Nawoord.                                                


NASCHRIFT BY DEZEN DERDEN DRUK.

Meer nog dan uit andere stukken zal den oplettenden lezer uit dezen bundel gebleken zyn dat ik verband meen te zien tusschen den toestand van ons landje, en de wyze waarop men van machthebbende zyde voorgaat my te behandelen. [1] Dat ik van velerlei kanten door blyken van hartelyke sympathie voor die even domme als hardnekkige miskenning word schadeloos gesteld, doet hier niet ter-zake. Ik wys dan ook slechts op dat verband om de volgorde der stukken in dezen bundel te rechtvaardigen. Er zal 'n tyd komen dat de samenhang duidelyker in 't oog valt dan nu door te groote nabyheid mogelyk is. (122[2]

Gedurende de korrektie had ik moeite my van uitvoerige noten te onthouden, omdat slechts weinig nummers daartoe geen aanleiding gaven. Byna dagelyks leverde my de pers van 1876 bewyzen voor de waarheid van wat ik in 1873 en 1874 (het jaar der tweede uitgave) geschreven had, en vooral was dit het geval ten-opzichte van de thorbeckeritus waarover in dezen bundel gehandeld wordt. Van myn aanvankelyk voornemen om die bewyzen te kolligeeren, en daarvan een aanhangsel te vormen, zie ik af omdat ik begin te gelooven dat de misdadige zotterny waarmee de Natie zich in 1848 door frazenmakende raddraaiers heeft laten inenten, haar eigen dood sterven zal. Onze ellendige Kieswet en de daaruit voortgekomen Volksvertegenwoordiging, geraken meer en meer in verachting, zelfs by hen die, alle konsekwentie verwaarloozende, nog altyd op den klank af den schepper van die ondingen met den titel vanStaatsmanbestempelen. [3] 

Hoe dit zy, in den aanvang van dit jaar had de krankzinnigheid haar toppunt bereikt: het standbeeld van den grooten Thorbecke zou onthuld worden! Het regende jubelvlugschriften en juichkrantartikelen. Godbewaarme dat ik alles zou gelezen hebben! Ik konstateer slechts dat, voor-zoo-ver ter myner kennis kwam, niemand de goedheid had 'n antwoord te leveren op de herhaaldelyk door my gedane vraag; ‘wat er door Thorbecke verricht was, dat hem aanspraak gaf op de algemeene vereering?’ Ik van myn kant heb op onderscheiden plaatsen aangetoond hoe hy z'n staatsmansplicht verwaarloosde, niet alleen, maar dat hy door 't invoeren van z'n middelmatigheidsregime, alle uitzicht op verbetering voor vele jaren heeft afgesneden. Ook hierin alzoo loopen m'n persoonlyke grieven en m'n droefheid over het te-gronde richten van ons land, in één punt samen. [4]

Maar, nog-eens, ik onthoud me nu van bewyzen, en dit geheele Naschriftje zou achterwege gebleven zyn, indien ik niet in de Noot by 980 daarop gewezen had. Dit geschiedde in Mei, in de maand der onthulling, en ik was bezig met kolligeeren van de zotternyen die me dagelyks onder de oogen kwamen. De lezer kent den grappigen samenloop dien ik in dat nummer 980 beschreef. Welnu, daarvan werd my 'n herhaling geleverd, waaruit de beoefenaar van kansrekening zal kunnen opmaken hoe frekwent de ongerymdheden zyn, waaraan men zich wel schuldig maken moet, om in dien Thorbecke iets uitstekends te blyven zien. In 'n standbeeldbejubelend hoofdartikel van 't Nieuws van den Dag - 'n stuk waarin vorm en inhoud zich den voorrang in bespottelykheid betwistten - vond ik o.a. de verzekering dat Thorbecke zeer in 't byzonder ‘de man van de school’ was geweest. Maar in 't byvoegsel van datzelfde blad kwamen op denzelfden datum (18 Mei) de regels voor:

‘De h.h. Moens, Kerdijk en anderen die der natie de oogen openden over den toestand waarin ons lager onderwijs verkeert, hebben feiten en cijfers genoemd, welke ieder weldenkende moesten doen blozen van schaamte over de verwaarloozing van het belangrijkst element van opvoeding.’

