Idee 999.                                                


Suum cuique! [1] In-plaats van den niet door de Wet beschermden Q uittemaken voor iets nog leelykers dan waartoe z'n schryven my 't recht geeft, wil ik 'n gloeiende kool op z'n hoofd leggen. Het moet hem 'n aangename tyding zyn, te vernemen dat-i z'n doel bereikt heeft. Hy wilde kwaad doen, en hy hééft kwaad gedaan, groot kwaad! 

En ook de Arnhemsche Courant - het is treffend de homogeniteit optemerken tusschen de redaktie van zoo'n blad, en de onbekende schryver van ingezonden stukken! - ook die courant zelf heeft niet vruchteloos 't ‘beschaafd Publiek’ tegen Vorstenschool gewaarschuwd. Het intrekken van deze meening - we zullen zien, hoe? - kostte haar weinig: de slag was geslagen.

Suum cuique! Die Arnhemmer heeft iets van my te-goed, en hy zal 't hebben.

Om oprecht te zyn, moet ik verzoeken deze uitbetaling niet toeteschryven aan gewone eerlykheid. Ik heb daartoe andere redenen, o.a. den lust om 'n paar opmerkingen te plaatsen over Couranten in 't algemeen, en tevens als bydragen tot de beantwoording van den Leidschen brief. Men bedenke echter wel dat ik daarby niet elke courant in 't byzonder bedoel. Men kan immers wel zeggen: de Nederlanders gebruiken veel jenever, zonder daardoor elken Nederlander uittemaken voor 'n dronkaard?

De Arnhemmer dan noemt me naar aanleiding van 'n paar uitdrukkingen in de bladzyden die Vorstenschool voorafgaan, ‘onheusch’ en ‘persoonlyk.’ De beschuldiging van onheusheid jegens iemand dien men zoo-even 'n dolkstoot gaf, is zonderling. Van de ‘persoonlykheid’ waaraan ik me zou hebben te-buiten gegaan, begryp ik niets. Dat ik de Arnhemsche laag stelde als courant, of liever omdat ze maar 'n krant is - want lager dan de meeste andere bladen staat ze gewis niet - heeft, meen ik, met personen niets te maken. Een krant - sluiphol, broeinest en leerschool by-uitnemendheid van anonymiteit! - is voor lezers 'n plaag, voor Publiek 'n bederf, voor my 'n ding, voor aandeelhouders 'n zaak, voor allen - op de laatsten na - 'n noodzakelyk kwaad, voor niemand 'n persoon. [2]

Dagbladen zyn 't bezinksel, de grondstof der minst vluchtige bestanddeelen van ‘men’ en staan tot deze onreinheid nagenoeg in verhouding als duivelsdrek tot z'n geur. [3] Schilders die 't zintuig van den reuk willen voorstellen, moeten hun toevlucht nemen tot bloemen. Wie 't ongeluk had veroordeeld te zyn tot het in beeld brengen van Publiek, zou 'n krant moeten uitteekenen. [4] Met den kwaadsten wil zag ik geen kans me tegen zoo'n afschuwelyk symbool schuldig te maken aan ‘persoonlykheid.’ Zyn er wezens, mannen, personen - de heeren Wy dan! - die zoo'n ding maken en alzoo met hun allen zich uitsloven om gezamenlyk niemendal te zyn, ik ken ze niet, en kan ze dus niet persoonlyk aanvallen. ‘Ieder’ is niemand. Een krant is van dien ‘ieder’ 'n brokstuk, en dus 'n fragment niemendal, dat in rang nog ver beneden den wolk staat waarover Hamlet 'n paar meeningen opdrong aan den karaktervasten Polonius. We lezen niet dat deze beide heeren voor 't gerecht zyn gedaagd wegens ‘persoonlykheid.’ En toch, die wolk wàs iets.

Behalve de twee fouten van onheusheid en personaliteit; verwyt my de Arnhemmer myn ‘hooge ingenomenheid’ met hetgeen ikzelf voortbreng. [5]

Het doet ons slechts leed dat het zeer vereerende getuigenis omtrent den heer Douwes Dekker in die voorrede, door den heer Douwes Dekker zelven afgelegd is.

