Een akrobatisch
hoofdstuk. De schryver springt van Genoveva op Jupiter,
van Jupiter op Feith, van Feith op 't Beest
in de Openbaring, dat hem dertig jaren terugvoert, om neertekomen
op Salomo's Recht in nieuwe editie, en den lezer doet kennis
maken met twee arabieren die geen manieren hadden.
De geschiedenis van
Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen
over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en
al stuitte Wouter hier-en-daar op 'n woord dat-i niet vertalen kon -
't spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch
fabrikaat? - toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest
zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de
onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.
Of is
de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden
heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling? Ze blyft
in-allen-geval opmerkelyk. [1]
Waarom
nam men, byv. in grieksche en romeinsche mythologie genoegen met 'n
Jupiter die jong geweest en door 'n geit gezoogd was, zonder er aan te
denken dat 'n geboren god oud worden en sterven moest? Al de
geschiedenisjes die op den Olymp gespeeld waren, nam men als gebeurde
zaken aan, en niemand schynt er aan gedacht te hebben dat de
voortzetting daarvan mogelyk, of liever noodzakelyk was. De onttroning
van Saturnus vond geen tegenspraak, maar de dichter die 't gewaagd had
in 'n premier-olympe te vertellen dat de veroveraar Zeus op zyn
beurt 'n gelyk lot had ondergaan, zou voor 'n godslasteraar gehouden
zyn. Ook in andere meer moderne mythologiën... [2]
Maar
we willen nu liever dat gebrek aan kritiek, in Woutertje
beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen
gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo
lang verstoten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als
de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis
jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke
dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen
zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag
dit wel, en hy was er wel jaloers op...
Dat
was wat ànders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens,
waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
Nu ja,
hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven
opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken,
waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in
den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen.
Eilieve, 't kind was hierin minder achteruit dan hem volgens z'n jaren
vrystond. By vergelyking met zeer veel volwassenen, had men 't recht
niet, kritische zifting van hem te verwachten. De opmerking is oud,
dat de heldinnen in ridderromans nooit gebrek hebben aan schoon
linnen, waschwater of nagelborstel. Dit hinderde de lezers van die
dingen niet, en... ook heden nog nemen volwassenen volkomen genoegen
met de almacht van schryvers, die zich niet schynen te storen aan de
onverbiddelyke eischen van de werkelykheid. [3] De soort van
onmogelykheden die gretig worden aangenomen, verandert by elke
periodische abschnitt van litteratuur-smaak, maar die
onmogelykheden zelf blyven gangbaar, en schynen zelfs niet gemist te
kunnen worden. Onze grootvaders namen volkomen genoegen met 'n
‘eenzaam dal’ waar zich de held of de heldin verborg met de noodige
smart. Belastinggaarders drongen in zoo'n dal niet door, en ook by 't
opmaken van bevolkingstaten sloeg men zulke schuilplaatsen heel goedig
over. Hoe 'n eenzame romanheld het maakte, als de held uit 'n ander
boek 't in z'n hoofd kreeg, zyn dal te kiezen tot herberg van
z'n wereldhaat, of als er eens door 'n samenloop van velerlei
gelyksoortige smart, al te veel eenzaamheden op één punt by-elkaar
kwamen, weet ik niet. We willen hopen dat er ten-allen-tyde evenveel
afgesloten dalen als ongelukkigen mogen geweest zyn, en dat ieder 'n
byzonderen smaak had.
