Met uw verlof,
Sertrude! Als gyzelf wat hooger stondt, zoudt ge uw neus minder hoog
optrekken. [1] Er is iets liefs in die chanson de la rue, door 't
gemeene volk geïmprovizeerd op noten van Mozart.
Gedurende myn kort leven reeds, zyn we op dit punt zeer achteruit
gegaan, en wanneer we de Volkspoëzie van tegenwoordig vergelyken by
wat er van vroeger tyden tot ons kwam, is de slotsom treurig.
[2] En... 't
beste is niet tot ons gekomen. Want schryfmenschen zyn
ten-allen-tyde ongelukkige beoordeelaars geweest van wat in hun
eigen vak kunstwaarde had. De oorzaak ligt voor de hand. Ze
minachtten alles wat niet beantwoordde aan de schoolmeesterlyke
eischen van 't métier. [3] Kreupele rymen, maatverkrachting,
dagelyksche woorden, straatgeboorte... hoe kon er poëzie voortkomen
uit zulke Nazareths?
En 't
fatsoen! Het zinspelen op verboden zaken... neen, 't verboden
zinspelen op dingen die liefelyker klinken zouden, als men 't maar
niet in 't hoofd gekregen had deugd te vervalschen tot preutsheid.
Schryfletterkunde drong de volkslitteratuur van de baan, en deftigheid
smoorde de natuurkapriolen van 't straatminnelied. Kapriolen...
bokkesprongen, zeker! De door verzenmakers van beroep vervaardigde
‘volksliederen’ gelyken àl zoo weinig op den waren geest van 't Volk,
als 'n neurenberger-speelgoedschaapje op de huppelende jonge geit die
te-viervoet van den grond springt zonder zich te bekommeren over 't
neerkomen.
Die
laatste vergelyking moge eenigszins passen wat de tuchteloosheid
aangaat, waarmee we in Wouters tyd, maat en rym van straatliederen
hoorden mishandelen, voor 't overige gaat ze byzonder mank. Hoe de
stemming van 't Volk in vorige eeuwen moge geweest zyn - vroolyk
misschien? - is my onbekend, maar in den tyd waarvan ik spreek, was
die stemming melankolisch en zelfs treurig. Men zoeke daarvan den
weerklank niet in liederboeken. Op zeer weinig uitzondering na, laat
'n Volk zich geen gezangen voorschryven door deftige personen die
altyd mistrouwd worden. Hoogstens neemt het wat over van den orgelman.
Om in de dagen die ik bedoel, wèl toegerust te zyn, moest zoo'n
erfgenaam der Frauenlobs, Eschenbachen en Tannhäusers 'n vrouw naast
zich hebben met 'n kind op den arm, en drie, vier andere ‘wurmen’ die
haar aan rok en voorschoot hingen. En op 't orgel lag 't vyfde of
zesde dat, te oordeelen naar de gestalte der moeder, straks ophouden
zou 't jongste te zyn. De echtgenoote hield 'n pak litteratuur in de
hand, en galmde...
Waarachtig, de zaak is melankoliek! Een knip aan 't instrument...
knik, knak, de cylinder schuift, stuit, wentelt, preludeert...
De
stalen pinnen tokkelen tegen de tanden van den kam...
Maar
dat moet presto gespeeld worden! Prestissimo! Allegro!
Beste
Mozart, ge hebt niet gerekend op de tering van dien orgelsjouwer! Niet
op de vermoeienis der arme vrouw, bezaaid met kroost! Niet ook op den
smaak des Volks, dat... graag dol vroolyk is, nu ja, hoe doller hoe
liever, maar geen grooter vroolykheid kent dan 't smachtend
sentimenteele. [4]
Velen
zullen dit vreemd vinden, en meenen dat de straatgalmen getuigenis
geven van het tegendeel. Misschien is dit zoo in onze dagen, maar 't
wàs eenmaal zoo niet, en ikzelf heb die verandering beleefd. Waren 't
verdwaalde spranken van de o- en ach-poëzie? Lag 't in de politische
tydsomstandigheden? Was 't 'n voorlooper van de hedendaagsche
sociaal-kwestien? Ik weet het niet. Maar zeker is 't dat de ongeleerde
muze der straten de vroolykste melodien omzette in iets weemoedigs.
En, dat ook hier alweer 't hysterisch element niet ontbrak...
