Idee 1048.                                                

 

Een akrobatisch hoofdstuk. De schryver springt van Genoveva op Jupiter, van Jupiter op Feith, van Feith op 't Beest in de Openbaring, dat hem dertig jaren terugvoert, om neertekomen op Salomo's Recht in nieuwe editie, en den lezer doet kennis maken met twee arabieren die geen manieren hadden.

De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op 'n woord dat-i niet vertalen kon - 't spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat? - toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.

Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk. [1]

Waarom nam men, byv. in grieksche en romeinsche mythologie genoegen met 'n Jupiter die jong geweest en door 'n geit gezoogd was, zonder er aan te denken dat 'n geboren god oud worden en sterven moest? Al de geschiedenisjes die op den Olymp gespeeld waren, nam men als gebeurde zaken aan, en niemand schynt er aan gedacht te hebben dat de voortzetting daarvan mogelyk, of liever noodzakelyk was. De onttroning van Saturnus vond geen tegenspraak, maar de dichter die 't gewaagd had in 'n premier-olympe te vertellen dat de veroveraar Zeus op zyn beurt 'n gelyk lot had ondergaan, zou voor 'n godslasteraar gehouden zyn. Ook in andere meer moderne mythologiën... [2]

Maar we willen nu liever dat gebrek aan kritiek, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstoten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...

Dat was wat ànders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!

Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken, waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen.

Eilieve, 't kind was hierin minder achteruit dan hem volgens z'n jaren vrystond. By vergelyking met zeer veel volwassenen, had men 't recht niet, kritische zifting van hem te verwachten. De opmerking is oud, dat de heldinnen in ridderromans nooit gebrek hebben aan schoon linnen, waschwater of nagelborstel. Dit hinderde de lezers van die dingen niet, en... ook heden nog nemen volwassenen volkomen genoegen met de almacht van schryvers, die zich niet schynen te storen aan de onverbiddelyke eischen van de werkelykheid. [3] De soort van onmogelykheden die gretig worden aangenomen, verandert by elke periodische abschnitt van litteratuur-smaak, maar die onmogelykheden zelf blyven gangbaar, en schynen zelfs niet gemist te kunnen worden. Onze grootvaders namen volkomen genoegen met 'n ‘eenzaam dal’ waar zich de held of de heldin verborg met de noodige smart. Belastinggaarders drongen in zoo'n dal niet door, en ook by 't opmaken van bevolkingstaten sloeg men zulke schuilplaatsen heel goedig over. Hoe 'n eenzame romanheld het maakte, als de held uit 'n ander boek 't in z'n hoofd kreeg, zyn dal te kiezen tot herberg van z'n wereldhaat, of als er eens door 'n samenloop van velerlei gelyksoortige smart, al te veel eenzaamheden op één punt by-elkaar kwamen, weet ik niet. We willen hopen dat er ten-allen-tyde evenveel afgesloten dalen als ongelukkigen mogen geweest zyn, en dat ieder 'n byzonderen smaak had.

't Is komiek te zien, hoe schryvers die zich tot taak stellen hun tydgenooten voortelichten, en die overigens somwylen blyk geven van liefde tot nauwkeurigheid, zich schuldig maken aan de grofste vergrypen tegen de eischen van het Zyn. Dat er fouten bestaan in èlke teekening, spreekt vanzelf. [4] Maar 't is ergerlyk, wanneer men naast beschouwingen die aanspraak maken op wetenschappelyke juistheid, 'n schildering vindt van geheel onbestaanbare toestanden. Dat men ook nu nog zich zulke ongerymdheden veroorlooft, zou ik kunnen staven door talryke voorbeelden uit de hedendaagsche litteratuur. Doch om in Wouters tyd te blyven, en tevens by den gedachtenloop die me dat spotten met eenzame dalen in de pen gaf, haal ik hier liever iets aan van Feith.