Staat het woordeke ‘slechts’ hier op z'n plaats? Meent misschien de Arnhemmer, dat slechts ikzelf 'n vereerend getuigenis afleg van m'n werk? Neen, want het wordt ook wel eens door anderen geprezen. En dit doet nu, by nader inzien, de Arnhemmer zelf.

‘Slechts’ behoort dus by ‘leed.’ Het doet den Arnhemmer slechts leed = niets dan leed. Nil nisi leed. Dit is vreeselyk!

Of doelt dat ‘slechts’ op 't woordjen: ons, dat onmiddelyk voorafgaat? Zou de bedoeling zyn: wy alleen hebben er leed van? Wy zyn de eenigen die te lyden hebben onder Multatuli's ingenomenheid met z'n eigen werk? Ook dit zou ik hard vinden. Maar is 't nu myn schuld dat alle anderen zoo verstokt ongevoelig zyn? Kan ik de arnhemsche smart wat verzachten door meetetreuren? Met genoegen. Als ik maar zeker was de bedoeling goed begrepen te hebben.

Of eindelyk, zou er moeten staan. ‘slechts dit doet ons leed, dat het zeer vereerend getuigenis... enz.? Zou de klacht beduiden dat niet ik gunstige meening behoorde te hebben over m'n werk, maar 'n ander?

Maar, Arnhemmer, als nu zoo'n ander dat werk uitmaakt voor onbeschaafd, mag ik dan niet tegenspreken? Zou ik dan den hofman moeten spelen met 'n: indeed, my prince... you are quite right... it is a whale... indeed? Gyzelf erkent nu dat er geen whale te zien was, en dat ge verkeerd deedt die fabel optedringen aan de poloniussen die u lezen. Waarop grondt zich nu de eisch dat ik òf 'n meening zou hebben aangenomen die gyzelf by nader inzien voor ongegrond verklaart, òf daarover en alzoo over de waarde van m'n werk zou gezwegen hebben? Zoudt gy zwygen als men u beschuldigde onbeschaafdheid in de hand te werken? Ik zou daarin 'n zonderling staal zien van uw begrippen over beschaafdheid. [6]

Op veel plaatsen in m'n werken meen ik over 't salondeugdje bescheidenheid genoeg gezegd te hebben, om te mogen hopen dat men my van de beoefening dezer zeer onwysgeerige fout verschoonen zal. Wie ernstig waarheid zoekt, heeft geen smaak in zulke valsche naäapsels van 't goede. En wil men 't woord verwringen tot eenigszins hoogeren zin, tot de eerlykheid namelyk, die zich niet tracht aantematigen wat haar niet toekomt, dan zyt gy onbescheiden, o Arnhemmer, zéér onbescheiden, ge zyt oneerlyk! Eerst naamt ge my af wat me toekwam. Straks zal ik aantoonen in welke omstandigheden, en met welke strekking! En nu ge genoodzaakt zyt het gestolene terugtegeven...

Het moest wel! Ik had wel eens willen zien dat ge uw oordeel over Vorstenschool durfde staande houden! [*]

...nu doet ge 't schoorvoetend, onvolledig, valsch. En in-plaats van u te schamen over uwen roof - juist uit schaamte misschien, en dan de ware niet! - tracht ge uw misdaad te bemantelen door my 'n eigenschap toetedichten, die alleen voor laakbaar kan doorgaan in de oogen der velen die niet lezen kunnen.

Gesteld echter dat de beschuldiging van ‘onbescheidenheid’ gegrond ware, gesteld dat we ons hier te regelen hadden naar de moraal van de kinderkamer, waar 't zoete Pietje nooit zichzelf 't eerst noemt, dan vraag ik of 't U voegde my te berispen over 'n fout? Welke waarde heeft 'n schuldbekentenis, wanneer ze blykbaar slechts voertuig is van nieuwe aanklacht? Dat uw amende niet honorable wezen kon voor u - we zullen zien, waarom! - was geen reden ze niet eervol te maken voor my. [**]

Helaas, ik had 'n vergelyking gereed. Maar ze past niet, omdat ze te vereerend is. Om 'n krant te kenschetsen, die maar 'n ding is, mag ik niet wyzen op den ondeugenden knaap - 'n persoon toch altyd! - die, gedwongen tot teruggave van 't gestolene, zich wreekt door dat eerst te bevuilen.

