Idee 996.                                                


Waarschynlyk verrichtte Scholten, die de zachtaardigheid zelf was, zulke exekutien niet voor z'n genoegen. Het is te hopen dat deze ontmoeting hem niet, door 't bederven van z'n stemming, ongeschikt hebbe gemaakt voor 't ambt dat-i zoo liefdevol waarnam voor wie er van gediend waren. Want... zoo-iets gebeurt soms! En dit is niet een der minst treurige gevolgen van zulke kwajongensstreken. Mannen van rang behooren zich te wapenen tegen dien - begrypelyken! - invloed van onhebbelyke bejegening. Ik zal m'n best doen. 

Ik ontvang daar 'n overdrukjen uit de ‘Vox Studiosorum’ 'n studenten-tydschrift te Leiden. Het is een aan my gerichte brief. [1] Zonder me in 't minst te verbinden tot antwoorden op al dergelyke aanvallen - 'n aanval is het? - acht ik 't nuttig, dat stuk hier te behandelen. Hiertoe bestaan vele redenen, waaronder ook deze, dat de schryver van dien brief my - tot z'n groote verwondering misschien - aanleiding geeft, straks nog-eens terugtekomen op zeker soort van ‘staatkunde’ dat ik wou begraven zien. Nummer 985 is nog altyd niet afgehandeld.

Maar 't stuk van den heer D. Post begraaf ik niet. Integendeel. Om de opmerkingen begrypelyk te maken, die 't my in de pen geeft - ze zullen meer 'n kleine studie wezen, iets als 'n essay, dan wel 'n eigenlyk gezegde beantwoording - ben ik genoodzaakt het in z'n geheel overtenemen. Hier is het:

AAN MULTATULI.
 
Meester! sta mij toe u iets te zeggen. Lang genoeg reeds was ik uw leerling om dat voorrecht van u te mogen erlangen. [2]

Gij kent mij niet. Ik ben student en ‘modern’ theoloog. Kent gij mij nu?
Moet ik uw antwoord lezen aan het slot van ‘Vrye arbeid’ waar ge zegt:
 
Op, jongelieden, die nog uw hart voelt kloppen voor het goede.
Op... op... gy die nog niet hebt verleerd te gloeien van verontwaardiging by 't aanzien van het booze!
 
of in
938. [*]
 
het geknoei dier modernen is schelmery?
 
Ik ken u uit uwe werken. Gij hebt veel geleden: gij zijt Multatuli. U is onrecht aangedaan; gij hebt uwe tegenstanders te vergeefs aangeklaagd, uwe zaak vruchteloos bepleit: gij zijt Max Havelaar. [3] Gij hebt onderdrukten gesteund en geholpen: gij zijt Eduard Douwes Dekker.
Drievoudige reden om mij tot u getrokken te gevoelen. Ik bemin en acht u, ik beklaag en bewonder u. Geen vaster bodem voor vriendschap dan zulk een.
Gij tracht de waarheid te helpen op haar moeielijken tocht, baan te breken voor haar zegewagen, en zijt voor Nederland banierdrager. Gij moogt wie achter u gaan aanprikkelen door spot, hen straffen, met sarcasme, maar niet hen beleedigen. Dat is verkeerd en onbillijk, en - dat hebt gij gedaan! [4]
 
Tot het publiek dat gij met groote innigheid veracht, (Inleiding Minnebr.) reken ik mij zelf niet; maar ik behoor tot het Nederlandsche volk. Gij tast de Nederlandsche natie aan in wat haar 't dierbaarst is; in haar beschuldigt ge ook mij van luiheid en valschheid [**] (
963)
Het Nederlandsche volk kent u niet, kent uwe werken niet, spreekt van Java slechts als van ‘de Oost,’ en van de Javanen volstrekt niet.
Geheel onschuldig staan daar duizenden, allen menschen, menschen even als gij, en onder hen honderde braven, die uw zaak niet kennen. Gij spuwt hen allen in 't gezicht, steekt hen naar 't hart met woorden, die treffen moesten als bliksemschichten, als ze hen konden bereiken. Millioenen: mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen - gij klaagt hen allen aan van luiheid en valschheid - Dat is lasteren. [5]
Dat is in miniatuur het bulderen van den ontevreden dwaas, die in tegenspoed de wereld beschuldigt en vervloekt, alsof Japanners en Chinezen meegewerkt hadden tot zijn ongeluk.
Gij verwijt aan Nederland wat hare regeering doet, en rekent uit dat die regeering Nederland niet is. (
119 - 121.)
Uwe beschuldiging is onbillijk en valsch. [6]
 