Geen
gedachte zonder fosfor? Eilieve: geen poëzie zonder wellust. En meer
nog, zonder wellust geen schoonheidsgevoel, geen schepping op 't
gebied van geest of gemoed. [5]
't Mag
waar zyn dat ondeugende toespelingen by zulke gelegenheden niet werden
gespaard. Dat was de saus, by 't gerecht! Maar toch... 't idyllische
blonk door, niet alleen, maar heerschte zelfs in den toon waarop men
z'n verzen zette.
Of was
't niet idyllisch, 't gezang waarin 'n dwalend meisje haren beminde
zocht, en krytend vraagde:
- Och lieve
schildwacht heb jy hem niet gezien?
- Twee lippies
als een koraal
- Twee oochies
als een kristaal,
- Hy is myn troost
en myn toevoorlaat...
't Rym is wat
verwaarloosd, zou meester Pennewip zeggen. Nu ja, maar overigens...
[6]
Wel
zeker, overigens is 't lief! Vooral wanneer men zich de smeltende
melodie daarby denkt, die ik nu den lezer niet kan voorzingen, omdat
ik te ver van hem af ben. [7] Och, hoe de groente- mossel- en notenmeiden
de sylben lang uithaalden, om toch zooveel ze vermochten getuigenis te
geven van iets als gevoel. Dat ze valsch zongen, slecht, onwelluidend,
tegen alle regels van de Kunst... wat gaven de stumperts om Kunst? De
bedoeling was maar dat de hoorder innig doordrongen zou zyn van de
hartelykheid waarmee die verdwenen beminde gezocht werd.
[8] Waarlyk, men
kreeg lust om meetezoeken, en 't vinden bytewonen, schoon het de vraag
blyft of er grooter genot te verwachten was van 't weerzien, dan door
de kittelende smart van dat zoeken geleverd werd. [9]
En hoe
kwam de liereman die 't eerst deze minneklacht opdeunde voor 't
Amsterdamsch straatpubliek, aan 'n tekst uit Salomo's prachtig
Hooglied? Dit is goden en lieremannen
bekend! Treffend blyft het - en 'n aardige bydrage tot de
hardnekkigheid, waarmee zekere gegevens den Kampf ums Dasein
voeren! - hoe zoo'n aandoenlyke type, na veertig eeuwen doodslaap,
zich op-eenmaal weer vertoont, ginds begraven onder het puin van
Jeruzalem, hier verryzend onder 't gepeupel van 'n gewezen groote
stad.
Maar
we waren by Mozart. Wie de muziek leverde op
Salomo's poëzie, weet ik niet, en evenmin kan ik zeggen wie de woorden
gedicht heeft op de melodie die Leentje zoo bekend klonk in den
muzentempel van Jan Gras. Maar wel herinner
ik my 'n paar brokstukken - caetera desunt, helaas! - en ik leg
me den moed op, ze in druk te geven. Ziehier wat zoo afschuwelyk werd
gevonden door de dames Pieterse. Mocht een van m'n lezers het schoone
gedicht in z'n geheel kennen, hy zou me verplichten door de
mededeeling. Aan aanvulling door eigen maaksel, waag ik me niet.
- Mooie meissies,
mooie blomme,
- Van een mooi
meissie ben ik gekomme,
- En een mooi
meissie is m'n hartedief,
- Daarom...
De konkluzie is
stout!
- Daarom heb ik
alle mooie meissies lief!
Hier is, geloof ik,
't couplet uit. En dit mag wel. Een flinke ritournel op 't orgel kan
hier wat ruimte van tyd geven, om den hoorder te doen bekomen van z'n
schrik over zoo'n Lovelace! Alle... alle... wel verbazend! Waar
blyven hierby de arkadische Mirtyllen en Meliboeën? O, de heele
Virgilius zinkt weg, by wat er volgt. En
Tibullus! En Theokritus!
En Katullus!
En Janus Secundus met z'n ‘kusjes!’ En
Jonctys met z'n ‘Roseliins Oochies!’
En Bellamy...
Kortom, ik eisch 'n hekatombe van minnedichters op 't graf van den
onbekenden poëet, die z'n weemoedig-verliefde complainte durfde
in de plaats stellen van de woorden waarop Mozart 'n allervroolykst
motet komponeerde. Ze vormen de slot-aria der eerste akte uit ‘Figaro's
Hochzeit’ waar de aardige page Cherubin, die van-honk en naar 't
leger wordt gezonden omdat-i... te aardig begon te worden voor
dames-page, zoo grappig door Figaro wordt geplaagd met z'n nieuwe
betrekking van held.
