De deugdzame Genoveva
kwam er dus goed af. En Salomo's Recht ook. Al had ons kereltje
lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i
afgebleven
zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak gold. [1] Een poging om naar
aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over
't Beleid der Justitie in Israël, zou in 't huis Pieterse niet
vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste
kringen z'n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en
godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet
te denken aan al 't ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in 'n land
waar 't Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
De
laatste opmerking is zeer oprecht in den mond van iemand die zich,
juist dertig jaren geleden nu (1873) eenmaal 't genoegen veroorloofd
heeft, Salomo naar de kroon te steken. By-wyze van spreken namelyk,
want de begeerte om tot koning der Joden gezalfd te worden, kwam nooit
in my op.
Die tusschen-geschiedenis wil ik even vertellen. Ze behoort in zoover
tot het Wouter-epos, als... als... nu ja, al behoorde ze daarin niet.
Ze zal er toe behooren, zoodra ik haar by 't behandelen van m'n
studie-exemplaartjen 'n plaats geef. Misschien heeft ook hy wel eens
zoo-iets beleefd, en 't omineuze nummer van dit Idee
*1) verlokt me tot 'n
zonderlingen sprong. 't Is te hopen dat het ‘Beest uit de Openbaring’
geen erger zonden op z'n geweten hebbe!
Ik was
nog geen volle drie-en-twintig jaren oud, en ‘kommandeur’ van de
provincie Natal. [2] De officieele nederlandsche benaming van die
betrekking is civiel-gezaghebber, maarin de wandeling, en
vooral tegenover inlanders, blyft die beambte sedert den ‘engelschen
tyd’ den naam dragen van commodore.
De
funktien van zoo'n gezaghebber zyn alleraangenaamst, en meermalen heb
ik in later tyd me teruggewenscht op 't standpunt dat ik uit
onervarenheid niet genoeg waardeerde toen ik 't innam. [3] Wie niet
geleden heeft, of niet genoeg geleden, is altyd dom. [4] 't Spreekt
vanzelf, dat ik hierby niet denk aan Feithsche Weltschmerz-tranen,
die de romanhelden voor hun pleizier storten, en die 'n mensch geen
zier wyzer maken. Ik bedoel de pynlyke wryving met de wereld.
Doch
ook zonder die wryving, de toestand van zoo'n fêtor - zooals de
by Maleiers der Sumatrasche kustlanden gebruikelyke arabische benaming
is - kan inderdaad eenig genoemd worden. Men is op zoo'n plaatsje iets
meer nog dan de eerste. Men is alles, en menige Caesar zou
daarmee tevreden kunnen zyn. [5] 't Is waar dat de hoogte waarop zoo'n
gezaghebber geplaatst is, eigenlyk wordt te-weeg gebracht door zekere
leegte om hem heen, daar hy veelal, op den militairen kommandant na,
de eenige Europeër op de plaats is, en zelfs in de geheele provincie.
Maar wie jong in Indië kwam, zoodat-i nog tyd had zich goed
inteburgeren, voelt zich in de aanraking met inlanders weldra geheel
op z'n plaats. [6] De leegte van 't kluizenaarschap als blanke, wordt
aangevuld door 'n soort van koninklyke waardigheid tegenover de
bevolking, die van haren kant de hoogheid van den gezaghebber zeer
ernstig opneemt. Ernstiger gewoonlyk dan hyzelf. De oudste inlandsche
hoofden behandelen hem met kinderlyken eerbied, en door grysaards
wordt hy ‘vader’ genoemd. Men meene vooral niet - 'n europeesch
dwaalbegrip! - dat zulke verhoudingen geregeld worden naar de
omschryving der Wet. De inlander kent noch begrypt onze finesses van
gezagsverdeeling. Wie heer is, heeft het opzicht over alles, en byna
onbegrensde macht. [7] Ook vervalt in die verhoudingen de splitsing van
officieel en partikulier. Een inlandsch hoofd zal even deemoedig de
goedkeuring van den heer fetor komen inroepen op 't voorgenomen
huwelyk zyner dochter, als op den aanleg van nieuwe pepertuinen.
