Suum cuique!
[1] In-plaats van den niet door de Wet beschermden
Q uittemaken voor iets nog leelykers dan waartoe z'n schryven my 't
recht geeft, wil ik 'n gloeiende kool op z'n hoofd leggen. Het moet
hem 'n aangename tyding zyn, te vernemen dat-i z'n doel bereikt heeft.
Hy wilde kwaad doen, en hy hééft kwaad gedaan, groot kwaad!
En ook
de Arnhemsche Courant - het is treffend de homogeniteit
optemerken tusschen de redaktie van zoo'n blad, en de onbekende
schryver van ingezonden stukken! - ook die courant zelf heeft niet
vruchteloos 't ‘beschaafd Publiek’ tegen Vorstenschool
gewaarschuwd. Het intrekken van deze meening - we zullen zien, hoe? -
kostte haar weinig: de slag was geslagen.
Suum cuique! Die Arnhemmer heeft iets van my te-goed, en hy
zal 't hebben.
Om
oprecht te zyn, moet ik verzoeken deze uitbetaling niet toeteschryven
aan gewone eerlykheid. Ik heb daartoe andere redenen, o.a. den lust om
'n paar opmerkingen te plaatsen over Couranten in 't algemeen, en
tevens als bydragen tot de beantwoording van den Leidschen brief. Men
bedenke echter wel dat ik daarby niet elke courant in 't byzonder
bedoel. Men kan immers wel zeggen: de Nederlanders gebruiken veel
jenever, zonder daardoor elken Nederlander uittemaken voor 'n
dronkaard?
De
Arnhemmer dan noemt me naar aanleiding van 'n paar uitdrukkingen
in de bladzyden die Vorstenschool voorafgaan, ‘onheusch’ en
‘persoonlyk.’ De beschuldiging van onheusheid jegens iemand dien men
zoo-even 'n dolkstoot gaf, is zonderling. Van de ‘persoonlykheid’
waaraan ik me zou hebben te-buiten gegaan, begryp ik niets. Dat ik de
Arnhemsche laag stelde als courant, of liever omdat ze
maar 'n krant is - want lager dan de meeste andere bladen staat ze
gewis niet - heeft, meen ik, met personen niets te maken. Een
krant - sluiphol, broeinest en leerschool by-uitnemendheid van
anonymiteit! - is voor lezers 'n plaag, voor Publiek 'n bederf, voor
my 'n ding, voor aandeelhouders 'n zaak, voor allen - op de laatsten
na - 'n noodzakelyk kwaad, voor niemand 'n persoon.
[2]
Dagbladen zyn 't bezinksel, de grondstof der minst vluchtige
bestanddeelen van ‘men’ en staan tot deze onreinheid nagenoeg in
verhouding als duivelsdrek tot z'n geur. [3]
Schilders die 't zintuig van den reuk willen voorstellen, moeten hun
toevlucht nemen tot bloemen. Wie 't ongeluk had veroordeeld te zyn tot
het in beeld brengen van Publiek, zou 'n krant
moeten uitteekenen. [4] Met den kwaadsten wil zag
ik geen kans me tegen zoo'n afschuwelyk symbool schuldig te maken aan
‘persoonlykheid.’ Zyn er wezens, mannen, personen - de heeren Wy
dan! - die zoo'n ding maken en alzoo met hun allen zich uitsloven om
gezamenlyk niemendal te zyn, ik ken ze niet, en kan ze dus niet
persoonlyk aanvallen. ‘Ieder’ is niemand. Een krant is van
dien ‘ieder’ 'n brokstuk, en dus 'n fragment niemendal, dat in rang
nog ver beneden den wolk staat waarover
Hamlet 'n paar meeningen opdrong aan
den karaktervasten Polonius.
We lezen niet dat deze beide heeren voor 't gerecht zyn gedaagd wegens
‘persoonlykheid.’ En toch, die wolk wàs iets.
Behalve de twee fouten van onheusheid en personaliteit; verwyt my de
Arnhemmer myn ‘hooge ingenomenheid’ met hetgeen ikzelf
voortbreng. [5]
‘Het
doet ons slechts leed dat het zeer vereerende getuigenis omtrent den
heer Douwes Dekker
in die voorrede, door den heer Douwes Dekker
zelven afgelegd is.