't Is
komiek te zien, hoe schryvers die zich tot taak stellen hun
tydgenooten voortelichten, en die overigens somwylen blyk geven van
liefde tot nauwkeurigheid, zich schuldig maken aan de grofste
vergrypen tegen de eischen van het Zyn. Dat er fouten bestaan
in èlke teekening, spreekt vanzelf. [4] Maar 't is ergerlyk, wanneer men
naast beschouwingen die aanspraak maken op wetenschappelyke juistheid,
'n schildering vindt van geheel onbestaanbare toestanden. Dat men ook
nu nog zich zulke ongerymdheden veroorlooft, zou ik kunnen staven door
talryke voorbeelden uit de hedendaagsche litteratuur. Doch om in
Wouters tyd te blyven, en tevens by den gedachtenloop die me dat
spotten met eenzame dalen in de pen gaf, haal ik hier liever iets aan
van Feith.
Ik
beweer dat die schryver niet genoeg gewaardeerd wordt. Men heeft hoog
geloopen met z'n verzen, en met z'n - nagemaakt- werthersche! -
sentimentaliteit. Later inziende dat men op 'n verkeerd spoor was,
moest die vergissing gewroken worden op den arme die zich niet
zwaarder bezondigd had - hy, zèlf volgeling en nàgevoeler - dan zyn
volgers. Dezelfde Feith die de allerzotste empfindelei
ten-onzent byna populair maakte, heeft zeer goede stukken geschreven
over litteratuur en kunst. [5] Daar ik Wouter nagenoeg tot tydgenoot
maakte van z'n opgang, zal ik wel genoodzaakt zyn op hem en de school
waartoe hy behoorde, terug te komen. Nu alleen iets over die ‘dalen.’
In zeker verhaal - ‘de Hermiet’ - wordt 'n jongeling die door
den schryver is begiftigd met 'n ‘gevoelig hart, schrander
oordeel en uitgebreide kunde, vooral in de fraaie
Wetenschappen’ behoorlyk ongelukkig. 't Spreekt vanzelf dat-i
oogenblikkelyk zich terugtrok op 'n ‘eenzame landhoeve, en wel in eene
afgezonderde vallei, om daar, afgezonderd van de wereld, en buiten het
oog zijner Natuurgenooten, een leven te slijten, dat’... enz. In die
‘eenzaamheid’ - wie de boerdery bezorgde, wordt niet gemeld - vond-i
'n... graftombe. De vorige bezitter der landhoeve had die ‘op 'n
eenzaam plekje gronds’ laten vervaardigen. Op die tombe stonden
allerlei zeer romantisch-godsdienstige opschriften, zoodat er iets als
'n gesprek kon gevoerd worden tusschen den levenden en den begraven
liefhebber van de eenzaamheid. Terwyl de eerste hiermee - overluid! -
bezig is, wordt-i door 'n derden ‘eenzame’ gestoord. Uit den donker
treedt 'n gedaante te-voorschyn, die z'n spreek- en denkmanier
oogenblikkelyk à l'unisson van dat grafgeseur weet te zetten.
‘Wie gij ook zijn moogt, sprak eene eerbiedäfdwingende stem tot
Valcour - nooit heeten zulke luî Pieterse! [6] - staak uwe klachten! De
Voorzienigheid’... enz. Het hier volgend gesprek is natuurlyk van
gelyk allooi als de opschriften van de tombe. We vernemen daaruit,
o.a. dat de man die daar in 't donker ronddwaalde in de
eenzaamheidsheerlykheid van den ander, ter-afwisseling 'n
eenzaamheidszoeker was, die eigenlyk heel leelyk deed 'n kollega te
komen veroneenzamen. Want de man had z'n eigen ‘dal’ en daarin had-i
behooren te blyven dunkt me. Na de noodige ongelukken had hy zich ‘met
het eenigste pand dat hem van zyne Sophie nog - eenigste en
nog: sic - was overgebleven, naar een eenzaam afgelegen oord
begeven, waar geen sterveling hem kende.’ Er waren dus stervelingen in
die eenzaamheid, schoon ze gelegen was tusschen ‘hooge en nooit
bezochte bergen.’