Zoodanige hartelyke aartsvaderlyke verhouding bestaat op Sumatra en
sommige andere buitenposten, in veel hoogere maat dan op Java. De
Javaan is onderdaniger, maar kan in den omgang niet zulke aangename
gegevens leveren als, byv. de maleier, wiens aanhankelykheid, juist
omdat-i meer karakter heeft, van grooter waarde is. En... op Java zyn
sedert 'n paar eeuwen te veel Europeanen geweest - waaronder de
rykworders! - dan dat de inlander niet schuw zou geworden zyn.
Dat
men alzoo, in de meer onbedorven binnenlanden van Sumatra met gezag
bekleed, veel goeds kan doen, ligt in de rede. [8] Nog thans betreur ik
dikwyls, daarvan geen ruimer gebruik te hebben gemaakt. Maar ik was
jong, àl te jong!
De hoofdplaats van de provincie, waar de kommandeur z'n zetel had, lag
aan zee. De reede werd schaars bezocht, omdat ze by zeelieden 'n
boozen naam had. Wat vaartuigen van Padang en Benkoelen uit het
zuiden, van Atjin uit de Noord, ziedaar byna alles. En soms, doch
zelden, kwamen er schepen van middelbare grootte van Makasser of van
verder gelegen landstreken. De invoer bestond grootendeels uit
lynwaden, aardewerk en snuisteryen, die de kooplieden verruilden tegen
stofgoud en kamfer. *2)
Als 'n byzonderheid van industrie, herinner ik my de vrouwenbroeken
die te Atjin geweven worden, en - naar ik meen - nergens in den
ganschen archipel dan in deze streken worden gedragen. [9] Op Java althans
heb ik ze nooit gezien. En in de Molukken ook niet.
By
aankomst van 'n vaartuig was de schipper of super-carga
verplicht z'n ladingslyst te vertoonen aan den civiel-gezaghebber die
tevens Havenmeester en Ontvanger van de Inkomende Rechten was.
Gewoonlyk verbond zoo'n schipper hiermee 'n beleefdheidsbezoek, waarby
hy dan tevens eenige geschenken aanbood. Dit laatste ligt geheel in de
Oostersche zeden, en men beoogt er niet altyd kwaad mede. Het is, of
kan geacht worden te zyn, 'n bloote hoffelykheid. [10] De waarlyk eerlyke
beambte wyst die slechts af, wanneer het aangebodene door te hooge
waarde schynt uittelokken tot onwettige bevoordeeling, of indien er
byzondere redenen bestaan om 'n uitzondering op den regel te maken.
Zulke redenen bestonden er te Natal inderdaad, en ik had dus aan den
stuurman van de havensloep last gegeven, alle anachoda's
*3) te waarschuwen dat er
geen geschenken door den kommandeur zouden worden aangenomen.
Op zekeren middag zat ik in gezelschap van den militairen kommandant,
in de boven-voorgalery myner woning, toen 'n deftig Arabier met eenig
gevolg - ‘gevolg’ behoort in Indie tot de kleeding - het erf kwam
opstappen. Een van de oppassers die beneden de wacht hadden, diende
anachoda Sjech Sjarief Alhabasji aan, gezagvoerder van 'n schip
dat zoo-even ter-reede was gekomen. De man kwam boven, maakte z'n
slamat *4)
en bood de ladingslyst aan. Ik liep
die even door, zeide hem een-en-ander over de te betalen Rechten, en
vraagde naar den prys van pramedani's. Ik weet niet of ik 't
woord goed spel. Waarschynlyk is 't arabisch,
*5) en ik schryf 't op den klank af, zooals
ik me dien herinner...
Dertig
jaren! En nooit na dien tyd, heb ik noch de zaak, noch 't woord
weergezien. De doorkundige professor Veth zal kunnen
beoordeelen of ik 't goed spel, en of m'n beschryving juist is. Een
pramedani dan, is 'n stuk tapyt van den point dien we
smyrnasch noemen, maar vry grof. Zoo'n ding wordt door de muzelmans by
hun ochtend- en avend-gebeden als bidkleed gebruikt. [11] Ook dient het
daartoe by hunne ritueele afwasschingen aan de oevers der rivieren.