Staat
het woordeke ‘slechts’ hier op z'n plaats? Meent misschien de
Arnhemmer, dat slechts ikzelf 'n vereerend getuigenis afleg
van m'n werk? Neen, want het wordt ook wel eens door anderen geprezen.
En dit doet nu, by nader inzien, de Arnhemmer zelf.
‘Slechts’ behoort dus by ‘leed.’ Het doet den Arnhemmer slechts
leed = niets dan leed. Nil nisi leed. Dit is vreeselyk!
Of
doelt dat ‘slechts’ op 't woordjen: ons, dat onmiddelyk
voorafgaat? Zou de bedoeling zyn: wy alleen hebben er leed van?
Wy zyn de eenigen die te lyden hebben onder
Multatuli's ingenomenheid met z'n
eigen werk? Ook dit zou ik hard vinden. Maar is 't nu myn schuld dat
alle anderen zoo verstokt ongevoelig zyn? Kan ik de arnhemsche smart
wat verzachten door meetetreuren? Met genoegen. Als ik maar zeker was
de bedoeling goed begrepen te hebben.
Of
eindelyk, zou er moeten staan. ‘slechts dit doet ons leed, dat
het zeer vereerend getuigenis... enz.? Zou de klacht beduiden dat niet
ik gunstige meening behoorde te hebben over m'n werk, maar 'n
ander?
Maar,
Arnhemmer, als nu zoo'n ander dat werk uitmaakt voor
onbeschaafd, mag ik dan niet tegenspreken? Zou ik dan den hofman
moeten spelen met 'n: indeed, my prince... you are quite right...
it is a whale... indeed? Gyzelf erkent nu dat er geen whale
te zien was, en dat ge verkeerd deedt die fabel optedringen aan de
poloniussen die u lezen. Waarop grondt zich nu de eisch dat ik òf 'n
meening zou hebben aangenomen die gyzelf by nader inzien voor
ongegrond verklaart, òf daarover en alzoo over de waarde van m'n
werk zou gezwegen hebben? Zoudt gy zwygen als men u
beschuldigde onbeschaafdheid in de hand te werken? Ik zou daarin 'n
zonderling staal zien van uw begrippen over beschaafdheid.
[6]
Op veel plaatsen in
m'n werken meen ik over 't salondeugdje bescheidenheid genoeg
gezegd te hebben, om te mogen hopen dat men my van de beoefening dezer
zeer onwysgeerige fout verschoonen zal. Wie ernstig waarheid zoekt,
heeft geen smaak in zulke valsche naäapsels van 't goede. En wil men
't woord verwringen tot eenigszins hoogeren zin, tot de eerlykheid
namelyk, die zich niet tracht aantematigen wat haar niet toekomt, dan
zyt gy onbescheiden, o Arnhemmer, zéér onbescheiden, ge
zyt oneerlyk! Eerst naamt ge my af wat me toekwam. Straks zal ik
aantoonen in welke omstandigheden, en met welke strekking! En nu ge
genoodzaakt zyt het gestolene terugtegeven...
Het moest wel! Ik had wel eens willen zien dat ge uw oordeel over
Vorstenschool durfde staande houden! [*]
...nu
doet ge 't schoorvoetend, onvolledig, valsch. En in-plaats van u te
schamen over uwen roof - juist uit schaamte misschien, en dan
de ware niet! - tracht ge uw misdaad te bemantelen door my
'n eigenschap toetedichten, die alleen voor laakbaar kan doorgaan in
de oogen der velen die niet lezen kunnen.
Gesteld echter dat de beschuldiging van ‘onbescheidenheid’ gegrond
ware, gesteld dat we ons hier te regelen hadden naar de moraal van de
kinderkamer, waar 't zoete Pietje nooit zichzelf 't eerst noemt, dan
vraag ik of 't U voegde my te berispen over 'n fout? Welke
waarde heeft 'n schuldbekentenis, wanneer ze blykbaar slechts voertuig
is van nieuwe aanklacht? Dat uw amende niet honorable
wezen kon voor u - we zullen zien, waarom! - was geen reden ze niet
eervol te maken voor my. [**]
Helaas, ik had 'n
vergelyking gereed. Maar ze past niet, omdat ze te vereerend is. Om 'n
krant te kenschetsen, die maar 'n ding is, mag ik niet wyzen op den
ondeugenden knaap - 'n persoon toch altyd! - die, gedwongen tot
teruggave van 't gestolene, zich wreekt door dat eerst te bevuilen.
