Idee 1049c.                                                


De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk voor prenten waren. Hy hing 'n tafereel op van zaken die, hoe bekend ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld, en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes 'n groote rol spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten ontleend waren, en over tooneelspelen in 't algemeen.

't Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen als iets verdachts. De woorden ‘tooneel’ en ‘schouwburg’ hebben nog thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was 'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. [1] Maar 't genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde. [2]

- Zieje, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken tusschen 'n treurspel en... de vertonning van allerlei gekheid, waaruit 'n mensch niets leeren kan.

Er zyn van die komedies, die... heel treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen.

- Gut, zei jufvrouw Pieterse.

- Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat noemen ze dan by voorbeeld... 'n opera. En heel veel fatsoenlyke menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers.

- Is 't mogelyk!

- Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke stukken, en 't zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn.

- Dàt moet je dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy zegt altyd...

- Wat zy zegt! 't Mensch heeft nooit 'n komedie gezien.

Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk geen haarbreed verder. Slechts Leentje misschien...

- Daar heb je 't! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend in de komedie geweest zyn... want het was 'n donderdag... zoo zieje, hoe dan toch obboedekon alles aan den dag komt! [3]

De wereld is vol mysterien, en wie op klassificeeren gesteld is, zou eigenlyk de menschen kunnen verdeelen naar de soort van geheimen die ze nasporen. [4] De een wil weten wie de naakte jongeling was uit Markus XIV, vs. 50, en wat er van hem geworden is? Een ander zoekt de ware beteekenis van 't woord sela in de psalmen. Velen gaan gebukt onder de geheimzinnigheid van de Openbaring...

't Is niet onaardig optemerken hoe men zich over 't algemeen liever bezig houdt met iets abstrakts, met iets boekerigs, iets wat in-verband kan worden gebracht met geleerdheid of dogma, dan met de dagelyksche zaken die zich aan ons opdringen. 't Lage is ons altyd te hoog geweest, en de kennisse Gods inderdaad het beginsel van alle wysheid. Ze ging namelyk alle andere kennis vooraf. Het schynt den mensch meer te hebben aangetrokken zich te verdiepen in de eigenschappen van z'n goden, dan onderzoek te doen naar den aard der dingen die hy onder de oogen had. Om 'n schuit te maken, had-i 'n dryvende boomstam noodig die hem den weg wees, maar walhallaas, olympen, elyzeesche velden en paradyzen vervaardigde hy kant en klaar zonder 't minste model. Dit wàs zoo, en is zoo. [5] Een weddingschap lezer?

Koop 'n vinkennet - iets grooter dan de gewone, en stevig geknoopt - span het aan weerszy van 'n druk bezochte straat - de Kalverstraat te Amsterdam, by 't aangaan van de beurs, byv. - en sla toe! Hoeveel vinken hebt ge gevangen? Honderden, hoop ik. Duizenden misschien! Des-te-beter. Hoe meer hoe liever voor de proef die ik u voorsla. Ik bied u honderd gulden voor elken vink die nagenoeg kan uitleggen hoe de magnetische telegraaf werkt, mits ge my één gulden betaalt voor elk individu die verzekeren durft dat God zoo byzonder ‘groot’ is.

Wilt ge de proef anders inrichten? Vraag den eersten den besten naar 't een-of-ander ingewikkeld vraagstuk op het terrein van Psychologie, van Geschiedenis, van Staatkunde. Zelden zal iemand zich inkompetent verklaren. Maar - en niet eens zonder zekeren trots - de man die ‘in kouzen doet’ zal z'n onwetendheid erkennen in 't vak van onderbroeken of slaapmutsen. [6]

Deze voorliefde voor pretense kennis van 't onëxakte zal wel ontstaan zyn uit kwakzalverige luiheid. [7] Men tracht te pronken met zeker produkt dat saamgesteld is uit de faktoren: onderzoek, en: belang der behandelde zaak. Hoe hooger nu de laatste faktor, hoe lager de andere wezen mag. [8] God, Rusland of sociaal-kwestie maal 'n zeer geringe dozis inspanning, levert 'n slotsom die wèl heet optewegen tegen 't produkt der faktoren van met zorg uitgewerkte kleiner problemen.