Het behoort, als de rozenkrans, tot de uitrusting van den ware
geloovige, en wordt zeer dikwyls den doode in z'n graf meegegeven, of
ook wel daarop neergelegd. Hoe versletener dan zoo'n ding er uitziet,
hoe beter, omdat het geacht wordt dienst te doen als vervallen
wisselbrief dien men den profeet ter betaling aanbiedt: voor aan Uwe
Heiligheid geleverde zooveel demonstratien van vromighedens.
Maar
als zulke bidkleedjes nog nieuw zyn, kan men er ook heel goed 'n
profaan gebruik van maken. Ze kunnen dienen als tapytjes voor ledikant
en sofa, of onder de schryftafel. M'n vrind de kommandant had me reeds
lang verzocht hem by-gelegenheid 'n paar van zulke kleedjes te
bezorgen. En ook ik bestelde 'n stuk of drie. Sjech Sjarief
vertrok, en eenige uren daarna werd me door 'n matroos 'n pak
gebracht, dat voorloopig ergens in 'n hoek van de voorgalery werd
neergelegd.
Kort
daarop verscheen er 'n andere Arabier, even deftig gekleed, bebaard en
van gevolg voorzien als de vorige. We zullen hem Sjech Awal bin
Aidroussi el Maskat noemen. Met niet weinig opgewondenheid kwam hy
vertellen dat z'n kameraad Sjech Sjarief 'n indringer was, 'n
overweldiger, 'n oproermaker, 'n valsche anachoda. Volgens
Sjeck Awal was hy zoowel eigenaar en kapitein van 't
vaartuig, als rechtmatig bezitter van de goederen. Hy deed 'n
uitvoerig en verward relaas van 'n oproer dat aan-boord zou hebben
plaats gehad, en ten-gevolge waarvan hy wederrechtelyk zou ontzet zyn
van z'n waardigheid. Te-midden van z'n rede viel z'n oog op 't pak
pramedani's. M'n vriend de kommandant had het opengemaakt, en
beschouwde de smyrnasche bloemen. De grofheid van 't weefsel deed er
geen kwaad aan. Die ruw geschoren wol lag er zoo dik op! Men zou lust
gekregen hebben er op te knielen...
-
Betaal ze niet aan den schurk Sjech Sjarief, m'nheer! Hy is 'n
hond, 'n schelm, 'n dief. De Heer God zal z'n vader vervloeken, en z'n
grootvader, en z'n overgrootvader! Om godswil, m'nheer, betaal den
prys van die pramedani's niet aan den eervergeten Sjech
Sjarief.
Ik
riep de rechtbank by-elkaar. Dat heet, ik zette my aan m'n
schryftafel, en begon vierschaar te spannen in m'n eentje. De zaak
behoorde, omdat klager en eischer vreemdelingen waren, niet tot het
ressort van de Natalsche rappat-raad, waarin ook de inlandsche
hoofden zitting hadden. Sjech Sjarief Alhabasji en Sjech
Awal bin Aidroussi el Maskat troffen 't goed. Ze waren
overgeleverd aan myn alleenige wyzigheid, en hadden 't waarlyk
slechter kunnen treffen. Och, die jeugd! Die lieve hartelyke flinke
jeugd!
En wat
onze Wouter verkeerd deed, zoo weinig acht te slaan op Salomo's
Recht! Wie kon hem verzekeren, dat ook hy niet eenmaal 't een of
ander kind zou te verdeelen hebben tusschen twee arabieren?
‘Kind’ zeg ik nu om de lokaalkleur van de Salomonische wysheid te
bewaren. [12] De myne had met pramedani's te doen. Die Salomo had
het drommels makkelyk. Een moeder is ligter te kennen dan 'n
anachoda. En dan voor iemand die zoo ruimschoots de gelegenheid
had zich te oefenen in de kennis van 't vrouwelyk geslacht! Ik kende
ter-nauwernood het onderscheid tusschen 'n arabier en 'n klingalees
*6) om nu niet te
spreken van 't verschil in traktement der behoorlyk gezalfde joodsche
fetors, en van zoo'n armen koning van de afdeeling Natal!
