Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De geest van
Femke komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door
Wouters neus. [1] We staan voor 't kleine te laag. Rehabilitatie van
Petrus. Ophelia zonder vlekken... niet warranted voor de
toekomst. Beschouwingen van Stoffel en Leentjen over
dramatische kunst. Hoe Salomo en Mozart ver-amsterdamd
geworden zyn.
Niets alzoo boeide
onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige peinzende, tot
opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen zy zich aan z'n
verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou toespreken, en
dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist te geven van z'n
indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken voor, die om
zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te zeggen hadden,
die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.
Met
huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de
voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet,
toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen
schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met het
kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtpon, met 'n
‘bakkertjen’ op 't hoofd.
Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt
besloten binnen den grens van de gegevens waarover hy in z'n
herinnering te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter
overluid had durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de
jongen 't vandaan? Och, hy
rangschikte. (244)
En zelfs de onwillekeurigheid waarmee dit geschiedde, had hare niet
moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe nauwer z'n omgeving, hoe wilder de
sprongen die hy wel maken moest om de leedjes van z'n ziel
uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op 't onbegrensd terrein dat hèm
behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in 't breed domein dat-i bezig
was te veroveren! O, die onverzadelyke Alexander Philipse in z'n
nachtjurk!
Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich
vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige
personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i
beleefd had. [2]
De
helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem
zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet
vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde
eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van
Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende revanche
op Elias en I Kon.
18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe pruik, en wel
van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den strooien krans
van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag, en z'n leed
scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn gehurkt in 'n
hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen was zeker 'n
nar, want: ‘narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter van den
winter hooren, zoodra er sneeuw lag.’
Waar
onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden dienen
tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte hy
gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met
zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. [3] Toch deed-i dit liever
dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van
z'n onmiddelyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen, een
van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs Lady
Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk haar
handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of
juffrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op
zoo'n prent te staan.
En de
kleeding! Kronen, diademen, toques en beretten! Helmen met
fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't
venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop
men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met af hangende
châtelaine-keten...
alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf wat gittegom aan
te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die pages met 'n vogel
op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en gaf raadsels op. Want
hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand die niet bekend wil zyn.
Neen, neen, al die schoone zaken behoorden by Wouters omgeving niet!
‘Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand die zulke prenten bezit, ze
verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd.’
Al
had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling was
van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben, haar in
aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters eener
deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke ordinairheid.
De eerste inbreuk op deze richting was door dien strookrans van Koning
Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby gebleven zyn, wanneer hy
niet op-eenmaal in Ophelia's gestalte iets ontdekt had, dat hem
herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen staan, meende hy,
bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen strooiende...
Hy
schrikte! [4]
Wel
had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met het
meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's
moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet
had kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's
stem gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen
met de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En
hy nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars
liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel, en
spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n gemoed.
Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar ‘dat meisje’
gevraagd had...
O, die
kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar naam?
Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men zou
kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk
klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petrò...
Neen,
neen, neen! Zóó is 't niet geweest! De besten onder ons hebben iets
van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het meest.
Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart dit het
vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.
Och,
de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal voor ik
gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt vanzelf,
ik heb 't nooit anders ingezien.
[1]
De geest van
Femke komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door
Wouters neus.
Volgens Maarten 't Hart geldt - zie
522 - over Multatuli dat "Hij was
blind, doof, en kennelijk niet in het bezit van een reukorgaan. Nergens
in het hele werk is ook maar één vermelding van hoe dingen ruiken."
Ik heb al opgemerkt dat 't Hart dan niet
eens de Max Havelaar met begrip gelezen heeft. Zie verder
1049b.
[2]
Hy moest zich vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met
de weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje
dat-i beleefd had.
Dit geldt
natuurlijk voor ieder klein kind. Een verschil tussen heden en verleden
is dat tegenwoordige kinderen uren TV per dag kunnen kijken, en daarmee
in ieder geval meer informatie krijgen dan hun overgrootouders, in ieder
geval.
Of het erg veel uitmaakt
betwijfel ik: Het lijkt toch vooral alsof wat men denkt, doet, en aankan
overwegend afhangt van eigen innerlijke rijping, en veel minder van het
aanbod dat men krijgt - aangenomen dat dit een zekere minimumkwalititeit
heeft. En dan is het natuurlijk wel droef als, zoals in
Wouter's geval, het feitelijk aanbod van materiaal en informatie een
selectie uit het allerbekrompenste, geestelijk armzaligste, en
esthetisch meest gedrochtelijke is.
Maar zoals ik aangaf: Een enigermate
hoopgevende bedenking hierbij is dat menselijke ontwikkeling veel meer
gedreven wordt door groei en talent dan door aanbod van leerstof of
ervaringen. Onderwijs en opvoeding helpen of hinderen, maar kunnen nooit
de hoofdzaak vormen van wat men is.
[3]
Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden
dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom,
maakte hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag
voorbygaan. Met zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen.
Opnieuw, als in de vorige opmerking: Dit
is het lot van vrijwel iedereen, dat ie zich een totaal wereld- en
mens-beeld moet opbouwen uit het vergelijkenderwijs heel weinige en
lokaal zeer gekleurde materiaal dat 'm omgeeft, alleen geholpen door
hooguit een paar pond hersens en wat z'n omgeving aanreikt als onderwijs en
opvoeding.
En het is een interessant feit dat het
totale universum waarin men leeft alleen bekend wordt doordat het,
zeer partieel, gerepresenteerd wordt door de hersenen.
[4] Hy
schrikte!
Van moderne spelling heb ik geen kaas
gegeten en wil ik weinig of niets weten vanwege de grote mate van
onzinnige schoolmeesterij erin. Maar het kan zijn dat ondertussen,
anno 2005, "schrikte"
de juiste o.v.t. is, terwijl ikzelf en Multatuli toch echt met
"schrok" opgevoed zijn.