We vinden dit verschynsel overal. Een geneesheer die de tering niet geneest, staat by velen hooger in rang dan de pedikuur die wèl 'n likdoorn snydt. Hooger ook dan de chirurg, wiens arbeid men met oogen zien kan. In de gewone zegswys: ‘God is groot, maar we begrypen hem niet’ schynt 'n onjuiste konjunktie te zyn binnengeslopen. Men kan gerust aannemen dat die God z'n heele renommee van grootheid juist aan dit niet-begrypen te danken heeft, en dat-i dus ten allen tyde zoo groot gevonden is omdat men hem niet begrypen kon. [9] 't Is opmerkelyk hoe de velen die hierover anders denken dan ik - 't woord: denken is gewaagd! - zich telkens verspreken. Zyzelf noemen gedurig de ‘onnaspeurlykheid van Gods wegen’ onder de eigenschappen die ze zoo byzonder mooi schynen te vinden. Hoe ze 't, by zoo'n erkentenis, durven afkeuren dat 'n ‘onwetende’ geen licht ontdekt in zaken die zyzelf ophemelen als zoo byzonder duister, vat ik niet. [10]

De meerderheid zal altyd de voorkeur geven aan 't onbestemde, en hierin blyven gelyken op Wouter, die meer genoegen schiep in de poppen waarvan hy niets wist, dan in afgewerkte geschiedenisjes. Maar Wouter was 'n kind, en zal dit niet blyven. Mensheid en Maatschappy moesten verder zyn op hun leeftyd. [11] Dat de minachting voor 't gewone - zoo sprekend getuigende van lage opvatting - by de Pietersens vry onbepaald heerschte, was natuurlyk. Wat Jan Klaassen gezegd had, mocht vergeten worden, maar 't nietigst woord van dezen of genen man uit de Schrift, of al ware 't ook maar van 'n professer, was de moeite van 't onthouden of kommenteeren waard.

Toch bestond hierop één uitzondering. Het huishouden, of wat daarmee kon geacht worden in-verband te staan, deelde in den voorrang van heilighedens en officieele autoriteit. Het is de vraag, of onze juffrouw Pieterse 'n Engel des Heeren vriendelyk zou ontvangen hebben als-i haar was komen storen in de bereddering met keuken of wasch!

Een huishoudelyke zaak nu was 't geweest, dat Leentjen eens 'n achtermiddag verlof had gevraagd wegens ‘schrikkelyke hoofdpyn’ - by burgerluî is elke pyn terstond schrikkelyk - en... er was later gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: quos ego... en ite, deae pelagi! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine, Petrò! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en 't Ryk der ondeugd sidderde. [12]

- Als 't schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen sichetten over den vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar!

Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?

Ze wist beter dan gy en ik, lezer - want ze had het van Leentje's moeder, die er niet om jokken zou - dat de stumpert ‘heel bedaard zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de kleermakers-juffrouw van hier-naast.’

Den nacht? Den nacht?

Wàt toch, om 's hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten kunnen uitvoeren? 't Viel het onnozel meiske reeds moeielyk genoeg, niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon, iets te gebruiken van de massa deugd die by haar braak lag! [13] En dat wist juffrouw Pieterse ook wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.

Maar Leentje was taai, en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd aan de kleermakers- juffrouw, die zich ‘zoo in-acht moest nemen voor de menschen, omdat haar man 'n nieuwlichter was.’

Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam toe, toen men in Leentje's naaidoosjen 'n afgescheurd stuk vond van 'n ‘personen-’ lystje. Ook had men Leentje betrapt op 't neurien van 'n lied dat voor 't eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: ‘'k bèn vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!’

En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, 't plechtig oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.

Ach ja, ze had ‘de komedie’ bezocht, en wel die van den befaamden Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de Elandstraat.

Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen wisten meetespreken.

't Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer verschrikkelyks geopenbaard te hebben, en wilde juist beloven dat ze 't nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam ‘dat er volstrekt geen kwaad stak in zoo'n uitspanning, en dat de grootste professers wel eens daarheen gingen...

- Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche professers...

- Nu, dat's hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat 'n mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens fransiman wat je daar zoo al gezien hebt.

Leentjen aan 't vertellen. Wouter legde z'n penseel neer. Petrò's strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes mond, zette hy 'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben kunnen vertellen, als-i 't maar niet zoo druk gehad had met z'n pyp, en hy keek z'n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels. [14]

Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren onthaald geworden op ‘De Onechte Zoon’ van Kotzebue. Hoogstens was er kans geweest dat ze ‘Menschenhaat en Berouw’ of ‘De dood van Rolla’ als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar die ‘Onechte Zoon’ gaat voor. Er is meestal 'n hysterisch element in de uitspattingen van burgerlyke styfheid [15], en de kleermakers-juffrouw die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was 'n faiseur die z'n zaak verstond. Geen van z'n stukken maakte dan ook zooveel opgang als dat fameuse ‘Kind der Liebe.’ Of deze benaming aanduidt dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als voortbrengels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen. [16]

Ziehier iets van Leentje's verhaal.

- Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen 't scherm opging was er 'n groot bosch, en 'n vrouw zat te huilen onder 'n boom, en er was 'n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i 'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer en meester op z'n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam 'n ander die zei...neen, zoo was 't ook niet, maar toen viel de gordyn weer, en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken, omdat de kleermakers-juffrouw zei dat 't alle dagen geen kermis was. En er zat 'n heer achter ons, die alles uitleî, en die de kopjes van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was, en de kleermakers-juffrouw heeft 'm 'n pepermentje geprezenteerd, maar hy zei dat we-n-'ns moesten kyken naar 't scherm, omdat daarop allerleî geschilderd was, groote beelden in 'n wolk, en bloemen, en 'n man die op 'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt, juffrouw? Ze speelden: mooie meissies, mooie bloemen...

- Foei, riepen de drie gratien. Zoo'n gemeene straatdeun! [17]


[1] De woorden ‘tooneel’ en ‘schouwburg’ hebben nog thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was 'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig.

Ik vermoed dat dit ondertussen veranderd is. In mijn jeugd - de vijftiger jaren van de 20ste eeuw - was er nog steed iets van aan, ook onder "meer ontwikkelde mensen".


[2] Maar 't genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde.

Dit is heel gebruikelijk, zoals het ook heel gebruikelijk is dat het geweten feitelijk neerkomt op conformisme aan de lokale "bekrompenheid". Toch is het ook zo dat de meeste mensen, zoals Stoffel, niet echt in staat zijn tot veel beter dan het volgen van de voorbeelden van anderen.


[3] hoe dan toch obboedekon alles aan den dag komt!

 

[4] De wereld is vol mysterien, en wie op klassificeeren gesteld is, zou eigenlyk de menschen kunnen verdeelen naar de soort van geheimen die ze nasporen.

Inderdaad. Maar wellicht is de methode die ze prefereren voor het oplossen van de "mysterien", waarmee ieder's wereld inderdaad gevuld is, belangrijker dan de soort.


[5] 't Is niet onaardig optemerken hoe men zich over 't algemeen liever bezig houdt met iets abstrakts, met iets boekerigs, iets wat in-verband kan worden gebracht met geleerdheid of dogma, dan met de dagelyksche zaken die zich aan ons opdringen. 't Lage is ons altyd te hoog geweest, en de kennisse Gods inderdaad het beginsel van alle wysheid. Ze ging namelyk alle andere kennis vooraf. Het schynt den mensch meer te hebben aangetrokken zich te verdiepen in de eigenschappen van z'n goden, dan onderzoek te doen naar den aard der dingen die hy onder de oogen had. Om 'n schuit te maken, had-i 'n dryvende boomstam noodig die hem den weg wees, maar walhallaas, olympen, elyzeesche velden en paradyzen vervaardigde hy kant en klaar zonder 't minste model. Dit wàs zoo, en is zoo.

Bij benadering. In feite bestaat dat waarmee "men zich over 't algemeen liever bezig houdt" vooral uit wensdenkerij.


[6] Vraag den eersten den besten naar 't een-of-ander ingewikkeld vraagstuk op het terrein van Psychologie, van Geschiedenis, van Staatkunde. Zelden zal iemand zich inkompetent verklaren. Maar - en niet eens zonder zekeren trots - de man die ‘in kouzen doet’ zal z'n onwetendheid erkennen in 't vak van onderbroeken of slaapmutsen.

En de reden ligt voor de hand: Er zijn veel meer échte experts over "onderbroeken of slaapmutsen" dan over vraagstukken van "van Psychologie, van Geschiedenis, van Staatkunde".


[7] Deze voorliefde voor pretense kennis van 't onëxakte zal wel ontstaan zyn uit kwakzalverige luiheid.

Nee: Wensdenkerij, domheid en onwetendheid.


[8] Men tracht te pronken met zeker produkt dat saamgesteld is uit de faktoren: onderzoek, en: belang der behandelde zaak. Hoe hooger nu de laatste faktor, hoe lager de andere wezen mag.

Juist: Dat is nog steeds een fundamentele overweging in Zaken des Geloofs. Iedere gelovige eist Respect voor z'n eigen vorm van religieuze waanzin of bijgeloof, niet omdat hij er veel van weet of een rationeel beargumenteer gelijk heeft, maar vanwege het gepretendeerde "belang der behandelde zaak".