Eigenlyk had ik 't recht gehad, minder wys dan Salomo te zyn. Maar dat
ik me veel moeite gaf dat recht ongebruikt te laten, is waar. Ik was
niet eens in 't bezit van 'n hofschilder, en dien heb ik nog heden
niet, wat wel jammer is, want 'n behoorlyke schildery zou by de zaak
niet misstaan hebben. Dan had 'n nieuw Woutergeslacht Multatuli's
eerste Recht kunnen kleuren. Mochten er nog gravures van dit
voorval in de wereld komen, dan geve men de twee Sjechs baarden
waarachter ik m'n heele tengerheid verbergen kon, en wenkbrauwen die
myn baardje beschaamd maakten. Voorts: kaftan, wyden flodderbroek,
tulband en verder toebehooren, precies als Vader Jakob in den
printenbybel. Och, ze zagen er zoo deftig uit! Maar ik...
Ik
zweette er van. Zeg nu niet te gauw dat ik onfatsoenlyk ben, lezer. Ik
wou U wel eens zien tusschen twee kinderen Ismaëls,
schreeuwende, vloekende, pleitende, zweerende...
En de getuigen! De
eene helft van de equipage was voor Sjech Sjarief. De andere
helft bezwoer dat Sjech Awal de rechte man was.
Want
ik had gedaan wat de andere Salomo schynt verzuimd te hebben, ik had
getuigen geroepen.
Maar
't hielp me niet. Uit overmaat van licht voerden ze my in 't
stikduister. [13]
De
scheepspapieren? Daaruit kon ik evenmin wys-worden. Er was in geklad.
[14]
Ik bracht met het onderzoek den ganschen volgenden morgen door, en was
beschaamd voor den Toeankoe
*7) van Natal, het hoogst
inlandsch hoofd van de plaats, tegenover wien ik gaarne de eer van m'n
scherpzinnigheid wilde ophouden. Ook hy had, even als nog 'n paar
andere hoofden, eenige pramedani's besteld en ontvangen, zoodat
de rekening van al 't geleverde vry hoog opgeloopen was. En hy kwam me
bezoeken juist toen ik, vermoeid van vruchteloos onderzoek, op 't punt
stond den moed optegeven.
Op
eenmaal schoot me een licht in de ziel. Ik zond de getuigen weg, en
hield 'n schoone redevoering tot de beide arabieren, die met gloeiende
blikken de beslissing schenen te willen afpersen.
-
Sjech Sjarief Alhabasji, hoeveel pramedani's hebt gy
geleverd, en hoeveel kosten die pramedani's?
De man
noemde het bedrag.
-
Sjech Awal bin Aidroussi el Maskat, hoeveel pramedani's
hebt gy geleverd, en wat kosten ze?
Ook
Sjeck Awal noemde de som die hy vorderde.
- Ik
zeg u, Sjech Sjarief Alhabasji, dat ge een onbeschaamde man
zyt, die schande brengt over 't hoofd van z'n vader. Zyn er meer zoo
in 't groote land van Abyssinie? Schande over 't land Abyssinie! En
aan u, Sjeck Awal bin Aidroussi el Maskat, zeg ik dat ge slecht
onderwezen zyt, en de manieren hebt van iemand die... geen manieren
heeft. Ja, ge zyt een grove persoon. Uw moeder moet bedroefd over u
zyn, bedroefd
en beschaamd. Is dat eer doen aan 't land van Maskat? Neen, dat
is groote schande voor 't land van
Maskat.*8)
Wat hebt gy beiden gedaan? Ge gaat op-reis met 'n schip vol goederen.
Dat is wel. Dat deed Sindbad ook *9)
en hy werd 'n ryk man, omdat-i manieren verstond. Maar gylieden
verstaat geen manieren. Gylieden zult sterven als honden zonder
meester. Dat zeg ik u.