M'n
Vorstenschool was ‘onbeschaafd’ hebt gy gezegd. Dit is wel niet
waar, erkent ge nu, maar: ‘de schryver is onbescheiden.’ Welke nieuwe
ondeugd zou my aankleven, indien ik bewees dat ook deze aanklacht
valsch is? Zien zulke artikeltjesmakers niet in, dat ze vry precies
gelyken op den dwazen Rechter in 't motto van den Havelaar? Ook
Lothario was
‘onbescheiden’ omdat-i... nu ja, de lezer mag 't naslaan.
Ik
ingenomen met m'n werk? Ik wenschte dat ge waarheid spraakt! Ik
wenschte dat ik ingenomen wezen kon met al m'n arbeid! Naar de
vruchten te oordeelen die ik tot-nog-toe daarvan inoogst, heb ik er
waarachtig geen reden toe. Over 't algemeen kan ik slechts ingenomen
zyn met m'n doel. [7] Vanhier dan ook dat
het me zoo smartelyk aandoet, m'n arbeid ten-koste van dat doel
te zien pryzen, gelyk de gewoonte en de taktiek is van de velen die 'n
onvruchtbaar ‘mooivinden’ voorwenden om aan de konkluzien van m'n
redeneeringen te ontslippen. Met behulp van zoo'n trouwelooze
mooivindery is de strekking van den Havelaar - tot nog toe! -
verydeld.
Het is
onwaar dat ik hoog loop met m'n eigen werk. Doch wel eisch ik
wat eerbied voor de offers die ik bracht, en voor m'n streven.
[8]
[*] Noot van 1876. Zoo
meende ik in 1873. Uit het nootjen op blz. 168 kan blyken dat de
Arnhemmer zich wat te veel gehaast heeft met het intrekken van
z'n beschuldiging. De redaktie van dat blad schynt niet voorzien te
hebben dat er hulptroepen zouden komen opdagen. Hieruit valt te
leeren dat men nooit 'n onrechtvaardige zaak moet opgeven. Het booze
en domme is te aanlokkelyk, dan dat de verkondigers en voorstanders
daarvan niet zouden kunnen rekenen op bondgenooten. 't Doet me nu
waarlyk voor dien Arnhemmer leed dat-i te vroeg bakzeil
gehaald heeft.
[**] Noot van 1874. 't
Spreekt vanzelf dat ik hier 't woord honorable neem in
letterlyken zin, en niet in de zeer onteerende beteekenis die
daaraan volgens middeleeuwsche rechtsbegrippen gehecht werd:
faire amende honorable, la torche au poing et la corde au cou.
[1]
Suum cuique!
De lezer die tot hier is gekomen in
mijn editie van en commentaar op de Ideen van Multatuli weet dat ik
citaten niet pleeg te vertalen, o.a. omdat ik géén letterkundige ben.
Maar hier moet ik wel voor goed begrip van het hele idee - en het
toeval wil dat het een Latijnse invulling van het begrip
rechtvaardigheid is - overigens één met 'n zekere geldigheid, maar
zonder veel duidelijkheid: 'Ieder het zijne'.
[2]
Een krant - sluiphol,
broeinest en leerschool by-uitnemendheid van anonymiteit! - is voor
lezers 'n plaag, voor Publiek 'n bederf, voor my 'n ding, voor
aandeelhouders 'n zaak, voor allen - op de laatsten na - 'n
noodzakelyk kwaad, voor niemand 'n persoon.
Ik weet niet waar de zegswijze 'De
krant is een mijnheer' vandaan komt. Misschien was het een
journalistieke reactie op het hier geciteerde.
Het is in ieder geval waar dat 'de
publieke opinie' een paar eeuwen lang vooral het product van dagbladen
is geweest, en dat gezegde opinie er zonder dit middel ter verspreiding van nieuws
waarschijnlijk nogal anders had uitgezien, en ook waar dat dit
eigenaars van en schrijvers in dagbladen vaak onevenredig veel invloed
heeft gegeven, die niet correspondeert met hun talenten, maar alleen
met hun positie als veelverkocht doorgever van nieuws.