[9] In de gewone zegswys: ‘God is groot, maar we begrypen hem niet’ schynt 'n onjuiste konjunktie te zyn binnengeslopen. Men kan gerust aannemen dat die God z'n heele renommee van grootheid juist aan dit niet-begrypen te danken heeft, en dat-i dus ten allen tyde zoo groot gevonden is omdat men hem niet begrypen kon.

De kerkvader Tertullianus probeerde zich hier als volgt uit te draaien: "Credo quia absurdum" - ik gelóóf het omdat het absurd is. Maar dit is op nogal wat manieren oneerlijke falsche Spitzfindigkeit. Ik noem er twee.

Ten eerste: Het is zeer de vraag of men werkelijke tegenspraken, zoals het katholieke mysterie van de drie-éénheid (God is één en toch drie: de vader, de zoon en de heilige geest) werkelijk kan geloven. Mij dunkt van niet, hoewel het evident is dat men kan doen alsof en zichzelf kan bedriegen.

Ten tweede: Het grote probleem voor wie gelooft in X zonder te begrijpen wat hij gelooft, met of zonder trots dat hij gelooft wat hij niet begrijpt, is waarom men in X gelooft, en niet in het tegendeel, of iets anders onbegrijpelijks, of in helemaal niets. Als "Credo quia absurdum" een argument vóór het geloof is, of als het een argument vóór het geloof is dat men niet begrijpt wat men beweert te geloven, dan moet ieder geloof in wat men niet begrijpt of absurd acht even goed zijn, of het verschil tussen dit of dat geloof een kwestie van smaak zijn.


[10] 't Is opmerkelyk hoe de velen die hierover anders denken dan ik - 't woord: denken is gewaagd! - zich telkens verspreken. Zyzelf noemen gedurig de ‘onnaspeurlykheid van Gods wegen’ onder de eigenschappen die ze zoo byzonder mooi schynen te vinden. Hoe ze 't, by zoo'n erkentenis, durven afkeuren dat 'n ‘onwetende’ geen licht ontdekt in zaken die zyzelf ophemelen als zoo byzonder duister, vat ik niet.

Zie Multatuli's "Gebed van de onwetende".


[11] Mensheid en Maatschappy moesten verder zyn op hun leeftyd.

Maar de mensheid wordt iedere generatie opnieuw geboren, en moet dus zelf uitvinden wat mens en maatschappij zijn. Het enige wat daarbij enigermate behulpzaam is zijn de ideeën van voorgaande mensen - maar die moet men dan wel kunnen en willen kennen. En dan nog is een groot deel ervan onzin en wensdenkerij, en voorzover het dat niet is vaak boven de vermogens can de doorsnee.


[12] Alles blaasde braafheid, en 't Ryk der ondeugd sidderde.

Een zinnige gissing over morele gevoelens en uitingen is dat beide zeer veel vaker gehuicheld worden dan dat ze werkelijk spelen. Dit is trouwens niet altijd slecht of minderwaardig: Beleefdheid is een deugdje die veel van het maatschappelijk verkeer veraangenaamt, maar gewoonlijk op weinig meer neerkomt dat weten hoe het hoort (daar en dan), en dat daarom doen, ongeveer zoals men rechts of links rijdt omdat dit tot de normen van het land behoort.


[13] Ach, wat had er veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon, iets te gebruiken van de massa deugd die by haar braak lag!

Leentje was o.a. krom gegroeid, zoals valt te ontnemen aan idee 1051a: Haar lichaampje was even rachitisch als de ziel.  


[14] De wereld is vol Stoffels.

Zie [2]: Dat is zo, maar de uiteindelijke reden is dat de meeste mensen niet veel beter kunnen dan ze doen, en niet in staat zijn zelfstandig tot rationele of redelijke ideeën te komen.

Trouwens... wie de meest perfecte kandidaat voor de rol van Stoffel in een waarachtig toneelstuk naar Woutertje Pieterse, die beschouwe de jeune premier Neerlandais du moment: Het verpletterende genie J-P Balkenende.


[15] Er is meestal 'n hysterisch element in de uitspattingen van burgerlyke styfheid

Ongetwijfeld, en met "hysterisch" bedoelde M. sexueel.


[16] Kind der Liebe.’ Of deze benaming aanduidt dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als voortbrengels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen.

Voor M.'s opvattingen hier zie 448.


[17] Foei, riepen de drie gratien. Zoo'n gemeene straatdeun!

In dit geval van de hand van de volkspianist Mozart, leren we in het volgend idee. Hoe slecht kan het ervoor staan met een volk dat zich vermaakt met Mozart en niet met Hazes? Hm...

 

Idee 1049c.