Als ik
reizen ga, en zeevaren, en handeldryven, wat doe ik? Ik ben beleefd en
manierlyk. Als ik te Maskat kom, wat doe ik? Ik groet den
Sultan, en bied hem 'n geschenk. En wat doe ik, als ik kom te
Magdala? Ik buig me voor den Negoes, en geef hem
geschenken. Dat zyn de manieren van iemand die reist, en de zee
bevaart, en handeldryft, en... behoorlyke manieren heeft.
Maar
gy, Sjech Sjarief Alhabasji, en gy, Sjech Awal bin Aidroussi
et Maskat, hebt geen manieren. Gy, Sjarief, zyt geboren om
'n koppigen ezel te dryven. Gy, Awal, verdient geschopt te
worden door 'n dollen kameel.
Ik ben kommandeur van Natal, en gy hebt u jegens my gedragen, alsof ik
'n gering mensch was. Deze heer is kommandant van 't groote fort
*10) dat ge moet
gezien hebben by 't invaren van de rivier... ook 'n groot heer. En dat
maleisch hoofd is... 'n voornaam hoofd. Het is de heer Toeankoe
van 't heele land Natal. En de datoes dien gylieden uw
pramedani's gezonden hebt... zy allen zyn personen van gewicht en
aanzien in dit land.
Hebt ge my behoorlyke geschenken gegeven? Neen. Aan den heer
kommandant? Ook niet. Aan den Toeankoe? Neen. Aan Datoe
Sinara-pandjang? Aan Datoe Poetih?
*11) Aan de
andere datoes? Neen, neen, neen... dat hebt ge niet gedaan! Is
dit niet afschuwelyk? Zeer afschuwelyk...
astaga-perlah! *12)
Dus
zyt ge mannen van slechte manieren.
Maar
ik kan zulke slechte manieren niet verdragen. En ik zeg u, dat ge my
en al die andere voorname heeren die pramedani's ten-geschenke
behoort te geven. Wanneer ge wat verkoopen wilt, zoek dan uw heil op
de passer, of by de chinesche handelaars... wy, heeren van aanzien,
betalen u die bidkleedjes niet! En zend me wat rozenolie, maar
ze moet van de beste soort wezen. En nu, scheert je weg, allebeî!
Natuurlyk wilden ze weer beginnen te pleiten. Er was reden toe,
waarachtig! Maar ik liet ze wegjagen, en nogal ruw. De Toeankoe
keek me gek aan.
- En
nu? vraagde hy.
Ik
verzocht hem een zyner volgelingen naar de passer te zenden,
d.i. naar de markt, en te doen ‘dienen van bevinding en rapport.’
Och ja! Onze twee ware geloovigen waren aangeland by 'n chinees
*13) en hadden daar hun hart
lucht gegeven met gelyksoortig vuur, maar in verschillende richting.
De een
had z'n mededinger bespot, en hem gesard met het bankroet dat-i aan
z'n pramedani's leed.
En de
ander?
‘Dàt
's 'n infame behandeling, had hy uitgeroepen! Op de reê vertelden ze
my dat hier geen geschenken worden aangenomen, en aan wal stelen ze my
m'n goed af! Ik ga me beklagen by den grooten heer te Padang!’
Daarop liet ik de beide vrinden roepen, en gaf... suum cuique.
De één kreeg z'n geld, en de ander dwaalde in de gevangenis, waar-i
met 'n paar van z'n aanhangers logeerde tot ik gelegenheid had hem
vergezeld van de noodige toelichting ‘over de veeren’ terug te zenden
naar den Golf van Perzie, waar 't schip te-huis behoorde. Hoe dáár de
zaak beëindigd is, weet ik niet. En al ware dit anders, ik zou 't
overslaan, omdat ik me stipt houd aan de geschiedenis van Woutertje
Pieterse. En hiermee neem ik afscheid van de litterarische saturnalie
waaraan ik me overgaf onder de hoede van 't beest uit de Openbaring.
Het omineuze nummer 666
is uit.
*1) Noot van 1877. 't
Was namelyk in de eerste uitgaaf,
666.