M'n Vorstenschool was ‘onbeschaafd’ hebt gy gezegd. Dit is wel niet waar, erkent ge nu, maar: ‘de schryver is onbescheiden.’ Welke nieuwe ondeugd zou my aankleven, indien ik bewees dat ook deze aanklacht valsch is? Zien zulke artikeltjesmakers niet in, dat ze vry precies gelyken op den dwazen Rechter in 't motto van den Havelaar? Ook Lothario was ‘onbescheiden’ omdat-i... nu ja, de lezer mag 't naslaan.

Ik ingenomen met m'n werk? Ik wenschte dat ge waarheid spraakt! Ik wenschte dat ik ingenomen wezen kon met al m'n arbeid! Naar de vruchten te oordeelen die ik tot-nog-toe daarvan inoogst, heb ik er waarachtig geen reden toe. Over 't algemeen kan ik slechts ingenomen zyn met m'n doel. [7] Vanhier dan ook dat het me zoo smartelyk aandoet, m'n arbeid ten-koste van dat doel te zien pryzen, gelyk de gewoonte en de taktiek is van de velen die 'n onvruchtbaar ‘mooivinden’ voorwenden om aan de konkluzien van m'n redeneeringen te ontslippen. Met behulp van zoo'n trouwelooze mooivindery is de strekking van den Havelaar - tot nog toe! - verydeld.

Het is onwaar dat ik hoog loop met m'n eigen werk. Doch wel eisch ik wat eerbied voor de offers die ik bracht, en voor m'n streven. [8]

[*] Noot van 1876. Zoo meende ik in 1873. Uit het nootjen op blz. 168 kan blyken dat de Arnhemmer zich wat te veel gehaast heeft met het intrekken van z'n beschuldiging. De redaktie van dat blad schynt niet voorzien te hebben dat er hulptroepen zouden komen opdagen. Hieruit valt te leeren dat men nooit 'n onrechtvaardige zaak moet opgeven. Het booze en domme is te aanlokkelyk, dan dat de verkondigers en voorstanders daarvan niet zouden kunnen rekenen op bondgenooten. 't Doet me nu waarlyk voor dien Arnhemmer leed dat-i te vroeg bakzeil gehaald heeft.

[**] Noot van 1874. 't Spreekt vanzelf dat ik hier 't woord honorable neem in letterlyken zin, en niet in de zeer onteerende beteekenis die daaraan volgens middeleeuwsche rechtsbegrippen gehecht werd: faire amende honorable, la torche au poing et la corde au cou.


[1] Suum cuique!

De lezer die tot hier is gekomen in mijn editie van en commentaar op de Ideen van Multatuli weet dat ik citaten niet pleeg te vertalen, o.a. omdat ik géén letterkundige ben. Maar hier moet ik wel voor goed begrip van het hele idee - en het toeval wil dat het een Latijnse invulling van het begrip rechtvaardigheid is - overigens één met 'n zekere geldigheid, maar zonder veel duidelijkheid: 'Ieder het zijne'.


[2] Een krant - sluiphol, broeinest en leerschool by-uitnemendheid van anonymiteit! - is voor lezers 'n plaag, voor Publiek 'n bederf, voor my 'n ding, voor aandeelhouders 'n zaak, voor allen - op de laatsten na - 'n noodzakelyk kwaad, voor niemand 'n persoon.

Ik weet niet waar de zegswijze 'De krant is een mijnheer' vandaan komt. Misschien was het een journalistieke reactie op het hier geciteerde.

Het is in ieder geval waar dat 'de publieke opinie' een paar eeuwen lang vooral het product van dagbladen is geweest, en dat gezegde opinie er zonder dit middel ter verspreiding van nieuws waarschijnlijk nogal anders had uitgezien, en ook waar dat dit eigenaars van en schrijvers in dagbladen vaak onevenredig veel invloed heeft gegeven, die niet correspondeert met hun talenten, maar alleen met hun positie als veelverkocht doorgever van nieuws.