Scheldwoorden werpt gij naar het hoofd der moderne predikanten: gij noemt hen hansworsten, huichelaars, schelmen en erger nog. (
938, 940, 942.)
Toen Theodoor Hook, Engelsch wiskundige, bij 't koopen van visch door de verkoopster met eene bui van allerzonderlingste en nietswaardige scheldwoorden overladen werd, nam hij de gelegenheid waar, dat zij adem schepte, om zijne tegenpartij met gelijke wapenen te bestrijden. Een stroom van vreemdklinkende wiskunstige termen (in Engeland met de Grieksche namen gebruikelijk), van quadraat en trapezium tot parallelopipedum, vloeide van zijne lippen. Na herhaalden aanval volgde op nieuw eene dergelijke, nog krassere verwering, totdat de terminologie was uitgeput. Tranen van spijt biggelden langs het vrouwelijk gelaat, en een rog vloog Mr. Hook langs de ooren.
Toch was de vrouw werkelijk geen gelijkbeenige driehoek, maar zij vreesde kwade bedoeling.
Ik schrik niet voor uwe forsche woorden, Multatuli, maar de miskenning, die daar achter schuilt, is onbillijk.
Mij komen geen tranen van spijt in de oogen, maar mij gloeien de wangen van verontwaardiging, als ik brave mannen door u hoor belasteren.
Er zullen wel slechtaards zin onder de moderne predikanten: zij zijn menschen! [7] Er zijn ook schrijvers die slecht en eerloos zijn: mag ik u met hen gelijkstellen?
Gij kent niet alle predikanten, evenmin als gij alle Nederlanders kent. Zij zijn niet allen dom, lui en valsch, niet allen hansworsten, huichelaars, schelmen, Japansche-theehuis-bezoekers.
Gij spreekt leugen en laster. [8]

 ‘Niemand bestreed my. Waarom niet?
 Niemand durfde.
 Niemand antwoordde. Waarom niet?
 Niemand durfde.
 Niemand vertoonde zich.
 Men durfde niet.’ (963.)

Ik spreek u tegen, en honderden met mij durven dat; maar eene openbaarheid als van uwe beleedigingen, eischt openbare logenstraf, geen onderhands schrijven.
Wie zal het drukloon betalen?
Vind ik mogelijkheid om openlijk, in uw strijdperk: het licht (Vrye Arbeid) u te weerstaan, dan wil en durf en zal ik mij verweren. Uw zwaard is het woord en gij zijt een man om het te dragen, ‘un terrible orateur’ (Id. IIb. p. 149), ‘avec une éloquence toute de flamme’ (p. 148): tegenover u staat een jongen, een stamelaar, nog niet door leed tot spreken gedrongen, die nog slechts tegenspreken - maar in dien strijd vertrouwend op zijn schild even als 't uwe: de waarheid. [9] (Vrye Arbeid, p. 103.)
 
Op uwe beschuldiging der Nederlandsche natie kom ik niet terug: ik heb geen volmacht om uit aller naam, uit naam van duizenden bij duizenden te protesteeren tegen uwe meening dat wij zwijgen uit vrees voor één man (
533, slot), voor een man die waarheid zoekt en recht eischt. Wij zijn gebonden en kùnnen u niet bijstaan. Onedel is het van u, den gebondene daarom te kwetsen. Wilt gij nog 16 jaren wachten op recht? Ga! slinger klewang-wettende krijgszangen in de gemoederen van de martelaren, wien gij hulpe hebt toegezegd, gij Multatuli! (Max Havelaar, slot.)
Sterker dan uwe beschuldiging des volks treft mij uwe geeseling der moderne predikanten. Eenmaal hoop ik één hunner te zijn. Maar als gij mij eene type voorhoudt als in
938, 940 en 942, dan zou mij de moed ontzinken; mijn levensdoel zou ik moeten opgeven. Moet ik dan geëmployeerde worden aan een departement van bestuur, of kruidenier, om braaf te kunnen zijn? Of wel schoenpoetser in uwe dienst? Dan zou ik mij ten minste nog kunnen compromitteeren. (942) Mag ik niet onderwijzer, leeraar, prediker worden als ik eerlijk man wil blijven?
Man van groote gaven en ruimen blik, gij zijt in deze quaestie eenzijdig: willens en wetens werpt gij een smet op vele brave menschen; gij hebt hier de waarheid niet gesproken.
 