[*]
*2) Kamfer. Het woord
is kafoer, kapoer, dat eigenlyk kalk beteekent. De beste
kamfer komt van Baros, even benoorden Natal gelegen. De naam voor
kamfer is alzoo: kapoer-baros, Baros-kalk.
*3) Anachoda heet de
gezagvoerder van 'n schip, die tevens gewoonlyk mede-eigenaar van de
lading is. De oorsprong is, meen ik, arabisch.
*4) Slamat, de
maleische vorm van het arabische salam of selam:
groet.
*5) Even als 't
gelijkbeteekenende alkatief, dat in andere streken van
Insulinde gangbaar is.
*6) Klingaleezen zyn 'n
handeldryvend volkje dat te Ceylon of op de Malabaarsche kust
te-huis behoort. Ze zyn zeer zwart, doch vertoonen overigens den
schoonen arabischen type. Ze gaan voor zeer geslepen in den handel
door. Of die renommée gegrond is, weet ik niet. Van Chinezen wordt
het ook gezegd.
*7) Op Sumatra is
Toeankoe - letterlyk: myn heer - de hoogste inlandsche titel op
één na, wanneer men althans de nog regeerende Sultans uitzondert. De
hoogste rang van een in dienst van 't Gouvernement staanden
inlandschen hoofdambtenaar, is Jang di Pertoean: hy die
heerscht. [15]
*8) De namen van m'n
twee kliënten zyn me ontgaan. Niet kunnende zeggen hoe ze heetten,
vond ik het goed optegeven hoe ze gevoeglyk kunnen geheeten hebben.
Daar by deze opmerkingen. De woorden Sjech en Sjarief
zyn titels, waarmee de Arabieren nogal gul omgaan. Sjech
beduidde oorspronkelyk: koning, vorst of hoofd, en Sjarief is
etymologisch verwant met ons: schryver, griffier, sherief en
graaf. - De bynaam Alhabasji of El Habesch beduidt dat
de man van 'n familie was, die beweerde in Abyssinië thuis te
hooren. Ik wees den ander 't ryk van Maskat als vaderland aan.
*9) Namelyk Sindbad de
aventuurlyke zeeman uit de ‘Duizend-en-een Nacht Arabische
Vertellingen’ die volgens eenige indicien de landstreken schynt
bezocht te hebben, waar het in den tekst verhaalde voorval plaats
had. Ook Java en Ceylon. Of liever, er blykt dat de schryver van de
hem betreffende fabels, die landen kende. Sindbad komt op Sumatra by
zekeren vorst Maha Radjah = groote koning. Maar dit woord is meer
omschryving dan naam.
*10) Het heette
Marlborough. Door de Engelschen gebouwd, was 't inderdaad vry
groot, maar in myn tyd zeer vervallen, en pover bezet.
*11) De twee hier
genoemde datoes - kleine inlandsche hoofden - waren speciaal
belast met de zorg voor de pepertuinen te Taloh-Baleh. Zy
waren 't, die my vergezelden op het tochtje waarvan ik melding maak
in den Havelaar. [16]
*12) Arabische
bastervloek. Eigenlyk:istagrafar-Allah, iets als: by God. God
zal 't weten.
*13) Hoe de ware naam
van dezen chinees was, weet ik niet, maar in de wandeling werd hy
Keh-Moeda genoemd. Hy kwam me 't bericht omtrent de zoo
uitéénloopende gemoedsstemming van de beide arabieren bevestigen,
daar ze in zyn toko hun hart hadden uitgestort.
Oorzaak dat ik van dezen man melding maak, is de byzonderheid dat hy
Napoleon gekend had. Zeker iets zeldzaams in 'n Chinees.