En het is tenslotte waar dat de rol
die de dagbladen vroeger hadden tegenwoordig, voor de meerderheid van
de bevolking in ieder geval, grotendeels of geheel is overgenomen door
de TV. Wat dit verandert is moeilijk te zeggen, maar wel waarin de
verandering voor een belangrijk deel bestaat: Meer
oppervlakkigheid, meer sensatie, minder analyse, minder
geloofwaardigheid.
[3]
Dagbladen zyn 't
bezinksel, de grondstof der minst vluchtige bestanddeelen van ‘men’ en
staan tot deze onreinheid nagenoeg in verhouding als duivelsdrek tot
z'n geur.
Wel, laat ik het zelf omschrijven
conform mijn vorige noot: De voornaamste factor in en maker van
publieke opinies zijn de media - en het is waar dat daar veel bedrog
en misrepresentatie in te vinden is, maar ook waar dat als mensen
intelligenter waren ze dan behoefte zouden hebben aan betere media.
De meerderheid is echter ongetwijfeld
tevreden over de troep die ze gewoonlijk - vaak op kruishoogte -
geserveerd krijgen in de media.
Voor het moment is dus de beste
plaats om enigermate interessante en onafhankelijke meningen te vinden
of te geven het internet.
[4]
Schilders die 't zintuig
van den reuk willen voorstellen, moeten hun toevlucht nemen tot
bloemen. Wie 't ongeluk had veroordeeld te zyn tot het in beeld
brengen van Publiek, zou 'n krant moeten
uitteekenen.
De moderne mensheid verwent zichzelf
met TV: 'levende beelden'. Het maakt ongetwijfeld een aanzienlijk
verschil in de publieke opinie, want die is daarmee een stuk
trivialer, sensationeler, en vermaaks-gerichter dan vroeger, 'omdat
het volk dat wil' oftwel: omdat het best verkoopt aan de grote meerderheid.
[5]
Behalve de twee fouten
van onheusheid en personaliteit; verwyt my de Arnhemmer myn
‘hooge ingenomenheid’ met hetgeen ikzelf voortbreng.
Dat was vanaf het begin een
gebruikelijk verwijt aan Multatuli: Zijn eigen
hoogmoed over zichzelf
en z'n boeken. In een schijnheilig calvinistisch land geldt
zelf-respect als ondeugd, en respect voor anderen als deugd - terwijl
het toch evident is dat alleen wie geen zelf-respect heeft behoefte
heeft aan het respect van anderen.
[6]
Zoudt gy zwygen
als men u beschuldigde onbeschaafdheid in de hand te werken? Ik zou
daarin 'n zonderling staal zien van uw begrippen over beschaafdheid.
Voor mij hing het af van de
beschuldiger: Er zijn nogal wat mensen wier meningen ik echt niet
serieus kan nemen, omdat ik ze dom of onwetend vind of omdat ik weet
dat ze partijdig zijn of omdat mij bekend is dat mijn eigen ideeën en
waarden teveel verschillen van de hunne.
[7]
Ik ingenomen met
m'n werk? Ik wenschte dat ge waarheid spraakt! Ik wenschte dat ik
ingenomen wezen kon met al m'n arbeid! Naar de vruchten te oordeelen
die ik tot-nog-toe daarvan inoogst, heb ik er waarachtig geen reden
toe. Over 't algemeen kan ik slechts ingenomen zyn met m'n doel.
Feitelijk varieerde M.'s eigen
meningen over zijn gepubliceerd werk nogal. Soms was hij er heel
tevreden over, en andere keren niet, en zijn oordeel hing in ieder geval sterk
samen met zijn stemming.
[8]
Het is onwaar dat
ik hoog loop met m'n eigen werk. Doch wel eisch ik wat eerbied voor de
offers die ik bracht, en voor m'n streven.
Dit kan moeilijk serieus genomen
worden door iemand die 522 in
Ideen 2 las, waaruit ik het begin
citeer:
Lezer, ikzelf houd my
voor een der beste schryvers die ooit bestaan hebben, ja... voor den
besten misschien.
Ik zeg er het e.e.a. over in mijn
commentaar op dat idee, en beperk me hier alleen tot de vaststelling
dat M. geheel niet consistent was waar het zijn schrijver-zijn en zijn
geschriften betrof.