En het is tenslotte waar dat de rol die de dagbladen vroeger hadden tegenwoordig, voor de meerderheid van de bevolking in ieder geval, grotendeels of geheel is overgenomen door de TV. Wat dit verandert is moeilijk te zeggen, maar wel waarin de verandering voor een belangrijk deel  bestaat: Meer oppervlakkigheid, meer sensatie, minder analyse, minder geloofwaardigheid.


[3] Dagbladen zyn 't bezinksel, de grondstof der minst vluchtige bestanddeelen van ‘men’ en staan tot deze onreinheid nagenoeg in verhouding als duivelsdrek tot z'n geur.

Wel, laat ik het zelf omschrijven conform mijn vorige noot: De voornaamste factor in en maker van publieke opinies zijn de media - en het is waar dat daar veel bedrog en misrepresentatie in te vinden is, maar ook waar dat als mensen intelligenter waren ze dan behoefte zouden hebben aan betere media.

De meerderheid is echter ongetwijfeld tevreden over de troep die ze gewoonlijk - vaak op kruishoogte - geserveerd krijgen in de media.

Voor het moment is dus de beste plaats om enigermate interessante en onafhankelijke meningen te vinden of te geven het internet.


[4] Schilders die 't zintuig van den reuk willen voorstellen, moeten hun toevlucht nemen tot bloemen. Wie 't ongeluk had veroordeeld te zyn tot het in beeld brengen van Publiek, zou 'n krant moeten uitteekenen.

De moderne mensheid verwent zichzelf met TV: 'levende beelden'. Het maakt ongetwijfeld een aanzienlijk verschil in de publieke opinie, want die is daarmee een stuk trivialer, sensationeler, en vermaaks-gerichter dan vroeger, 'omdat het volk dat wil' oftwel: omdat het best verkoopt aan de grote meerderheid.


[5] Behalve de twee fouten van onheusheid en personaliteit; verwyt my de Arnhemmer myn ‘hooge ingenomenheid’ met hetgeen ikzelf voortbreng.

Dat was vanaf het begin een gebruikelijk verwijt aan Multatuli: Zijn eigen hoogmoed over zichzelf en z'n boeken. In een schijnheilig calvinistisch land geldt zelf-respect als ondeugd, en respect voor anderen als deugd - terwijl het toch evident is dat alleen wie geen zelf-respect heeft behoefte heeft aan het respect van anderen.


[6] Zoudt gy zwygen als men u beschuldigde onbeschaafdheid in de hand te werken? Ik zou daarin 'n zonderling staal zien van uw begrippen over beschaafdheid.

Voor mij hing het af van de beschuldiger: Er zijn nogal wat mensen wier meningen ik echt niet serieus kan nemen, omdat ik ze dom of onwetend vind of omdat ik weet dat ze partijdig zijn of omdat mij bekend is dat mijn eigen ideeën en waarden teveel verschillen van de hunne.


[7] Ik ingenomen met m'n werk? Ik wenschte dat ge waarheid spraakt! Ik wenschte dat ik ingenomen wezen kon met al m'n arbeid! Naar de vruchten te oordeelen die ik tot-nog-toe daarvan inoogst, heb ik er waarachtig geen reden toe. Over 't algemeen kan ik slechts ingenomen zyn met m'n doel.

Feitelijk varieerde M.'s eigen meningen over zijn gepubliceerd werk nogal. Soms was hij er heel tevreden over, en andere keren niet, en zijn oordeel hing in ieder geval sterk samen met zijn stemming.


[8] Het is onwaar dat ik hoog loop met m'n eigen werk. Doch wel eisch ik wat eerbied voor de offers die ik bracht, en voor m'n streven.

Dit kan moeilijk serieus genomen worden door iemand die 522 in Ideen 2 las, waaruit ik het begin citeer:

Lezer, ikzelf houd my voor een der beste schryvers die ooit bestaan hebben, ja... voor den besten misschien.

Ik zeg er het e.e.a. over in mijn commentaar op dat idee, en beperk me hier alleen tot de vaststelling dat M. geheel niet consistent was waar het zijn schrijver-zijn en zijn geschriften betrof.

Idee 999.