[17] Ruim
twintig jaren vroeger namelyk dan het tydstip waarvan ik spreek, en
dus nu meer dan vyftig jaren geleden, was-i op St. Helena als
kleinhandelaar gevestigd geweest, en daar had-i den grooten balling
meermalen gezien. Om 'n proef te nemen, legde ik eens 'n ‘Histoire
de Napoleon’ van Laurent de l'Ardéche
op m'n schryftafel, en wel zóó dat hem 't plaatje moest in 't oog
vallen, waarop Napoleon in planters-tenue naar den maleischen
arbeider Toby (?) staat te kyken. ‘Tobat - 'n uitroep van
verbazing - riep hy, toean Bonapalte!’ Ik heb dien chinees
altyd met onderscheiding behandeld. Het was me alsof Clio hem door
die ontmoeting had gestempeld tot iets byzonders. En dezen indruk
heb ik nog.
De heer J.H. van Meerten, zoon der
beroemde schryfster, die vóór my Gezaghebber van Natal was, moet
Keh Moeda gekend hebben, alsmede den Toeankoe en de beide
datoes die ik in den tekst noem.
[*] Letterkundig nootje:
Multatuli geeft 13 noten bij dit idee, die ik, anders dan hij, met
nummers onderscheiden heb i.p.v. met diacritische tekens als "§".
[1]
Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek,
van Salomo zoud-i afgebleven
zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak gold.
Dit is ongetwijfeld psychologisch correct, in de zin
dat kleine kinderen kennelijk heel snel leren welke onderwerpen wel
discutabel zijn en welke niet.
[2] Ik was
nog geen volle drie-en-twintig jaren oud, en ‘kommandeur’ van de
provincie Natal.
De zin van "nog
geen volle drie-en-twintig jaren oud" is dat men
indertijd pas met z'n 23ste volwassen werd.
[3] De
funktien van zoo'n gezaghebber zyn alleraangenaamst, en meermalen heb
ik in later tyd me teruggewenscht op 't standpunt dat ik uit
onervarenheid niet genoeg waardeerde toen ik 't innam.
Er zijn critici van Multatuli geweest die hier een
sleutel zagen voor z'n karakter: Hij zou te vroeg te veel macht hebben
gekregen. Maar ikzelf geloof dat niet erg. Het is wel duidelijk dat M.
graag mocht kommanderen, maar dat kan bijvoorbeeld ook van zijn vader
komen, die een kapitein was. En ik neem aan dat de meeste jonge mannen
in zijn positie er zo over zouden denken als hij deed.
[4] Wie niet
geleden heeft, of niet genoeg geleden, is altyd dom.
Hier ligt weer een verwijzing naar M.'s pseudoniem.
Ikzelf geloof er weinig tot niets van: Lijden is niet goed voor
mensen, en ze worden er ook niet intelligent van.
[5]
Men is op zoo'n plaatsje iets meer nog dan de eerste. Men is alles, en menige Caesar zou
daarmee tevreden kunnen zyn.
Wellicht. Het lijkt wat overdreven gesteld, maar M.
had ongetwijfeld gelijk dat het een nogal bijzondere functie was om te
bekleden voor een jongeman die feitelijk nog niet volwassen was
volgens de wetten van z'n land.
[6]
Maar wie jong in Indië kwam, zoodat-i nog tyd had zich goed
inteburgeren, voelt zich in de aanraking met inlanders weldra geheel
op z'n plaats.
Dit gold ongetwijfeld voor Multatuli, die jong in
Indië kwam. Toch mag men aannemen dat zijn houding tegen inlanders
ongebruikelijk was.
[7]
De inlander kent noch begrypt onze finesses van gezagsverdeeling. Wie
heer is, heeft het opzicht over alles, en byna onbegrensde macht.
Dit zal ongetwijfeld waar zijn, en "onze
finesses van gezagsverdeeling" hebben een boel
van doen met eeuwen Europese geschiedenis, die heel langzaam pojnlijk
en empirisch duidelijk maakten dat vrijwel geen mens veel goed doet
met een "byna
onbegrensde macht", wat dan weer de reden is om
instituties en regels op te stellen die de macht van iedereen beperkt
en gedeeltelijk afhankelijk maakt van anderen.
[8] Dat
men alzoo, in de meer onbedorven binnenlanden van Sumatra met gezag
bekleed, veel goeds kan doen, ligt in de rede.