Misschien zyn er onder demodernen” - wat 'n woord! - die ter goeder trouw hun weg gaan, in de meening dat die weg leidt tot waarheid.’ (Id. IIa, p. 156.)
 
Uwe onjuiste meening omtrent de leer der modernen, Multatuli, (
938, blz. 127, midden.) rechtvaardigt uwe onzekerheid! Tegenover uw ‘misschien’ evenwel stel ik ‘zeker.’ Zeer zeker stellen de ‘modernen’ - arme Nederlandsche taal! [modernen zijn als gij, Multatuli, waarheid zoekenden: - maar ook ‘streven naar waarheid, is waarheid.’ (Id.IIa, p. 156)] ..... zeer zeker stellen de modernen moraal Niet tegenover godsdienst. (938, blz. 127.)
Moraal is: de menschheid te dienen.
Godsdienst is: God te dienen. [10]
Wie kinderen, menschen, dieren of vruchten braadt voor zijn God, dient hem.
Wie braaf, eerlijk, mild, orthodox of heterodox zijn voor hun God, dienen hem.
Die goddienerij uit vrees of loonzucht hebt gij recht te hekelen.
Ik heet modern, omdat ik God niet stel buiten de menschheid; omdat ik de menschheid dienen wil en hierin mijn godsdienst vind; omdat mijn godsdienst moraal, mijn moraal godsdienst is. [11]
Mijn leer zal zijn: leven. Mijn doel is: van anderen te leeren leven, en die groote kunst op mijne beurt aan anderen te leeren. Dat program wordt mij door mijne leeraars voorgehouden als gids in 's levens doolhof.
Zijn er onder de modernen valsche broeders, huichelaars of lasteraars, dat geeft u geen recht de moderne predikanten in 't aangezicht te slaan. [12]
Ik zoek en acht den man, den vriend, die mij mijne zwakheden en feilen toont. Is hij sterker en beter, dan wacht ik van hèm bij die terechtwijzing hulp en raad; maar een ervaren strijder heeft geen recht recruten te kwetsen en te beleedigen. Zijt gij vrij van gebreken?
Al had de letterkundige (
942) u nog gevoeliger getroffen, 't zou u geen recht geven anderen daarvoor met slijk te werpen. Gij toont uw overmacht door een gemeen sarcasme, zóó liederlijk, dat het ‘liederlijke ventje’ niet in uw schaduw kan staan. Moet een dame, Multatuli! verantwoordelijk zijn voor haren bloedverwant? Moet de onschuldige boeten voor man, broer, neef of vader?? Welk meisje, man van 52 jaar! zal u komen smeeken om de eer van wat oneer???
Zijt gij Multatuli? Ja, gij zijt die, Gij zoudt niet groot zijn, als ge klein waart in uwe verkeerdheden; gij zoudt beneden den liederlijken lasteraar staan als ge niet liederlijker waart dan hij.
Daardoor geeft ge mij volstrekt het recht niet, u telkens weer te komen vertellen: Multatuli, ge doet verkeerd! Groote man, gij zijt gemeen!’
 
Zijn ook de moderne leeraars gebonden aan den bijbel, zij doen niet anders dan gij, Multatuli! Zij kiezen ware en schoone teksten uit dat oude boek (al houden zij het evenmin als gij voor heilig), en houden eene preek over die woorden. (Vrye Arbeid.) Bindt men hen vóór den strijd ééne hand op den rug, dan blijft hen nog een tweede over om te strijden voor de waarheid met de hun verleende krachten.
Zoo hoop ik zelf eenmaal te doen.
Ook mijn motto zal zijn: ‘een zaaier ging uit om te zaaien.
Gij zaaier! wilt het onrijpe graan dorschen en klopt er wat te harder om. Het onkruid wilt gij uitroeien, en gij rukt de jonge vrucht te gelijk uit de aarde.
De toekomst behoort u, zaaier! Niet het heden. Wederkeerig behoort gij aan de toekomst: het heden kent wie de zijnen zijn,maar miskent ze niet. Wij luisteren wel naar de waarheid (Vrye Arbeid) al bemerkt gij ons luisteren niet.
Gij, Meester! grijpt met beide handen in het kwade en ziet het goede niet. Ik wensch vurig kracht te zullen vinden, het goede te kweeken waar het zich toont, ook al is het weinig, tot het machtig zal zijn zèlf den drang van het kwade te weerstaan. Is dat verkeerd? Bedriegt Fancy mij? (zij kent mij even goed als u.) Is het dweepen te pogen het goede te steunen, de rede te ontwikkelen tot een bolwerk tegen het kwade?

