Idee 1049d.                                                

 

Met uw verlof, Sertrude! Als gyzelf wat hooger stondt, zoudt ge uw neus minder hoog optrekken. [1] Er is iets liefs in die chanson de la rue, door 't gemeene volk geïmprovizeerd op noten van Mozart. Gedurende myn kort leven reeds, zyn we op dit punt zeer achteruit gegaan, en wanneer we de Volkspoëzie van tegenwoordig vergelyken by wat er van vroeger tyden tot ons kwam, is de slotsom treurig. [2] En... 't beste is niet tot ons gekomen. Want schryfmenschen zyn ten-allen-tyde ongelukkige beoordeelaars geweest van wat in hun eigen vak kunstwaarde had. De oorzaak ligt voor de hand. Ze minachtten alles wat niet beantwoordde aan de schoolmeesterlyke eischen van 't métier. [3] Kreupele rymen, maatverkrachting, dagelyksche woorden, straatgeboorte... hoe kon er poëzie voortkomen uit zulke Nazareths?

En 't fatsoen! Het zinspelen op verboden zaken... neen, 't verboden zinspelen op dingen die liefelyker klinken zouden, als men 't maar niet in 't hoofd gekregen had deugd te vervalschen tot preutsheid. Schryfletterkunde drong de volkslitteratuur van de baan, en deftigheid smoorde de natuurkapriolen van 't straatminnelied. Kapriolen... bokkesprongen, zeker! De door verzenmakers van beroep vervaardigde ‘volksliederen’ gelyken àl zoo weinig op den waren geest van 't Volk, als 'n neurenberger-speelgoedschaapje op de huppelende jonge geit die te-viervoet van den grond springt zonder zich te bekommeren over 't neerkomen.

Die laatste vergelyking moge eenigszins passen wat de tuchteloosheid aangaat, waarmee we in Wouters tyd, maat en rym van straatliederen hoorden mishandelen, voor 't overige gaat ze byzonder mank. Hoe de stemming van 't Volk in vorige eeuwen moge geweest zyn - vroolyk misschien? - is my onbekend, maar in den tyd waarvan ik spreek, was die stemming melankolisch en zelfs treurig. Men zoeke daarvan den weerklank niet in liederboeken. Op zeer weinig uitzondering na, laat 'n Volk zich geen gezangen voorschryven door deftige personen die altyd mistrouwd worden. Hoogstens neemt het wat over van den orgelman. Om in de dagen die ik bedoel, wèl toegerust te zyn, moest zoo'n erfgenaam der Frauenlobs, Eschenbachen en Tannhäusers 'n vrouw naast zich hebben met 'n kind op den arm, en drie, vier andere ‘wurmen’ die haar aan rok en voorschoot hingen. En op 't orgel lag 't vyfde of zesde dat, te oordeelen naar de gestalte der moeder, straks ophouden zou 't jongste te zyn. De echtgenoote hield 'n pak litteratuur in de hand, en galmde...

Waarachtig, de zaak is melankoliek! Een knip aan 't instrument... knik, knak, de cylinder schuift, stuit, wentelt, preludeert...

De stalen pinnen tokkelen tegen de tanden van den kam...

Maar dat moet presto gespeeld worden! Prestissimo! Allegro!

Beste Mozart, ge hebt niet gerekend op de tering van dien orgelsjouwer! Niet op de vermoeienis der arme vrouw, bezaaid met kroost! Niet ook op den smaak des Volks, dat... graag dol vroolyk is, nu ja, hoe doller hoe liever, maar geen grooter vroolykheid kent dan 't smachtend sentimenteele. [4]

Velen zullen dit vreemd vinden, en meenen dat de straatgalmen getuigenis geven van het tegendeel. Misschien is dit zoo in onze dagen, maar 't wàs eenmaal zoo niet, en ikzelf heb die verandering beleefd. Waren 't verdwaalde spranken van de o- en ach-poëzie? Lag 't in de politische tydsomstandigheden? Was 't 'n voorlooper van de hedendaagsche sociaal-kwestien? Ik weet het niet. Maar zeker is 't dat de ongeleerde muze der straten de vroolykste melodien omzette in iets weemoedigs. En, dat ook hier alweer 't hysterisch element niet ontbrak...

