INLEIDING IDEEN 4:
Ikzelf houd dit voor de minste van
de zeven bundels Ideen. De reden is dat het overwegend bestaat uit
het toneelstuk Vorstenschool, waar ik niet veel om geef, en
overigens uit veel geklaag van Multatuli over z'n ontvangst als
schrijver, de kritiek op hem, z'n gebrek aan opgang, z'n armoede
etc. Verder vindt men er een uitgebreide behandeling van een
brief van theologie-student Post aan
Multatuli, en van een boek over Nederlands-Indische wantoestanden
van Brata Yoeda, en ruim 100 vrolijke
grafschriftjes op Thorbecke, nog steeds zeer
geschikt om VVD-voorgangers schuim op de mond te doen krijgen. Ook
wordt Hooft's geschiedschrijving fraai
gehekeld, en vindt de lezer er een proeve van een duiding van de
term Bogowontisch.
Veel van Multatuli's geklaag in
Ideen 4, waar veel van de ideen in deze
bundel uit bestaat, is
zeer begrijpelijk, maar het maakt geen vrolijke literatuur, en het is
waar dat het - in 2005, waarin ik dit schrijf - lang geleden
plaatsvond en geschreven werd.
Waarom dan tòch een commentaar
leveren, dat kennelijk ook - weer - door vrijwel niemand zal gelezen en door nog
minder zal worden begrepen of gewaardeerd?
Wel, wat mijzelf betreft om vier redenen die ik
kan zien:
1. Niemand anders doet of deed het,
kennelijk omdat niemand anders het kan en wil. (Wie carrière wil
maken in de Neerlandistiek prijze zijn tijdsgenoten, vooral zij die
baantjes te vergeven hebben. Succes verzekerd! Talent is alleen
hinderlijk, voor wie het heeft!)
2. Het blijft Multatuli, en beter Nederlands dan het meeste andere
Nederlands dat ik in mijn nu 55 jaren gelezen heb. (Ik begrijp ook
niet, blind of ongevoelig als ik ongetwijfeld ben, dat zoveel van mijn
tijdsgenoten genoegen nemen of genot vinden met de troep die ze als
moderne literatuur geserveerd wordt, en troost me maar met de
overweging dat dit altijd zo geweest is, en dat de coryfeeën van nu
over hooguit enkele tientallen jaren even doods, vergeten en ongelezen
zullen zijn als de coryfeeën uit Multatuli's tijd: Te saai, te dom,
te slecht Nederlands.)
3. Ikzelf, lezer, heb ook nogal wat te klagen over wat mij in
Nederland overkomen is, en wil dus wel eens vergelijken. (Zie
M.E. in Amsterdam.
Dit is geen vrolijke literatuur, maar wel zeer waarachtig.)
4. En geheel zonder vergelijking - zie
134 - ik vind mijn eigen commentaren interessant en de moeite
waard.
Wat Multatuli aangaat, hijzelf zegt
het in 963 zo:
Ik tastte de
Natie aan, in wat haar 't dierbaarst is. In haar goddienery: 'n
broodwinning. In haar zeden: 'n broodwinning. In haar vooroordeelen:
'n broodwinning. In haar zoogenaamde Staatkunde: 'n broodwinning. In
haar wanbestuur der Koloniën: 'n broodwinning. In haar principes: 'n
broodwinning. In haar huichelary... nu ja, dit sluit al de vorige
broodwinningen in zich.
Anders gezegd: M. is de enige
Nederlandse schrijver die de Nederlandse godsdiensten, de
Nederlandse moraal, de Nederlandse zeden, de Nederlandse
discriminatie van Javanen en vrouwen, het Nederlands onderwijs, de
Nederlandse uitbuiting van de werkende stand en in de koloniën, de
Nederlandse armoede aan ideeën, cultuur en zelfrespect, en de
Nederlandse politieke, religieuze en literaire voorgangers durfde te
kritiseren, in vaak schitterend proza, en bovendien de moed had de
wortel van al deze misstanden en gebreken, namelijk de Nederlandse
leugenachtigheid, huichelarij, lafhartigheid en domheid aan te vallen.
Hier is een kort overzichtje
ontleend aan mijn commentaar bij 1030
Er is in Nederland helemaal niemand
anders geweest die dit deed, durfde of zo kon schrijven als Multatuli
- en moderne columnisten, zoals de bij gelegenheid aardig schrijvende
Jan Blokker, die beweren dat zij te vergelijken zouden zijn met
Multatuli, maken volkomen kromme vergelijkingen, want hun
positie is geheel anders dan die van hem, en zij hebben geheel niets
dat evenredig vergelijkbaar is ("gelijkwaardig is") met de
originaliteit, veelheid van onderwerpen, morele moed en
onafhankelijkheid, of het taalvermorgen van Multatuli.
Maarten Maartensz
Amsterdam
27 april 2005