Idee 1047c.                                                

 

Niets staat de vrye ‘darwinistische’ ontwikkeling eener taal meer in den weg, dan... litteratuur en politisch standverschil. [1] Zoodra de aziatische Heirmannen, Allemannen, Duitschers - theuth, theot, thiet, diet beduidt zoowel ‘heer’ als ‘volk’ en 't woord beduiden zelf is van dien wortel - zoodra de van-lieverlede naar 't Westen opdringende stammen zich meester maakten van rykdom en gezag onder de autochthoone Kelten, die met Finnen en Touraniers in geheel Europa schynen verspreid geweest te zyn *) vermengde zy hun verliplapt Sanskrit met de brokstukken van 't Keltisch, die ze overnamen van hun heloten. In zeer veel gevallen kunnen wy thans nog nagaan - vooral in plaatsnamen die meestal lokale byzonderheden aanduiden - hoe ze een duits-sanskritschen klank vastlymden aan 'n keltisch woord. Zulke tautologiën werden dan door de arme Kelten van hun meesters overgenomen, en we vinden ze nog heden-ten-dage in de lexica als duitsche woorden. Het spreekt vanzelf dat de geleidelyke ontwikkeling der keltische Urtaal hierdoor voor altyd gestuit werd. Men trachtte niet langer uittedrukken - by benadering altoos! - wat men had afgeluisterd van de Natuur. De eisch was geworden dat de rondschedels vlug ten-uitvoer brachten, wat nu door de overheerschende langschedels geboden werd. Waarschynlyk speelde hierby de stok 'n rol als taalmeester. [2]

Toch zou zich uit dien nieuwen toestand een tweede periode van andersoortige ontwikkeling hebben kunnen opdoen, indien niet in later tyd de Kerk háre ‘beschaving’ was komen opdringen.

De invloed van de Romeinen was gering geweest, daar zy zich niet met filologie bemoeiden. Reeds elders maakte ik de opmerking, hoe de nauwgezette Tacitus niet op 't denkbeeld schynt gekomen te zyn, dat er iets belangryks liggen kon in taal. (Noot by 488) Hy behoorde tot het Volk dat voor 'n oogenblik politisch hooger stond, en was bovendien 'n man van letteren. Ziedaar de twee oorzaken van z'n minachting. De Germanen heerschten niet, en schreven niet: dus kwam 't er niet op aan hoe ze spraken. Alsof niet juist die beide oorzaken hun taal geschikter had gemaakt tot het oogsten van wysgeerig-filologische opmerkingen! [3]

Doch al had het in de gaven en neigingen der Romeinen gelegen, zich intelaten met filologische studiën, het getal krygslieden dat in Germanië doordrong, was zeer gering, en bepaalde zich, vooral in 't Noordwesten, tot de bezettingen van de castra. In koloniën, als te Trier en Keulen, bleef de kern der bevolking uit ingeborenen bestaan, wier zeden en spraak - eenigszins verbasterd zeker - door de weinige burgers die van vreemde afkomst waren, werden overgenomen. Slechts officieel werd er 'n soort van latyn ingevoerd, gelyk nog uit de namen van markten en straten in dergelyke steden te zien is. Doch niet zulke koloniën leveren den waren maatstaf van den invloed der vreemdelingen op het geheele Volk. De verhouding tusschen Romeinen en Duitschers zal wel nagenoeg zyn overeen gekomen met die tusschen 't Nederlandsch leger in Indië, en de inlanders: honderden tegen millioenen. Bovendien behoort men hierby nog te letten op 't zeer gering getal eigenlyke Romeinen die in de legioenen dienden, en op 't gehalte van die lieden. Voorzeker behoorden ze niet tot de soort van menschen die invloed uitoefenden op de taal. [4] Hoogstens ontleende het volk eenige termen van krygskundigen aard aan de Romeinsche techniek, en dan nog slechts op of naby de plaats waar ze gebruikelyk waren. [5] Zoo heet nog heden-ten-dage de Mainzer bovenstad: Kästrich (castra) en overal vindt men Cassels en Castels, waarin 't reeds niet zeer zuiver latynsche castellum bewaard blyft.

Maar de Kerk! De aanvoerders der Romeinen heerschten slechts. De Kerk heerschte en... schreef! De taal waarin men tot God sprak, moest wel mooi zyn, vooral wanneer zy die haar leeraarden, aan dienzelfden God de macht ontleenden om hun, geletterdheid in één slag mee optedringen met het eeuwige leven. De domme priesters brachten hun us en um aan den man, of wisten althans te bewerken dat er geen waarde werd gehecht aan al wat niet getooid was met zoo'n staart. Zyzelf wisten zoo min als 't Volk - en dit weten verreweg de meeste geleerden van onzen tyd nog niet - dat dezelfde woorden die ze als bien porté en nieuwe snufjes van buiten invoerden, voor zeer, zeer, langen tyd ontleend waren aan 't zelfde Volk - aan 't vóórgermaansch deel daarvan, ten-minste - dat ze nu met hun nieuwe wysheid kwamen foppen. Wie 'n parel margarita noemde, hield zich voor ‘gekleed’ met z'n modieuse uitdrukking, en dacht er niet aan dat z'n voorouders in hun oorspronkelyke taal zoo'n voorwerp met dien naam hadden genoemd, en wat meer is: omschreven, als iets begeerlyks dat men gierig grypt en grist uit de zee, mer, meer, moor, moer: margrit.