Kan 't
kinderachtiger? [7]
Laat
ons zien hoe de andere held z'n tyd doorbracht, de jongeling met
‘schrander oordeel en uitgebreide kunde.’ De lezer vergeve my, dat ik
eenige regels letterlyk uitschryf. Hy bedenke by 't lezen, dat die
nonsens: 10 geschreven werd door 'n man die, als mensch,
litterator, geleerde, en zelfs naar gewone opvatting als wysgeer,
geenszins laag stond. 20 Dat die onzin zonder protest
geslikt werd door 't uitstekendste deel van de Natie.
[8]
‘Somtijds rees hij
met de zon van zijne slaaplooze legerstede, beklom een nabijgelegen
heuvel, liet van daar zijn gezigt over de omliggende vlakten dolen,
en zag de geheele Natuur ledig voor hem. Verzonken onder 't gevoel
van zijn leed, zeeg hij op de beparelde graszode neder; vermengde
zijne tranen met den dauw, en bleef in achteloos gepeins uren op den
grond staroogen.’
Uren achtereen? In
die nattigheid? Maar ik onthoud me van kommentaar. Ziehier wat de
ongelukkige eenzame jongeling verder uitvoerde:
‘Dikwijls trad hij
in den achtermiddag, mismoedig en in de volle houding der
hopeloosheid (?) naar 'n digt bosch, dat aan zijne landhoeve
grensde, boorde op de meest woeste plekken door takken en struiken
heen...
Als 'n everzwyn!
...wierp zich
overluid gillende van weedom - overluid gillende: sic! - op
de doorééngevlochten en met mos bedekte wortels van eenen ouden
beukenboom, die in den donkersten nacht van dit woudstond, neder, en
noemde duizendmalen den door zuchten afgebroken naam van Adelaïde.
Meest echter bezocht hy in de schemering van den avond een
graftombe...
Dit is 't fameuze
monument waarvan ik reeds gesproken heb.
Wat
zegt ge, lezer? De werken waarin zulke dingen voorkomen, of liever: de
werken die byna doorgaande met zoo'n brutale miskenning van gezond
verstand geschreven zyn, beleefden in, of kort na, Wouters jeugd, 'n
herdruk. De oplaag was van tienduizend exemplaren, en ook 't
getal der inteekenaren bedroeg duizenden! Daaronder vinden wy de namen
van al wat in Nederland aan 't hoofd van beschaving stond, of uitblonk
in aanzien. Met het oog daarop durf ik vragen of we 't ons Woutertje
wel zoo heel kwalyk nemen mogen dat-i zich niet opgewekt voelde tot
het doordringen in de economische verhoudingen van Genoveva?
We
zullen dien Feith later weerzien, daar ik
hem erger dingen dan schryvers-onbekwaamheid te verwyten heb. Zeker is
't hem nooit in den zin gevallen, dat zyn afwyking van waarheid,
eenmaal gebruikt worden zou om de onnoozelheid van 'n knaapje te
verontschuldigen. En z'n lofredenaars Van Hall,
de Vries, en Van Kampen
ook niet! Toch behoorden deze personen tot de soort van voorgangers
die by-uitsluiting met den naam ‘fraaie vernuften’ werden getooid! En
't blyft de vraag of we in onze dagen veel verder zyn?
[9] We hebben
Feiths mismaakt sentiment van ons geworpen, niet door ryping van
oordeel zoozeer, als door veranderden smaak. Dit blykt hieruit, dat we
evenzeer als toen 't geval was, genoegen nemen met 'n onjuiste
voorstelling der dingen. Hy teekende scheeve harten en kreupele
karakters. Wy vervalschen en verdraaien de zaken van den dag,
die van de ontbonden firma Hart, Smart & Cie de vogue
hebben overgenomen. Politische en sociale kwestiën spelen
heden-ten-dage de rol die we honderd jaar geleden zagen vervullen door
't melankoliek everzwyn, dat ‘overluid gillende door de digtste
struiken boort, om zich neertewerpen op de doorééngestrengelde met mos
begroeide wortels van den ouden beukenboom in den donkersten nacht van
't eenzaam woud... hu!