Geen gedachte zonder fosfor? Eilieve: geen poëzie zonder wellust. En meer nog, zonder wellust geen schoonheidsgevoel, geen schepping op 't gebied van geest of gemoed. [5]

't Mag waar zyn dat ondeugende toespelingen by zulke gelegenheden niet werden gespaard. Dat was de saus, by 't gerecht! Maar toch... 't idyllische blonk door, niet alleen, maar heerschte zelfs in den toon waarop men z'n verzen zette.

Of was 't niet idyllisch, 't gezang waarin 'n dwalend meisje haren beminde zocht, en krytend vraagde:

 Och lieve schildwacht heb jy hem niet gezien?
     Twee lippies als een koraal
     Twee oochies als een kristaal,
 Hy is myn troost en myn toevoorlaat...

't Rym is wat verwaarloosd, zou meester Pennewip zeggen. Nu ja, maar overigens... [6]

Wel zeker, overigens is 't lief! Vooral wanneer men zich de smeltende melodie daarby denkt, die ik nu den lezer niet kan voorzingen, omdat ik te ver van hem af ben. [7] Och, hoe de groente- mossel- en notenmeiden de sylben lang uithaalden, om toch zooveel ze vermochten getuigenis te geven van iets als gevoel. Dat ze valsch zongen, slecht, onwelluidend, tegen alle regels van de Kunst... wat gaven de stumperts om Kunst? De bedoeling was maar dat de hoorder innig doordrongen zou zyn van de hartelykheid waarmee die verdwenen beminde gezocht werd. [8] Waarlyk, men kreeg lust om meetezoeken, en 't vinden bytewonen, schoon het de vraag blyft of er grooter genot te verwachten was van 't weerzien, dan door de kittelende smart van dat zoeken geleverd werd. [9]

En hoe kwam de liereman die 't eerst deze minneklacht opdeunde voor 't Amsterdamsch straatpubliek, aan 'n tekst uit Salomo's prachtig Hooglied? Dit is goden en lieremannen bekend! Treffend blyft het - en 'n aardige bydrage tot de hardnekkigheid, waarmee zekere gegevens den Kampf ums Dasein voeren! - hoe zoo'n aandoenlyke type, na veertig eeuwen doodslaap, zich op-eenmaal weer vertoont, ginds begraven onder het puin van Jeruzalem, hier verryzend onder 't gepeupel van 'n gewezen groote stad.

Maar we waren by Mozart. Wie de muziek leverde op Salomo's poëzie, weet ik niet, en evenmin kan ik zeggen wie de woorden gedicht heeft op de melodie die Leentje zoo bekend klonk in den muzentempel van Jan Gras. Maar wel herinner ik my 'n paar brokstukken - caetera desunt, helaas! - en ik leg me den moed op, ze in druk te geven. Ziehier wat zoo afschuwelyk werd gevonden door de dames Pieterse. Mocht een van m'n lezers het schoone gedicht in z'n geheel kennen, hy zou me verplichten door de mededeeling. Aan aanvulling door eigen maaksel, waag ik me niet.

 Mooie meissies, mooie blomme,
 Van een mooi meissie ben ik gekomme,
 En een mooi meissie is m'n hartedief,
 Daarom...

De konkluzie is stout!

 Daarom heb ik alle mooie meissies lief!

Hier is, geloof ik, 't couplet uit. En dit mag wel. Een flinke ritournel op 't orgel kan hier wat ruimte van tyd geven, om den hoorder te doen bekomen van z'n schrik over zoo'n Lovelace! Alle... alle... wel verbazend! Waar blyven hierby de arkadische Mirtyllen en Meliboeën? O, de heele Virgilius zinkt weg, by wat er volgt. En Tibullus! En Theokritus! En Katullus!

En Janus Secundus met z'n ‘kusjes!’ En Jonctys met z'n ‘Roseliins Oochies!’ En Bellamy...

Kortom, ik eisch 'n hekatombe van minnedichters op 't graf van den onbekenden poëet, die z'n weemoedig-verliefde complainte durfde in de plaats stellen van de woorden waarop Mozart 'n allervroolykst motet komponeerde. Ze vormen de slot-aria der eerste akte uit ‘Figaro's Hochzeit’ waar de aardige page Cherubin, die van-honk en naar 't leger wordt gezonden omdat-i... te aardig begon te worden voor dames-page, zoo grappig door Figaro wordt geplaagd met z'n nieuwe betrekking van held.