Blozen van schaamte? Heel goed! Maar 't jubelen dan? Blozend jubelen? Jubelend blozen? Hoe is 't nu eigenlyk?

Wel goedig van de lieve natuur der dingen, dat ze van-tyd tot-tyd de korrektie van epidemische verdwazing op zich neemt door 'n ongerymdheid te doen uitloopen op tastbare zotterny. Toch zou ik dezen aardigen tegenhanger van 't gelyksoortig toeval-sarkasme dat ik in 980 beschreef, nu niet aangeroerd hebben, indien ik niet by dat nummer naar dit Naschriftje verwezen had. De oogst van zotternyen was te groot om alles in de schuur te halen, en liever had ik me geheel onthouden, dan gevaar te loopen den lezer in den waan te brengen dat het hier aangehaald staaltje slechts uitzondering wezen zou. Tegen deze meening teeken ik uitdrukkelyk verzet aan.

De lezer kan zich overtuigd houden dat ik volop verzadigd ben, niet alleen van Thorbecke en z'n aanhang, maar ook van 't schryven over die onsmakelyke onderwerpen. Zeker zou ik ze dan ook niet vereerd hebben met zooveel opmerkzaamheid als ik daaraan meermalen te-koste legde, wanneer ik niet gedurig door droevige persoonlyke ervaring genoodzaakt was my bezig te houden met de oorzaken der mishandeling waaraan ik sedert 'n twintigtal jaren ben blootgesteld. Ik heb het goede gewild, en de personen die onder beneficie van den thorbeckschen middelmatigheidskultus aanhoudend op den voorgrond treden, zyn uit zucht tot zelfbehoud wel gedwongen 't kwade voortestaan. De natie die dit onverschillig aanziet, zal van haar medeplichtigheid bittere vruchten plukken. Of liever, dit, is reeds het geval. Leger, vloot, armwezen, volksvoeding, onderwys, rechtspleging, gezags-prestige, de toestand van Insulinde, de stemming van 't Buitenland, alles roept even luid om verbetering. Men gelieve te erkennen dat ik, vele jaren geleden reeds, gewaarschuwd heb. [5]

Voor den toekomstigen geschiedvorscher zal 't opmerkelyk wezen hoe 't zoogenaamd modernismus op kerkelyk gebied 'n voortbrengsel was van denzelfden grond die de miasmen der parlementery uitdampte. [6] De hoofdtrekken waardoor beide kwalen gekarakterizeerd worden, zyn dan ook tamelyk van gelyken aard, en daarom doet het my genoegen dat ze in dezen bundel als 't ware in één greep behandeld, of althans aangewezen zyn. De nazaat die me verwyt dat ik me te veel met politiekery en halveerdoxie bemoei, kent noch 't aantal noch de soort van de vyanden die ik te bestryden heb. Bovendien, die stryd behoort even goed als byv. Vorstenschool en Woutergeschiedenis, tot het program dat ik me by 't aanvangen dezer Ideën voorschreef. [6]


[1] Meer nog dan uit andere stukken zal den oplettenden lezer uit dezen bundel gebleken zyn dat ik verband meen te zien tusschen den toestand van ons landje, en de wyze waarop men van machthebbende zyde voorgaat my te behandelen.

Wat M. bedoelde komt kennelijk neer op: De toestand in Nederland was héél anders geweest als men mij beter gehoor had gegeven, en zeker wanneer men mij macht had gegeven. Een deel van de kritiek van M. op Thorbecke was ongetwijfeld geïnspireerd door M.'s idee dat hij veel beter dan Thorbecke in staat was Nederland te leiden.