Multatuli geloofde dit ongetwijfeld, en heeft in
feite jaren geprobeerd en gewild een dergelijke positie te verwerven
in Nederlandsch Indië. Maar ik merkte in de vorige noot op dat vrijwel
geen mens veel goed doet met een "byna
onbegrensde macht", en dat is in ieder geval wat
de geschiedenis leert. De reden is vooral dat waar één vrijwel alle
macht heeft alle anderen te weinig vrijheid hebben om iets van
zichzelf te kunnen maken.
In dit verband is Suetonius' "The twelve ceasars"
interessant, dat heel duidelijk maakt waar almacht op neer komt in de
meeste gevallen: Corruptie en tyrannie.
[9]
Als 'n byzonderheid van industrie, herinner ik my de vrouwenbroeken
die te Atjin geweven worden, en - naar ik meen - nergens in den
ganschen archipel dan in deze streken worden gedragen.
Vrouwen in broek waren toen heel ongebruikelijk in
Europa, en dat is generaties lang zo gebleven. Het is dus enigermate
opvallend dat in de tijd dat ik dit schrijf - eind 2005, begin 2006 -
er in Amsterdam vrijwel geen vrouwen op straat verschijnen die niet in
broek gekleed gaan.
Hoewel broeken voor vrouwen al zo'n 35 jaar vrij
normaal zijn in Nederland is de tegenwoordige publieke rok- en
jurk-loosheid van vrouwen opvallend in het straatbeeld.
[10]
Het is, of kan geacht worden te zyn, 'n bloote hoffelykheid.
Dit is, "of
kan geacht worden te zyn" ein bloszes
Germanismus, fürchte ich.
[11]
Zoo'n ding wordt door de muzelmans by hun ochtend- en avend-gebeden
als bidkleed gebruikt.
Er is ook sprake van in
de inleiding van de ideen.
[12]
‘Kind’ zeg ik nu om de lokaalkleur van de Salomonische wysheid te
bewaren.
M. trekt hier een parallel met het Bijvelverhaal
over Solomon. In zijn tijd was dat de meeste mensen duidelijker dan
tegenwoordig, maar iedereen kan een Bijbel opzoeken en het nalezen.
[13]
Uit overmaat van licht voerden ze my in 't stikduister.
Dit is in ieder geval een aardige zegswijze.
"Oogverblindend" drukt hetzelfde idee korter uit, en "oorverdovend"
trouwens ook.
[14] De
scheepspapieren? Daaruit kon ik evenmin wys-worden. Er was in geklad.
Hm. Ik neem toch aan dat die in het Arabisch zullen
zijn geweest, en dat Multatuli, die dit nooit goed beheersd heeft, dit
zeker toen niet kon lezen, al dan niet met "geklad".
[15]
Op Sumatra is
Toeankoe - letterlyk: myn heer - de hoogste inlandsche titel op
één na, wanneer men althans de nog regeerende Sultans uitzondert. De
hoogste rang van een in dienst van 't Gouvernement staanden
inlandschen hoofdambtenaar, is Jang di Pertoean: hy die
heerscht.
Het is in ieder geval heldere terminologie. De
Nederlandse - "heer", "meneer" e.d. - hoewel ook afgeleid van woorden
voor heersen heeft de connotatie van machtsuitoefening verloren.
[16]
De twee hier
genoemde datoes - kleine inlandsche hoofden - waren speciaal
belast met de zorg voor de pepertuinen te Taloh-Baleh. Zy
waren 't, die my vergezelden op het tochtje waarvan ik melding maak
in den Havelaar.
In feite was één van de twee iets als een soort
schoonvader van Multatuli. Of althans: de dochter van deze man had
besloten een verhouding met M. te hebben.
[17]
Oorzaak dat ik van dezen man melding maak, is de byzonderheid dat hy
Napoleon gekend had. Zeker iets zeldzaams in 'n Chinees.
Ja, ongetwijfeld. En het toont ook indirect aan
hoeveel TV veranderd heeft: Tegenwoordig zijn de gezichten van - heel
- bekende mensen bekend over de hele wereld.