog thuis gebracht heeft, zou ik de juffrouw niet kunnen zeggen.

Hier was de vertelling uit.

De meisjes dachten: barones!

Stoffel: de deugd!

De moeder: twaalf stuivers ‘de man’ buiten wafels en chocolade!

Wouter: die jager! Ik zou wel zoo'n jager willen zyn in een bosch... in 'n heel groot bosch... heelemaal alleen...

Hy nam z'n penseel op, en zag Ophelia aan:

...heelemaal alleen in 'n groot bosch, met... Femke!

Zoo had ieder z'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje's verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die 'n blik sloeg in de gemoederen van z'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan Kotzebue's fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking van z'n effektstuk op de gemoederen van Leentje's auditorium ook zoo onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden dat het ‘verleiden’ op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou, als men maar zeker was dat zoo'n baron... ten-laatste... en niet àl te laat...

Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige carrière te vervaardigen zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. [9] 't Mutsenmaken was er niets by.

Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd, toen Leentje heel onnoozel antwoordde:

- Zoo tegen de zestig, juffrouw...

Deze Odyssee der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang voor. Maar 't ‘mutsenmaken’ stond haar weer erg tegen, toen Leentje voortging:

- Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze kan toen zoo-wat 'n goeie veertigster geweest zyn...

‘Dat vervloekte mutsenmaken!’ riep... geen van de dien nadenkende meisjes, maar ze dachten 't.

In één opzicht was de heele familie 't eens. Ieder wilde gaarne ook eens zoo'n ‘komedie’ zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten haar ‘begrootten.’ En dit werd nog erger, toen Stoffel 'n booze tyding thuis bracht over den ‘troep van Jan Gras in de Elandstraat, waar geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon.’ Dit was hem verzekerd door iemand die 't wel weten kon, want hy was 'n bloedneef van den rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op 't Leidsche Plein. Dàt was de ware komedie!  

- Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burgemeester zelf zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens, als er in zoo'n stuk staat: ‘o God!’ dan verandert de Burgemeester dit in: ‘o hemel!’ omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt. [10] Want... gedanst wordt er ook, moeder. Maar als wy er eens heen gaan, kunnen we best 'n stuk afwachten waarin niet gedanst wordt, en dat heelemaal is nagezien door den Burgemeester...

Stoffel had gelyk. De Amsterdamsche Regeering bemoeide zich met haren Schouwburg, en weerde alles wat beleedigend kon zyn voor God en Magistraat.

Dit was nog voor zéér korten tyd het geval. De inskriptie op 't scherm:

 Der kunsten God, aan 't Y met geestdrift aangebeên,
 Kweekt hier in 't heilig koor, verdienste en deugd alleen,

beduidde niet dat Apollo in z'n eentje voor ‘Verdienste en deugd’ zorgde - dit zou de wethouders in hun eer getast zyn - maar dat er onder zyn en hun beheer niets, volstrekt niets dan ‘Deugd en Verdienste’ op de planken werd toegelaten. Hieraan hebben we dan ook al de uitmuntende stukken te danken, en tevens den bloei der tooneelspeelkunst, waarin onze eeuw zich verheugen mag. [11]

De Amsterdamsche Regeering en aesthetiek!


[1] heb ik my nauwkeurig geïnformeerd of 't heele gezin der Pietersens wel wezenlyk overleden is, omdat ik me geen twist op den hals wil halen. De dood-attesten liggen voor me. Ik kan dus onbekommerd voortgaan met Leentje's relaas. 

Dit verheldert iets over M.'s chronologie van Woutertje Pieterse, hoewel niet veel, en ook iets over het verloop van de rest van het verhaal, dat M. nooit afschreef, zij het opnieuw niet veel.


[2] We hadden twaalf stuivers betaald... twaalf stuivers de man, weet u, buiten de wafels en de chocola.

M.a.w.: In de orde van een dagloon van arbeiders in die tijd, zoals te leren valt uit het budget van Klaas Ris.


[3] Want, juffrouw, begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook 'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee inzaten... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht kon.

Ik weet niet of M. hieraan dacht, maar hijzelf had ook zo'n toneelstuk op z'n geweten, dat hij schreef op z'n 22ste, en feitelijk behoorlijk wat succes had in de tijd dat M. zijn Ideen publiceerde.


[4] En daarom zoud-i nu sterven... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we namen nog 'n wafel.

Aristoteles wierp de vraag al op waarom mensen het prettig vinden naar toneel-tragedies te gaan. Multatuli duidt het probleem hier kort aan, ongetwijfeld bewust, en zijn suggestie lijkt me juist: Omdat men wéét dat wat men ziet niet echt is.


[5] 't Was 'n allerfatsoenlykste man, dat kan ik u zeggen! Den heelen avend is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen

Men vergelijke idee 374, dat nog steeds de beste handleiding vormt voor een succesvolle maatschappelijke carrière, in Nederland en omstreken.


[6] Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier of hier-namaals gestraft wordt...

Multatuli was het hier geheel niet mee eens, en meende zelf dat Deugd = Genot. Ik denk dat niet, en heb bij idee 423 en bij idee 817 uitgelegd waarom niet.

Maar het is wel een feit dat één van de grote misgrepen van de Christelijke moraalleer de Christelijke sexuele moraal is, die van één van de grootste bronnen van menselijk genot iets vies en verwerpelijks maakt.


[7] Gepaste vreugd màg wel, maar ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden van de menschelyke Maatschappy...

Dit is tennaastebij de intellectuele grondslag van alle moraalleer: X is "ongeoorloofd" omdat X ... "niet geoorloofd" is; Y is verplicht omdat Y ... plicht is; en als De Moraal van Onze Maatschappij niet gehandhaafd wordt gaat Onze Maatschappij tenonder. Cirkelredenering heet zoiets: Het is zo, omdat het zo is.


[8] - En hoe liep het toen af met dien baron?

Goed natuurlijk, want anders was het geen baron. Men vergelijke Multatuli's "De Eerloze", ook bekend als "De Bruid daarboven". Zie [3].


[9] Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige carrière te vervaardigen zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen.

Ook dit thema heeft M. eerder behandeld, namelijk in de geschiedenis van Adèle Pluribus.


[10] de Burgemeester zelf zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens, als er in zoo'n stuk staat: ‘o God!’ dan verandert de Burgemeester dit in: ‘o hemel!’ omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt.

Hier is de authentieke grondslag van zeer veel morele noties: Guilt by association - het verbieden van X alleen omdat het aan Y doet denken. Zo werden de stoelpoten in nette Victoriaanse huishoudens van hoesjes voorzien, om de dames niet op fallische gedachten te brengen. Dit is natuurlijk even behulpzaam als de aansporing vooral niet en nooit aan een krokodil te denken.


 [11] Hieraan hebben we dan ook al de uitmuntende stukken te danken, en tevens den bloei der tooneelspeelkunst, waarin onze eeuw zich verheugen mag.

Het is een aardig sarcasme, maar het is niet waar: De drakerige, saaie, brave, kleinburgelijke, fatsoensrakkerige kwaliteit van de 19e eeuwse toneelstukken lag niet aan de censuur van het Amsterdams bestuur. Het zal voor een flink deel gewoon volkswil geweest zijn, en overigens gebrek aan talent bij de schrijvers. De mode wilde het zo, en Multatuli's eerste toneelstuk - "De Eerloze" - was uit hetzelfde materiaal gemaakt.

Idee 1050.