In 't
straatminnelied is geen spoor van plagery. Zelfs niet van scherts, al
schynt het anders. Ook de tweede regel kan slechts ondeugend gevonden
worden door 'n bedorven smaak. Ze is maar naïf. En 't vervolg!
- Kon ik alle mooie
meissies kryge...
- Ik zou ze...
Die drie puntjes zyn
van my. Niet omdat ik ondeugender wezen wil dan 't gedicht - ik zou er
kans toe zien! - maar om den braafsten lezer tyd te geven tot
overdenken wat de zanger zich al zoo voornam te doen - in alle eer
en deugd te doen! - met al die ‘mooie meissies.’
Met
alle! Sapristi!
Ziehier 't naïve weer, en zeg me of 'n kind aan de borst van z'n
moeder onnoozeler met zooveel meisjes zou kunnen omgaan, dan de
larmoyante zanger?
- Ik zou ze-n-an 'n
touwetje ryge,
- Ik zou ze
kuipe-n-in 'n vat...
Vreemd is 't!
Ongepast is 't! Polizeiwidrig is 't! Onpraktisch is het! Maar
onkuisch is 't niet. De heilige Aloyzius van
Gonzaga kon de zaak niet delikater behandelen.
[10]
Op die
moorddadige, doch overigens hoogst onschuldige kuipery volgt, als
gedachtenrym op al 't vorige, de verzuchting:
- Och, als ik alle
mooie meissies had!
De strenge moralist
moge hier zekere te ver gedreven begeerigheid wraken, en den zanger
afvragen of-i zich niet zou kunnen tevreden stellen met de helft...
onzedelyk in gewonen zin, is de wensch alweer niet. Dit blykt
ten-volle uit het kiesch gebruik dat de troubadour van z'n
slachtoffertjes maken wil.
Er is
nòg 'n couplet dat me in 't geheugen bleef hangen, en waarmee 't
gedicht waarschynlyk besloten werd. De melankolie waarop ik gewezen
heb, straalt er in door. Ze gaat over in het tragische, en wel op 'n
manier die duidelyk aantoont dat er in de vorige regels geenszins
jacht werd gemaakt, noch op faublasserie, noch op iets koddigs.
Waar wy, in-weerwil hiervan, toch iets meenen te ontdekken dat op
farce gelykt, moeten we denken aan de koddigheid die teweeg wordt
gebracht door 't mislukt-verhevene, volstrekt niet aan opzettelyke
grappen.
- Als ik dood ben;
zullen ze my begrave...
- Ze zullen my...
Ze? Wie... ze? Wel,
al de ‘mooie meissies!’ Is 't grandioos of niet, lezer, zich
zóó'n uitvaart te bestellen?
- Ze zullen my naar
't kerrikhof toe drage.
- Ze zullen
schryve-n-op m'n graf:
- ‘Hier ligt de
jonkman die alle mooie meissies liefhad!’
Die laatste regel is
te lang, meent Pennewip. Onnoozele Pennewip! Hy zou hem niet te lang
gevonden hebben, als men gezongen had: ‘hier ligt de oude eerwaardige
verzenmaker, wiens school om de goede zeden beroemd was tot op
Wittenburg toe, en die met behulp zyner echtgenoote, les gaf in
naaien, breien, stoppen, stikken, merken en de godsdienst.’ Maar zóó
zyn die menschen. Altyd jaloers op alles wat omgaat buiten hun
school...
Neen,
jaloers was de brave Pennewip niet. Hy was maar bekrompen. Ook in hem
vertoonde zich de tegenstrydigheid in 't verkeerd schatten van hoog en
laag, die we zoo-even in de gelegenheid waren optemerken by z'n
geestverwanten. Dat het een-of-ander dier uit 'n gezicht van Daniël,
meer klauwen of pooten had dan 'n dier betaamt, hinderde hem volstrekt
niet. Maar 'n voet of wat te veel in 'n versregel maakte hem
ongelukkig. Had-i er dan nooit op gelet, hoe handig 'n straatkoor de
fouten van den dichter bemantelde? Wie goed luisterde, vond het
grafschrift van den universeelen jonkman Liefdestrik nog veel te kort,
en uit die dieren van Daniël kan men met den besten wil niet wys
worden.
[1]
Met uw verlof, Sertrude! Als gyzelf wat hooger stondt, zoudt ge uw
neus minder hoog optrekken.
Ik heb eerder opgemerkt dat ik - o.a.
- mijn best doe om Multatuli's gezegden op te merken. Dit is er zo
één. Variant: Neerbuigendheid is vaak een teken van laagheid.