Ik beweer dat die schryver niet genoeg gewaardeerd wordt. Men heeft hoog geloopen met z'n verzen, en met z'n - nagemaakt- werthersche! - sentimentaliteit. Later inziende dat men op 'n verkeerd spoor was, moest die vergissing gewroken worden op den arme die zich niet zwaarder bezondigd had - hy, zèlf volgeling en nàgevoeler - dan zyn volgers. Dezelfde Feith die de allerzotste empfindelei ten-onzent byna populair maakte, heeft zeer goede stukken geschreven over litteratuur en kunst. [5] Daar ik Wouter nagenoeg tot tydgenoot maakte van z'n opgang, zal ik wel genoodzaakt zyn op hem en de school waartoe hy behoorde, terug te komen. Nu alleen iets over die ‘dalen.’ In zeker verhaal - ‘de Hermiet’ - wordt 'n jongeling die door den schryver is begiftigd met 'n ‘gevoelig hart, schrander oordeel en uitgebreide kunde, vooral in de fraaie Wetenschappen’ behoorlyk ongelukkig. 't Spreekt vanzelf dat-i oogenblikkelyk zich terugtrok op 'n ‘eenzame landhoeve, en wel in eene afgezonderde vallei, om daar, afgezonderd van de wereld, en buiten het oog zijner Natuurgenooten, een leven te slijten, dat’... enz. In die ‘eenzaamheid’ - wie de boerdery bezorgde, wordt niet gemeld - vond-i 'n... graftombe. De vorige bezitter der landhoeve had die ‘op 'n eenzaam plekje gronds’ laten vervaardigen. Op die tombe stonden allerlei zeer romantisch-godsdienstige opschriften, zoodat er iets als 'n gesprek kon gevoerd worden tusschen den levenden en den begraven liefhebber van de eenzaamheid. Terwyl de eerste hiermee - overluid! - bezig is, wordt-i door 'n derden ‘eenzame’ gestoord. Uit den donker treedt 'n gedaante te-voorschyn, die z'n spreek- en denkmanier oogenblikkelyk à l'unisson van dat grafgeseur weet te zetten. ‘Wie gij ook zijn moogt, sprak eene eerbiedäfdwingende stem tot Valcour - nooit heeten zulke luî Pieterse! [6] - staak uwe klachten! De Voorzienigheid’... enz. Het hier volgend gesprek is natuurlyk van gelyk allooi als de opschriften van de tombe. We vernemen daaruit, o.a. dat de man die daar in 't donker ronddwaalde in de eenzaamheidsheerlykheid van den ander, ter-afwisseling 'n eenzaamheidszoeker was, die eigenlyk heel leelyk deed 'n kollega te komen veroneenzamen. Want de man had z'n eigen ‘dal’ en daarin had-i behooren te blyven dunkt me. Na de noodige ongelukken had hy zich ‘met het eenigste pand dat hem van zyne Sophie nog - eenigste en nog: sic - was overgebleven, naar een eenzaam afgelegen oord begeven, waar geen sterveling hem kende.’ Er waren dus stervelingen in die eenzaamheid, schoon ze gelegen was tusschen ‘hooge en nooit bezochte bergen.’

Kan 't kinderachtiger? [7]

Laat ons zien hoe de andere held z'n tyd doorbracht, de jongeling met ‘schrander oordeel en uitgebreide kunde.’ De lezer vergeve my, dat ik eenige regels letterlyk uitschryf. Hy bedenke by 't lezen, dat die nonsens: 10 geschreven werd door 'n man die, als mensch, litterator, geleerde, en zelfs naar gewone opvatting als wysgeer, geenszins laag stond. 20 Dat die onzin zonder protest geslikt werd door 't uitstekendste deel van de Natie. [8]

‘Somtijds rees hij met de zon van zijne slaaplooze legerstede, beklom een nabijgelegen heuvel, liet van daar zijn gezigt over de omliggende vlakten dolen, en zag de geheele Natuur ledig voor hem. Verzonken onder 't gevoel van zijn leed, zeeg hij op de beparelde graszode neder; vermengde zijne tranen met den dauw, en bleef in achteloos gepeins uren op den grond staroogen.’

Uren achtereen? In die nattigheid? Maar ik onthoud me van kommentaar. Ziehier wat de ongelukkige eenzame jongeling verder uitvoerde:

‘Dikwijls trad hij in den achtermiddag, mismoedig en in de volle houding der hopeloosheid (?) naar 'n digt bosch, dat aan zijne landhoeve grensde, boorde op de meest woeste plekken door takken en struiken heen...

Als 'n everzwyn!

...wierp zich overluid gillende van weedom - overluid gillende: sic! - op de doorééngevlochten en met mos bedekte wortels van eenen ouden beukenboom, die in den donkersten nacht van dit woudstond, neder, en noemde duizendmalen den door zuchten afgebroken naam van Adelaïde.
Meest echter bezocht hy in de schemering van den avond een graftombe...

Dit is 't fameuze monument waarvan ik reeds gesproken heb.