In 't straatminnelied is geen spoor van plagery. Zelfs niet van scherts, al schynt het anders. Ook de tweede regel kan slechts ondeugend gevonden worden door 'n bedorven smaak. Ze is maar naïf. En 't vervolg!

 Kon ik alle mooie meissies kryge...
 Ik zou ze...

Die drie puntjes zyn van my. Niet omdat ik ondeugender wezen wil dan 't gedicht - ik zou er kans toe zien! - maar om den braafsten lezer tyd te geven tot overdenken wat de zanger zich al zoo voornam te doen - in alle eer en deugd te doen! - met al die ‘mooie meissies.’

Met alle! Sapristi!

Ziehier 't naïve weer, en zeg me of 'n kind aan de borst van z'n moeder onnoozeler met zooveel meisjes zou kunnen omgaan, dan de larmoyante zanger?

 Ik zou ze-n-an 'n touwetje ryge,
 Ik zou ze kuipe-n-in 'n vat...

Vreemd is 't! Ongepast is 't! Polizeiwidrig is 't! Onpraktisch is het! Maar onkuisch is 't niet. De heilige Aloyzius van Gonzaga kon de zaak niet delikater behandelen. [10]

Op die moorddadige, doch overigens hoogst onschuldige kuipery volgt, als gedachtenrym op al 't vorige, de verzuchting:

 Och, als ik alle mooie meissies had!

De strenge moralist moge hier zekere te ver gedreven begeerigheid wraken, en den zanger afvragen of-i zich niet zou kunnen tevreden stellen met de helft... onzedelyk in gewonen zin, is de wensch alweer niet. Dit blykt ten-volle uit het kiesch gebruik dat de troubadour van z'n slachtoffertjes maken wil.

Er is nòg 'n couplet dat me in 't geheugen bleef hangen, en waarmee 't gedicht waarschynlyk besloten werd. De melankolie waarop ik gewezen heb, straalt er in door. Ze gaat over in het tragische, en wel op 'n manier die duidelyk aantoont dat er in de vorige regels geenszins jacht werd gemaakt, noch op faublasserie, noch op iets koddigs. Waar wy, in-weerwil hiervan, toch iets meenen te ontdekken dat op farce gelykt, moeten we denken aan de koddigheid die teweeg wordt gebracht door 't mislukt-verhevene, volstrekt niet aan opzettelyke grappen.

 Als ik dood ben; zullen ze my begrave...
 Ze zullen my...

Ze? Wie... ze? Wel, al de ‘mooie meissies!’ Is 't grandioos of niet, lezer, zich zóó'n uitvaart te bestellen?

 Ze zullen my naar 't kerrikhof toe drage.
 Ze zullen schryve-n-op m'n graf:
 ‘Hier ligt de jonkman die alle mooie meissies liefhad!’

Die laatste regel is te lang, meent Pennewip. Onnoozele Pennewip! Hy zou hem niet te lang gevonden hebben, als men gezongen had: ‘hier ligt de oude eerwaardige verzenmaker, wiens school om de goede zeden beroemd was tot op Wittenburg toe, en die met behulp zyner echtgenoote, les gaf in naaien, breien, stoppen, stikken, merken en de godsdienst.’ Maar zóó zyn die menschen. Altyd jaloers op alles wat omgaat buiten hun school...

Neen, jaloers was de brave Pennewip niet. Hy was maar bekrompen. Ook in hem vertoonde zich de tegenstrydigheid in 't verkeerd schatten van hoog en laag, die we zoo-even in de gelegenheid waren optemerken by z'n geestverwanten. Dat het een-of-ander dier uit 'n gezicht van Daniël, meer klauwen of pooten had dan 'n dier betaamt, hinderde hem volstrekt niet. Maar 'n voet of wat te veel in 'n versregel maakte hem ongelukkig. Had-i er dan nooit op gelet, hoe handig 'n straatkoor de fouten van den dichter bemantelde? Wie goed luisterde, vond het grafschrift van den universeelen jonkman Liefdestrik nog veel te kort, en uit die dieren van Daniël kan men met den besten wil niet wys worden.


[1] Met uw verlof, Sertrude! Als gyzelf wat hooger stondt, zoudt ge uw neus minder hoog optrekken.

Ik heb eerder opgemerkt dat ik - o.a. - mijn best doe om Multatuli's gezegden op te merken. Dit is er zo één. Variant: Neerbuigendheid is vaak een teken van laagheid.