[2]
... wanneer we de Volkspoëzie van tegenwoordig vergelyken by wat er
van vroeger tyden tot ons kwam, is de slotsom treurig.
Ik heb geen idee - niet waar M. op
doelde, en niet wat er werkelijk aan de door hem bedoelde "Volkspoëzie"
bestond in zijn tijd.
[3]
Want schryfmenschen zyn ten-allen-tyde ongelukkige beoordeelaars
geweest van wat in hun
eigen vak kunstwaarde had. De oorzaak ligt voor de hand. Ze
minachtten alles wat niet beantwoordde aan de schoolmeesterlyke
eischen van 't métier.
Dit is natuurlijk hooguit
gedeeltelijk waar, en in ieder geval is de opgang van proza vrijwel
altijd aan één van drie dingen te danken: Het is modieus; het is
bijzonder; "schryfmenschen"
roemen het.
[4]
den smaak des Volks, dat... graag dol vroolyk is, nu ja, hoe doller
hoe liever, maar geen grooter vroolykheid kent dan 't smachtend
sentimenteele.
Dit is nog steeds zo, als men
tenminste aan André Hazes of Johnny Jordaan denkt. Een verklaring
staat in [8].
[5] Geen
gedachte zonder fosfor? Eilieve: geen poëzie zonder wellust. En meer
nog, zonder wellust geen schoonheidsgevoel, geen schepping op 't
gebied van geest of gemoed.
De Nederlandse 19e-eeuwse
scheikundige professor Jacob Moleschot, overigens werkzaam buiten
Nederland, werd bekend met de bewering "Geen
gedachte zonder fosfor".
Multatuli's aanvulling is minstens aardig.
[6] 't Rym is wat
verwaarloosd, zou meester Pennewip zeggen. Nu ja, maar overigens...
Wat mij opvalt is dat ook dit
kennelijk populaire lied, zoals het in de Tweede Wereldoorlog zowel
onder Engelsen en Amerikanen als Duitsers "Lili Marlene" over een
schildwacht ging.
[7]
Wel zeker, overigens is 't lief! Vooral wanneer men zich de smeltende
melodie daarby denkt, die ik nu den lezer niet kan voorzingen, omdat
ik te ver van hem af ben.
Multatuli, indien goed gestemd, zong
soms, volgens zijn tweede vrouw, en had een tenor.
[8]
Och, hoe de groente- mossel- en notenmeiden de sylben lang uithaalden,
om toch zooveel ze vermochten getuigenis te geven van iets als gevoel.
Dat ze valsch zongen, slecht, onwelluidend, tegen alle regels van de
Kunst... wat gaven de stumperts om Kunst? De bedoeling was maar dat de
hoorder innig doordrongen zou zyn van de hartelykheid waarmee die
verdwenen beminde gezocht werd.
Ja, inderdaad. Gedeeltelijk heeft dit
met "den smaak
des Volks" te doen, waar ik in
[4] wat over opmerkte, maar die volkssmaak,
adekwaat aangeduid met "Kitsch" wordt weer bewogen, net als in het
geval van schilderijen van wenende zigeunermeisjes, door de wens tot
duidelijkheid, overduidelijkheid, onontkoombare opgelegdheid van de
emotie waarop gedoeld wordt.
[9] ..
schoon het de vraag blyft of er grooter genot te verwachten was van 't
weerzien, dan door de kittelende smart van dat zoeken geleverd werd.
Ja, en een algemene levensles is dat
de reizen naar doelen veel belangrijker, langduriger, waardenvoller en
leerzamer zijn dan de doelen die men uiteindelijk wel of niet bereikt.
Een tweede algemene levensles in dit verband is dat de doelen die men
bereikt zelden of nooit de inhoud en beloning met zich meebrengen waar
het om te doen was voordat men ze bereikte. Vrijwel alles van waarde
blijkt anders uit te pakken dan men vooraf aannam.
[10]
- Ik zou ze-n-an 'n
touwetje ryge,
- Ik zou ze
kuipe-n-in 'n vat...
Vreemd is 't!
Ongepast is 't! Polizeiwidrig is 't! Onpraktisch is het! Maar
onkuisch is 't niet. De heilige Aloyzius van
Gonzaga kon de zaak niet delikater behandelen.
Ik weet niet of het niet "onkuisch
is" bedoeld. Naaien is een
aanduiding van sex, en "een kuiperijtje" een term voor een sexuele
affaire. Maar ik weet ook niet of M. hier opzettelijk naïef is.