Wat zegt ge, lezer? De werken waarin zulke dingen voorkomen, of liever: de werken die byna doorgaande met zoo'n brutale miskenning van gezond verstand geschreven zyn, beleefden in, of kort na, Wouters jeugd, 'n herdruk. De oplaag was van tienduizend exemplaren, en ook 't getal der inteekenaren bedroeg duizenden! Daaronder vinden wy de namen van al wat in Nederland aan 't hoofd van beschaving stond, of uitblonk in aanzien. Met het oog daarop durf ik vragen of we 't ons Woutertje wel zoo heel kwalyk nemen mogen dat-i zich niet opgewekt voelde tot het doordringen in de economische verhoudingen van Genoveva?

We zullen dien Feith later weerzien, daar ik hem erger dingen dan schryvers-onbekwaamheid te verwyten heb. Zeker is 't hem nooit in den zin gevallen, dat zyn afwyking van waarheid, eenmaal gebruikt worden zou om de onnoozelheid van 'n knaapje te verontschuldigen. En z'n lofredenaars Van Hall, de Vries, en Van Kampen ook niet! Toch behoorden deze personen tot de soort van voorgangers die by-uitsluiting met den naam ‘fraaie vernuften’ werden getooid! En 't blyft de vraag of we in onze dagen veel verder zyn? [9] We hebben Feiths mismaakt sentiment van ons geworpen, niet door ryping van oordeel zoozeer, als door veranderden smaak. Dit blykt hieruit, dat we evenzeer als toen 't geval was, genoegen nemen met 'n onjuiste voorstelling der dingen. Hy teekende scheeve harten en kreupele karakters. Wy vervalschen en verdraaien de zaken van den dag, die van de ontbonden firma Hart, Smart & Cie de vogue hebben overgenomen. Politische en sociale kwestiën spelen heden-ten-dage de rol die we honderd jaar geleden zagen vervullen door 't melankoliek everzwyn, dat ‘overluid gillende door de digtste struiken boort, om zich neertewerpen op de doorééngestrengelde met mos begroeide wortels van den ouden beukenboom in den donkersten nacht van 't eenzaam woud... hu! 

Neen, we zyn niet vooruit gegaan!


[1] En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.

Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.

Ja, dat is zo. De algemene verklaring, althans voor de vanzelfsprekendheid waarmee kleine kinderen in Sinterklazen en menselijke goedertierenheid geloven, moet zijn dat ze de begrippen en termen nog niet hebben verworven om ànders over deze zaken te denken dan ze gepresenteerd worden, of om skeptisch te zijn, twijfel te koesteren etc.

Voor volwassenen ligt het anders, al geldt ook hier dat het zonder de juiste begrippen en termen een heel stuk moeilijker is ideeën te hebben of ontwikkelen over zaken dan wanneer men daarin voorzien is door z'n opvoeding of onderwijs. En dan zijn de begrippen die men opdoet in z'n opvoeding en onderwijs altijd lokaal, altijd partieel zelfs indien juist, en meestal onjuist, onwaarachtig en opgehangen aan onzinnige religieuze of politieke vooronderstellingen.


[2] De onttroning van Saturnus vond geen tegenspraak, maar de dichter die 't gewaagd had in 'n premier-olympe te vertellen dat de veroveraar Zeus op zyn beurt 'n gelyk lot had ondergaan, zou voor 'n godslasteraar gehouden zyn. Ook in andere meer moderne mythologiën...

Hier doelt M. ongetwijfeld onder andere op de moeilijkheid dat wie vindt dat hij een schepper nodig heeft om het universum te verklaren, kennelijk moet vinden dat hij een schepper nodig heeft om de schepper te verklaren, en da capo ad infinitum.

Maar het is waar dat de grondleggers van de religies en de grote meerderheid van de gelovigen dit soort problemen eenvoudig niet plegen te zien, net als kleine kinderen die zich nog geen begrippen maken van sexualiteit, omdat ze daar de woorden nog niet voor hebben en de aanleidingen in hun eigen driftleven ook nog niet vonden.

En het is ook waar dat alle religie en alle politiek teruggaat op hele simpele vooronderstellingen die vrijwel altijd behoorlijk evident onhoudbaar zijn, zowel op logische als feitelijke gronden, althans voor wie ze onbevooroordeeld en rationeel beschouwd. Maar dat laatste is vrijwel altijd ongebruikelijk, ongewenst en niet makkelijk noch vanzelfsprekend.


[3] De opmerking is oud, dat de heldinnen in ridderromans nooit gebrek hebben aan schoon linnen, waschwater of nagelborstel. Dit hinderde de lezers van die dingen niet, en... ook heden nog nemen volwassenen volkomen genoegen met de almacht van schryvers, die zich niet schynen te storen aan de onverbiddelyke eischen van de werkelykheid.

