Idee 1049.                                                

 

Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De geest van Femke komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door Wouters neus. [1] We staan voor 't kleine te laag. Rehabilitatie van Petrus. Ophelia zonder vlekken... niet warranted voor de toekomst. Beschouwingen van Stoffel en Leentjen over dramatische kunst. Hoe Salomo en Mozart ver-amsterdamd geworden zyn.

Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen zy zich aan z'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist te geven van z'n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.

Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet, toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met het kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtpon, met 'n ‘bakkertjen’ op 't hoofd.

Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt besloten binnen den grens van de gegevens waarover hy in z'n herinnering te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen 't vandaan? Och, hy rangschikte. (244) En zelfs de onwillekeurigheid waarmee dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe nauwer z'n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken moest om de leedjes van z'n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op 't onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in 't breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke Alexander Philipse in z'n nachtjurk!

Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i beleefd had. [2]

De helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende revanche op Elias en I Kon. 18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe pruik, en wel van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den strooien krans van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag, en z'n leed scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn gehurkt in 'n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen was zeker 'n nar, want: ‘narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag.’

Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. [3] Toch deed-i dit liever dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van z'n onmiddelyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen, een van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of juffrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op zoo'n prent te staan.

En de kleeding! Kronen, diademen, toques en beretten! Helmen met fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met af hangende châtelaine-keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die pages met 'n vogel op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en gaf raadsels op. Want hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden by Wouters omgeving niet! ‘Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd.’

Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling was van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben, haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke ordinairheid. De eerste inbreuk op deze richting was door dien strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby gebleven zyn, wanneer hy niet op-eenmaal in Ophelia's gestalte iets ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen strooiende...

Hy schrikte! [4]

Wel had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met het meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet had kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's stem gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen met de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel, en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n gemoed. Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar ‘dat meisje’ gevraagd had...

O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petrò...

Neen, neen, neen! Zóó is 't niet geweest! De besten onder ons hebben iets van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.

Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt vanzelf, ik heb 't nooit anders ingezien.


[1] De geest van Femke komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door Wouters neus.

Volgens Maarten 't Hart geldt - zie 522 - over Multatuli dat "Hij was blind, doof, en kennelijk niet in het bezit van een reukorgaan. Nergens in het hele werk is ook maar één vermelding van hoe dingen ruiken."

Ik heb al opgemerkt dat 't Hart dan niet eens de Max Havelaar met begrip gelezen heeft. Zie verder 1049b.
 


[2] Hy moest zich vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i beleefd had.

Dit geldt natuurlijk voor ieder klein kind. Een verschil tussen heden en verleden is dat tegenwoordige kinderen uren TV per dag kunnen kijken, en daarmee in ieder geval meer informatie krijgen dan hun overgrootouders, in ieder geval.

Of het erg veel uitmaakt betwijfel ik: Het lijkt toch vooral alsof wat men denkt, doet, en aankan overwegend afhangt van eigen innerlijke rijping, en veel minder van het aanbod dat men krijgt - aangenomen dat dit een zekere minimumkwalititeit heeft. En dan is het natuurlijk wel droef als, zoals in Wouter's geval, het feitelijk aanbod van materiaal en informatie een selectie uit het allerbekrompenste, geestelijk armzaligste, en esthetisch meest gedrochtelijke is.

Maar zoals ik aangaf: Een enigermate hoopgevende bedenking hierbij is dat menselijke ontwikkeling veel meer gedreven wordt door groei en talent dan door aanbod van leerstof of ervaringen. Onderwijs en opvoeding helpen of hinderen, maar kunnen nooit de hoofdzaak vormen van wat men is.
 


[3] Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen.

Opnieuw, als in de vorige opmerking: Dit is het lot van vrijwel iedereen, dat ie zich een totaal wereld- en mens-beeld moet opbouwen uit het vergelijkenderwijs heel weinige en lokaal zeer gekleurde materiaal dat 'm omgeeft, alleen geholpen door hooguit een paar pond hersens en wat z'n omgeving aanreikt als onderwijs en opvoeding.

En het is een interessant feit dat het totale universum waarin men leeft alleen bekend wordt doordat het, zeer partieel, gerepresenteerd wordt door de hersenen. 
 


[4] Hy schrikte!

Van moderne spelling heb ik geen kaas gegeten en wil ik weinig of niets weten vanwege de grote mate van onzinnige schoolmeesterij erin. Maar het kan zijn dat ondertussen, anno 2005, "schrikte" de juiste o.v.t. is, terwijl ikzelf en Multatuli toch echt met "schrok" opgevoed zijn.

Idee 1049.