Mijn eigen opvatting - zie mijn commentaren bij Ideen 4 - ligt ongeveer in het midden: Ik denk dat het jammer voor zowel Multatuli als Nederland is dat zijn ideeën niet veel uitgebreider besproken zijn bij zijn leven en rond de tijd dat hij ze publiceerde. Maar ik denk niet dat M. een groot staatsman zou zijn geweest, zoals hijzelf kennelijk wel over zichzelf aannam.


[2] Er zal 'n tyd komen dat de samenhang duidelyker in 't oog valt dan nu door te groote nabyheid mogelyk is. (122)

Ik mag zeggen - zie 122 - dat ik M. 'van verre' gelezen heb, en inderdaad van zover (130 jaar!) dat de bedoelde samenhang nauwelijks interessant meer is, behalve misschien voor letterkundigen.


[3] ik begin te gelooven dat de misdadige zotterny waarmee de Natie zich in 1848 door frazenmakende raddraaiers heeft laten inenten, haar eigen dood sterven zal. Onze ellendige Kieswet en de daaruit voortgekomen Volksvertegenwoordiging, geraken meer en meer in verachting, zelfs by hen die, alle konsekwentie verwaarloozende, nog altyd op den klank af den schepper van die ondingen met den titel vanStaatsmanbestempelen.

Maar zo liep het niet. Thorbecke gaat anno 2005 nog steeds voor 'een groot staatsman' door, al kan nog steeds niemand uitleggen waarom, zonder chauvinisme. En de kieswet werd in 1920 hervormd tot een democratische die volwassen mannen en vrouwen recht gaf hun vertegenwoordigers te kiezen zonder dat dit merkbaar betere of fundamenteel andere volksvertegenwoordigers opleverde.


[4] Ik van myn kant heb op onderscheiden plaatsen aangetoond hoe hy z'n staatsmansplicht verwaarloosde, niet alleen, maar dat hy door 't invoeren van z'n middelmatigheidsregime, alle uitzicht op verbetering voor vele jaren heeft afgesneden. Ook hierin alzoo loopen m'n persoonlyke grieven en m'n droefheid over het te-gronde richten van ons land, in één punt samen.

Dat punt - zie [1] - was kennelijk: Nederlanders, jullie hadden mij op zijn plaats moeten kiezen. Ik denk dat ook dat niet goed was geweest voor Nederland, en ook niet voor Multatuli, maar wil hier alleen kort opmerken in het kader van 'z'n middelmatigheidsregime' dat - oordelend lang nadien, bijvoorbeeld op basis van diverse Nobelprijzen natuurkunde voor Nederlanders tussen 1890 en 1930 - dat Thorbecke's invoering van de H.B.S. voor de ontwikkeling van de wetenschap in Nederland positief is geweest.


[5] De natie die dit onverschillig aanziet, zal van haar medeplichtigheid bittere vruchten plukken. Of liever, dit, is reeds het geval. Leger, vloot, armwezen, volksvoeding, onderwys, rechtspleging, gezags-prestige, de toestand van Insulinde, de stemming van 't Buitenland, alles roept even luid om verbetering. Men gelieve te erkennen dat ik, vele jaren geleden reeds, gewaarschuwd heb.

NB dat M. al de genoemde onderwerpen aangesneden had in zijn publikaties.


[6] Voor den toekomstigen geschiedvorscher zal 't opmerkelyk wezen hoe 't zoogenaamd modernismus op kerkelyk gebied 'n voortbrengsel was van denzelfden grond die de miasmen der parlementery uitdampte.

Nee, dat geloof ik in het geheel niet. Het modernisme was een poging onder protestantse geestelijken om het geloof en de wetenschap met elkaar te verzoenen, en een reactie op de zich ontwikkelende wetenschap, die allerlei toepasbare kennis vond die het de profeten of de goden niet nodig gevonden hadden te vermelden in hun heilige boeken. De parlementerij ging vooral terug op de revoluties van 1789 en 1848, en de ideeën van Locke, Paine en Mill.

Nawoord.