Ja, natuurlijk - maar dat is nu juist één van de reden dat er fantastische literatuur is: Omdat men daarin allerlei werkelijk bestaande problemen geheel kan vermijden en weglaten, en men kan doen en denken en fantaseren alsof de werkelijkheid is zoals deze voorgesteld wordt te zijn.


[4] 't Is komiek te zien, hoe schryvers die zich tot taak stellen hun tydgenooten voortelichten, en die overigens somwylen blyk geven van liefde tot nauwkeurigheid, zich schuldig maken aan de grofste vergrypen tegen de eischen van het Zyn. Dat er fouten bestaan in èlke teekening, spreekt vanzelf.

Verderop in deze bundel Ideen zal M. het hier gestelde verduidelijken via een bespreking van het toneelstuk Floris de Vijfde van Bilderdijk. Hier kunnen we opmerken dat schrijvers van fantastische literatuur heel vaak niet geïnteresseerd zijn in hoe de feiten die ze fantastisch behandelen in werkelijkheid zouden zijn.


[5] Dezelfde Feith die de allerzotste empfindelei ten-onzent byna populair maakte, heeft zeer goede stukken geschreven over litteratuur en kunst.

Het is de moeite waard op te merken dat Multatuli heel zuinig was met z'n lof op andere schrijvers, zodat dit opvallend is.


[6] Valcour - nooit heeten zulke luî Pieterse!

Dit is dan ook weer de reden dat Multatuli Woutertje "Pieterse" en niet iets als "Valcour" noemde: Het betreft de geschiedenis van een eenvoudig burgerjongetje.


[7] Na de noodige ongelukken had hy zich ‘met het eenigste pand dat hem van zyne Sophie nog - eenigste en nog: sic - was overgebleven, naar een eenzaam afgelegen oord begeven, waar geen sterveling hem kende.’ Er waren dus stervelingen in die eenzaamheid, schoon ze gelegen was tusschen ‘hooge en nooit bezochte bergen.’

Kan 't kinderachtiger?

Wat vooral opvalt zijn twee zaken: (1) Hoe gekunsteld romantisch het is en (2) hoe onlogisch het is. Het is een heel goed voorbeeld van proza dat geschreven is met het oogmerk proza van zeker soort (hier: romantisch) te schrijven, zonder zich een goede voorstelling te maken van waar dat proza van verhaalt.

Naast de logische problemen die Multatuli opvoert (de overtreffende trap van "enige"; het "nog"; de stervelingen in de eenzaamheid) is er het probleem van tautologie: Een oord dat zowel afgelegen als eenzaam is, waar geen sterveling hem kende, zal toch ook wel een oord zijn dat men moet bereiken op een witte schimmel, dat een paard is dat niet zwart is.


[8] dat die nonsens: 10 geschreven werd door 'n man die, als mensch, litterator, geleerde, en zelfs naar gewone opvatting als wysgeer, geenszins laag stond. 20 Dat die onzin zonder protest geslikt werd door 't uitstekendste deel van de Natie.

Ja, inderdaad ... maar helaas kan de les veel algemener getrokken worden: Dit is de gewone gang van zaken.

Wat men gewoonlijk gelooft, al behoort de men die het gelooft tot de lokale bloem der natie, is overwegend onzin, en de taal waarin het gepresenteerd wordt is meestal conventioneel, gemaakt en niet goed.


[9] Toch behoorden deze personen tot de soort van voorgangers die by-uitsluiting met den naam ‘fraaie vernuften’ werden getooid! En 't blyft de vraag of we in onze dagen veel verder zyn?

Multatuli's eigen antwoord is: "Neen, we zyn niet vooruit gegaan!", en dat lijkt me nog steeds waar. De reden staat aangeduid in mijn vorige noot: Men kan niet veel beter dan men doet, gemiddeld.

Toch is er één voorbehoud, en dat is dit: Ik geloof dat de meest intelligente mensen in iedere menselijke samenleving geweten hebben dat de vooronderstellingen waarop de geloven en praktijken gebaseerd waren die hun samenleving samen hielden niet rationeel houdbaar waren, en vooral bestonden en bleven bestaan door overlevering, traditie, en onderwijs.

Maar de overgrote meerderheid van deze kleine groep van de meest intelligenten, die in konden zien dat de in hun eigen sameleving gebruikte begrippen onvolledig, onwaarachtig en vooringenomen waren, zullen ook ingezien hebben dat zij zelf niet bij machte waren er iets aanmerkelijk beters voor in de plaats te stellen, en dat bovendien het willen doen daarvan iemand vrijwel altijd maatschappelijk zeer onpopulair maakte.

Idee 1048.