[2] ... wanneer we de Volkspoëzie van tegenwoordig vergelyken by wat er van vroeger tyden tot ons kwam, is de slotsom treurig.

Ik heb geen idee - niet waar M. op doelde, en niet wat er werkelijk aan de door hem bedoelde "Volkspoëzie" bestond in zijn tijd.


[3] Want schryfmenschen zyn ten-allen-tyde ongelukkige beoordeelaars geweest van wat in hun eigen vak kunstwaarde had. De oorzaak ligt voor de hand. Ze minachtten alles wat niet beantwoordde aan de schoolmeesterlyke eischen van 't métier.

Dit is natuurlijk hooguit gedeeltelijk waar, en in ieder geval is de opgang van proza vrijwel altijd aan één van drie dingen te danken: Het is modieus; het is bijzonder; "schryfmenschen" roemen het.


[4] den smaak des Volks, dat... graag dol vroolyk is, nu ja, hoe doller hoe liever, maar geen grooter vroolykheid kent dan 't smachtend sentimenteele.

Dit is nog steeds zo, als men tenminste aan André Hazes of Johnny Jordaan denkt. Een verklaring staat in [8].


[5] Geen gedachte zonder fosfor? Eilieve: geen poëzie zonder wellust. En meer nog, zonder wellust geen schoonheidsgevoel, geen schepping op 't gebied van geest of gemoed.

De Nederlandse 19e-eeuwse scheikundige professor Jacob Moleschot, overigens werkzaam buiten Nederland, werd bekend met de bewering "Geen gedachte zonder fosfor". Multatuli's aanvulling is minstens aardig.


[6] 't Rym is wat verwaarloosd, zou meester Pennewip zeggen. Nu ja, maar overigens...

Wat mij opvalt is dat ook dit kennelijk populaire lied, zoals het in de Tweede Wereldoorlog zowel onder Engelsen en Amerikanen als Duitsers "Lili Marlene" over een schildwacht ging.


[7] Wel zeker, overigens is 't lief! Vooral wanneer men zich de smeltende melodie daarby denkt, die ik nu den lezer niet kan voorzingen, omdat ik te ver van hem af ben.

Multatuli, indien goed gestemd, zong soms, volgens zijn tweede vrouw, en had een tenor.


[8] Och, hoe de groente- mossel- en notenmeiden de sylben lang uithaalden, om toch zooveel ze vermochten getuigenis te geven van iets als gevoel. Dat ze valsch zongen, slecht, onwelluidend, tegen alle regels van de Kunst... wat gaven de stumperts om Kunst? De bedoeling was maar dat de hoorder innig doordrongen zou zyn van de hartelykheid waarmee die verdwenen beminde gezocht werd.

Ja, inderdaad. Gedeeltelijk heeft dit met "den smaak des Volks" te doen, waar ik in [4] wat over opmerkte, maar die volkssmaak, adekwaat aangeduid met "Kitsch" wordt weer bewogen, net als in het geval van schilderijen van wenende zigeunermeisjes, door de wens tot duidelijkheid, overduidelijkheid, onontkoombare opgelegdheid van de emotie waarop gedoeld wordt.


[9] .. schoon het de vraag blyft of er grooter genot te verwachten was van 't weerzien, dan door de kittelende smart van dat zoeken geleverd werd.

Ja, en een algemene levensles is dat de reizen naar doelen veel belangrijker, langduriger, waardenvoller en leerzamer zijn dan de doelen die men uiteindelijk wel of niet bereikt. Een tweede algemene levensles in dit verband is dat de doelen die men bereikt zelden of nooit de inhoud en beloning met zich meebrengen waar het om te doen was voordat men ze bereikte. Vrijwel alles van waarde blijkt anders uit te pakken dan men vooraf aannam.


[10]

 Ik zou ze-n-an 'n touwetje ryge,
 Ik zou ze kuipe-n-in 'n vat...

Vreemd is 't! Ongepast is 't! Polizeiwidrig is 't! Onpraktisch is het! Maar onkuisch is 't niet. De heilige Aloyzius van Gonzaga kon de zaak niet delikater behandelen.

Ik weet niet of het niet "onkuisch is" bedoeld. Naaien is een aanduiding van sex, en "een kuiperijtje" een term voor een sexuele affaire. Maar ik weet ook niet of M. hier opzettelijk naïef is.

Idee 1049d.