Neen,
we zyn niet vooruit gegaan!
[1]
En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die
fantazie niet.
Of is
de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden
heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling? Ze blyft
in-allen-geval opmerkelyk.
Ja, dat is zo. De algemene
verklaring, althans voor de vanzelfsprekendheid waarmee kleine
kinderen in Sinterklazen en menselijke goedertierenheid geloven, moet
zijn dat ze de begrippen en termen nog niet hebben verworven om
ànders over deze zaken te denken dan ze gepresenteerd worden, of om
skeptisch te zijn, twijfel te koesteren etc.
Voor volwassenen ligt het anders, al
geldt ook hier dat het zonder de juiste begrippen en termen een heel
stuk moeilijker is ideeën te hebben of ontwikkelen over zaken dan
wanneer men daarin voorzien is door z'n opvoeding of onderwijs. En dan
zijn de begrippen die men opdoet in z'n opvoeding en onderwijs altijd
lokaal, altijd partieel zelfs indien juist, en meestal onjuist,
onwaarachtig en opgehangen aan onzinnige religieuze of politieke
vooronderstellingen.
[2]
De onttroning van Saturnus vond geen tegenspraak, maar de dichter die
't gewaagd had in 'n premier-olympe te vertellen dat de veroveraar Zeus op zyn
beurt 'n gelyk lot had ondergaan, zou voor 'n godslasteraar gehouden
zyn. Ook in andere meer moderne mythologiën...
Hier doelt M. ongetwijfeld onder
andere op de moeilijkheid dat wie vindt dat hij een schepper nodig
heeft om het universum te verklaren, kennelijk moet vinden dat hij een
schepper nodig heeft om de schepper te verklaren, en da capo ad
infinitum.
Maar het is waar dat de grondleggers
van de religies en de grote meerderheid van de gelovigen dit soort
problemen eenvoudig niet plegen te zien, net als kleine kinderen die
zich nog geen begrippen maken van sexualiteit, omdat ze daar de
woorden nog niet voor hebben en de aanleidingen in hun eigen
driftleven ook nog niet vonden.
En het is ook waar dat alle religie
en alle politiek teruggaat op hele simpele vooronderstellingen die
vrijwel altijd behoorlijk evident onhoudbaar zijn, zowel op logische
als feitelijke gronden, althans voor wie ze onbevooroordeeld en
rationeel beschouwd. Maar dat laatste is vrijwel altijd
ongebruikelijk, ongewenst en niet makkelijk noch vanzelfsprekend.
[3]
De opmerking is oud, dat de heldinnen in ridderromans nooit gebrek
hebben aan schoon linnen, waschwater of nagelborstel. Dit hinderde de
lezers van die dingen niet, en... ook heden nog nemen volwassenen
volkomen genoegen met de almacht van schryvers, die zich niet schynen
te storen aan de onverbiddelyke eischen van de werkelykheid.
Ja, natuurlijk - maar dat is nu juist
één van de reden dat er fantastische literatuur is: Omdat men daarin
allerlei werkelijk bestaande problemen geheel kan vermijden en
weglaten, en men kan doen en denken en fantaseren alsof de
werkelijkheid is zoals deze voorgesteld wordt te zijn.
[4] 't Is
komiek te zien, hoe schryvers die zich tot taak stellen hun
tydgenooten voortelichten, en die overigens somwylen blyk geven van
liefde tot nauwkeurigheid, zich schuldig maken aan de grofste
vergrypen tegen de eischen van het Zyn. Dat er fouten bestaan
in èlke teekening, spreekt vanzelf.
Verderop in deze bundel Ideen zal M.
het hier gestelde verduidelijken via een bespreking van het toneelstuk
Floris de Vijfde van Bilderdijk. Hier kunnen we opmerken dat
schrijvers van fantastische literatuur heel vaak niet geïnteresseerd
zijn in hoe de feiten die ze fantastisch behandelen in werkelijkheid
zouden zijn.