Zoo zouden de Franschen ons kunnen komen vertellen dat 'n ‘gemeene’ straatjongen eigenlyk gamin heet, dat ‘lustig’ behoort geschreven te worden met ou en c - loustic, 'n grappemaker - dat de ware naam van Uilenspiegel espiègle is, en dat we zonde doen door hun nietsbeteekenend querelle aftewyzen als stammoeder van ons veelzeggend krakeelen, d.i. kraai-keelen. Enz. enz. [6]

*) Van Touraniërs spreek ik slechts voor memorie, omdat ik me van dien dikwyls genoemden, doch voor zoover ik weet, door niemand toelichtend besproken stam, geen denkbeeld maken kan. Ook van de Finnen weet ik weinig, doch zy boezemen belang in, omdat hun taal zooveel sporen heeft nagelaten. [7] Voor 't autochthoone der Kelten pleit, o.a. hun naam, die op troglodytisme heenwyst. En wat hun taal aangaat, ze leverde waarschynlyk zoowel bouwstoffen tot idiomen die zich ver aan gene zyde der steenperiode verliezen, als tot 'n groot deel der talen die thans nog in Europa, misschien ook in andere werelddeelen, gesproken worden. Mocht my 't loisir vergund geweest zyn, dit natesporen! [8]


[1] Niets staat de vrye ‘darwinistische’ ontwikkeling eener taal meer in den weg, dan... litteratuur en politisch standverschil.

Multatuli had kennelijk niet zo'n goed idee van wat Darwin bedoelde met zijn evolutie-leer, maar er is het e.e.a. te zeggen voor een ‘darwinistische’ ontwikeling van een taal.


[2] Waarschynlyk speelde hierby de stok 'n rol als taalmeester.

Dr. Johnson was van mening dat hij zijn grote kennis van het Latijn vooral dankte aan het feit dat "my master whipped me very well, sir". Deze mening is ook nog te vinden bij Orwell, maar zonder dankbaarheid:

"This did not happen very often, but I do remember, more than once, being led out of the room in the middle of a Latin sentence, receiving a beating and then going straight ahead with the same sentence, just like that. It is a mistake to think such methods do not work. They work very well for their special purpose. Indeed, I doubt whether classical education has been or can be succesfully carried on without corporal punishment." (p. 388, The Collected Essays etc. 1945-1950, George Orwell, from "Such, such were the joys.")


[3] De Germanen heerschten niet, en schreven niet: dus kwam 't er niet op aan hoe ze spraken. Alsof niet juist die beide oorzaken hun taal geschikter had gemaakt tot het oogsten van wysgeerig-filologische opmerkingen!

M. schrijft deze mening aan Tacitus toe. Of deze er ook zo over dacht weet ik niet, maar het is een feit dat er weinig bekend is over de taal van de volkeren die onderworpen werden door de romeinen.


[4] Bovendien behoort men hierby nog te letten op 't zeer gering getal eigenlyke Romeinen die in de legioenen dienden, en op 't gehalte van die lieden. Voorzeker behoorden ze niet tot de soort van menschen die invloed uitoefenden op de taal.

Hm. Multatuli vergat hier kennelijk dat Julius Ceasar tot "die lieden" behoorde, en dat hij volgens zijn tijdgenoot Cicero een aanzienlijke invloed had op het romeins, en zowel bijzonder goed sprak als bijzonder goed schreef.


[5] Hoogstens ontleende het volk eenige termen van krygskundigen aard aan de Romeinsche techniek, en dan nog slechts op of naby de plaats waar ze gebruikelyk waren.

Nee, dat geloof ik ook niet. In feite schijnen de door de Romeinen overwonnen Europese volkeren een beschavingsachterstand te hebben gehad, en snel veel overgenomen te hebben van de Romeinen.


[6] Enz. enz.

In de alinea waarmee dit eindigt spreekt M. weer van zijn opvattingen over taal, die vrijwel niemand ooit serieus heeft kunnen nemen.


[7] Ook van de Finnen weet ik weinig, doch zy boezemen belang in, omdat hun taal zooveel sporen heeft nagelaten.

Ook dit lijkt een Multatuliaanse misvatting: Fins en Hongaars wijken juist af van alle andere Europese talen omdat ze afstammen van Mongoolse dialekten.


[8] ... 'n groot deel der talen die thans nog in Europa, misschien ook in andere werelddeelen, gesproken worden. Mocht my 't loisir vergund geweest zyn, dit natesporen!

Nu, daar kwam het nooit van, en het is zeer onwaarschijnlijk dat Multatuli veel van waarde te melden zou hebben gehad over het ontstaan van de taal. Het is wel een feit dat hij er tot het eind van z'n leven belangstelling voor bleef hebben, en woordenlijstjes aanlegden van termen die hem troffen, met eventuele afleidingen. Een deel daarvan is gereproduceerd in latere delen van de VW.

En het zou M. waarschijnlijk goed gedaan hebben te weten dat tegenwoordige linguisten menen dat er iets als een Indo-europese oertaal geweest is, en dat ze die mening baseren op vergelijkingen van de woordenschatten van de in Europa gebruikelijke talen, vooral waar het woorden betreft voor dingen die iedereen kent, als water, melk, moeder e.d.

Overigens is het een interessant feit dat, als er 100.000 jaar sprekende mensen zijn, de feitelijke beschavingsgeschiedenis toch niet ouder dan zeg 5000 jaar is: Kennelijk kwamen taal en het overig inzicht in de werkelijkheid dat nodig is om land te bebouwen en huizen te bouwen en wetten op te stellen maar langzaam en met moeite tot stand.

Idee 1047c.