[5]
Dezelfde Feith die de allerzotste empfindelei ten-onzent byna
populair maakte, heeft zeer goede stukken geschreven over litteratuur
en kunst.
Het is de moeite waard op te merken
dat Multatuli heel zuinig was met z'n lof op andere schrijvers, zodat
dit opvallend is.
[6]
Valcour - nooit heeten zulke luî Pieterse!
Dit is dan ook weer de
reden dat Multatuli Woutertje "Pieterse"
en niet iets als "Valcour"
noemde: Het betreft de geschiedenis van een eenvoudig burgerjongetje.
[7]
Na de noodige ongelukken had hy zich ‘met het eenigste pand dat hem
van zyne Sophie nog - eenigste en
nog: sic - was overgebleven, naar een eenzaam afgelegen oord
begeven, waar geen sterveling hem kende.’ Er waren dus stervelingen in
die eenzaamheid, schoon ze gelegen was tusschen ‘hooge en nooit
bezochte bergen.’
Kan 't
kinderachtiger?
Wat vooral opvalt zijn
twee zaken: (1) Hoe gekunsteld romantisch het is en (2) hoe onlogisch
het is. Het is een heel goed voorbeeld van proza dat geschreven is met
het oogmerk proza van zeker soort (hier: romantisch) te
schrijven, zonder zich een goede voorstelling te maken van waar dat
proza van verhaalt.
Naast de logische
problemen die Multatuli opvoert (de overtreffende trap van "enige";
het "nog"; de stervelingen in de eenzaamheid) is er het probleem van
tautologie: Een oord dat zowel afgelegen als eenzaam is, waar geen
sterveling hem kende, zal toch ook wel een oord zijn dat men moet
bereiken op een witte schimmel, dat een paard is dat niet zwart is.
[8]
dat die nonsens: 10 geschreven werd door 'n man die, als mensch,
litterator, geleerde, en zelfs naar gewone opvatting als wysgeer,
geenszins laag stond. 20 Dat die onzin zonder protest
geslikt werd door 't uitstekendste deel van de Natie.
Ja, inderdaad ... maar
helaas kan de les veel algemener getrokken worden: Dit is de gewone
gang van zaken.
Wat men gewoonlijk
gelooft, al behoort de men die het gelooft tot de lokale bloem der
natie, is overwegend onzin, en de taal waarin het gepresenteerd wordt
is meestal conventioneel, gemaakt en niet goed.
[9]
Toch behoorden deze
personen tot de soort van voorgangers die by-uitsluiting met den naam
‘fraaie vernuften’ werden getooid! En 't blyft de vraag of we in onze
dagen veel verder zyn?
Multatuli's eigen antwoord is: "Neen,
we zyn niet vooruit gegaan!",
en dat lijkt me nog steeds waar. De reden staat aangeduid in mijn
vorige noot: Men kan niet veel beter dan men doet, gemiddeld.
Toch is er één voorbehoud, en dat is
dit: Ik geloof dat de meest intelligente mensen in iedere menselijke
samenleving geweten hebben dat de vooronderstellingen waarop de
geloven en praktijken gebaseerd waren die hun samenleving samen
hielden niet rationeel houdbaar waren, en vooral bestonden en bleven
bestaan door overlevering, traditie, en onderwijs.
Maar de overgrote meerderheid van
deze kleine groep van de meest intelligenten, die in konden zien dat
de in hun eigen sameleving gebruikte begrippen onvolledig,
onwaarachtig en vooringenomen waren, zullen ook ingezien hebben dat
zij zelf niet bij machte waren er iets aanmerkelijk beters voor in de
plaats te stellen, en dat bovendien het willen doen daarvan iemand
vrijwel altijd maatschappelijk zeer onpopulair maakte.