                ‘Is 't dweepen,
 Wanneer ik wil, dat allen die als gy,
 En ik geschapen zyn, die zich als wy
 Bewegen, aadmen, minnen, en als wy
 Hun blikken richten op onsterflykheid...
 Is 't dweepen, meester, als ik wil dat zy
 Niet lager staan dan 't stomme dier des velds,
 Dan 't redelooze vee?’

Toon ons de verkeerdheden, Meester! met bijtende spot of met vlijmend sarcasme - maar belaster, beleedig, bespuw niet wie niet sterk genoeg zijn om de gebonden hand los te wringen. Ontken het goede niet!
 
Geen beter leer dan een goed leven. [12] Vertel ons uw leven, gij die veel gedragen hebt! dan roert gij de rechte snaar aan. Wij, uwe jongeren, wij luisteren: wij beminnen u en willen u volgen.
 
Na Lebak zwierf ik, wachtende op recht, jaren lang als 'n misdadiger rond, dervend, hongerend, zonder dak soms, maar altyd onzeker of ik den volgenden dag 'n dak hebben zou. Gedurende dien tyd - ikzelf ben verbaasd over de mogelykheid - arbeidde ik. Dit mogen myn werken getuigen. Ik bracht wel niet zooveel voort, als in andere omstandigheden het geval zou geweest zyn, maar toch: ik werkte! Ik trachtte nuttig te zyn waar ik kon, zooveel ik kon.’ (
941, blz. 143.)
 
Twijfel er niet aan, Multatuli, voor velen zullen die woorden het motto huns levens zijn. Bulwer stelt in zijn roman ‘Night and morning’ tot levensmotto: ‘Time - Faith - Energy.’

De Amerikanen geven hun: ‘go ahead, never mind, help yourself.’ Die woorden zijn dood, de uwe leven.
 
Al moest ik een leven ingaan als het uwe, vol van rechtsweigering en miskenning, dan zal uw voorbeeld mij steunen. En niet mij alleen, maar velen. [13]

Maar noem ons hansworsten, huichelaars, schelmen: we zwijgen - maar niet uit vrees! Wij zullen blijven werken, en de toekomst zal oordeelen en uw oordeel wraken.
 
Leiden, November 1872.
 
D. POST.

Ik begin met de opmerking dat ook in dit stuk de verhouding uit het oog verloren is, tusschen den rang dien de schryver me toekent, en den toon waarop-i my bestraft. [14] Toch doet het me genoegen dat hy in deze fout verviel, omdat ze my de gelegenheid aanbiedt haar oogenblikkelyk te vergeven. Als aanleiding tot het leveren van 'n tegenstelling met het ‘marsch!’ waarmee ik m'n vorig nummer sloot, is de vergissing van den heer Post me zeer kostbaar. Ze wettigt m'n ontevredenheid over dien ander.

De heer Post spreekt me ruw toe, en meent dit te moeten doen om-den-wille van de zaak die hy - naar myn inzien ten-onrechte, doch dit blyke straks - verdedigt. Hy doet dit openlyk, zich blootstellende aan de scherpte van m'n antwoord. Al draagt-i nog geen kennis van den kindermoord dien ik beging in 992, hy geeft blyk te weten wat hem zou te wachten staan indien ik z'n opmerkingen onheusch opnam. Liever nog hoop ik dat hy zich overtuigd hield dat ik ze, in-weerwil van z'n toon, niet onheusch opnemen zou.

Hy zendt me z'n brief toe. Loyaler kan het niet. [15]

Dezelfde loyauteit blykt dan ook uit het door hem uitdrukkelyk gekozen standpunt van ‘leerling.’ Zie daarin volstrekt geen ‘bescheidenheid’ lezer. 't Is iets beters. Het is hoogmoed. (108, 220, 246, en elders.) De heer Post durft zich beroepen op z'n achtenswaardige begeerte om iets te leeren. In dezen zin verzoek ik om de eer der inlyving onder z'n commilitonen. Volstrekt niet in-stryd met deze betuiging neem ik, in de byzondere verhouding die er door z'n schryven tusschen ons ontstaan is, den titel van ‘meester’ dien-i me geeft, van-harte aan. [16] En gy, lezer, zie ook hierin geenszins het tegendeel van wat u ‘bescheiden’ voorkwam in den jongeling. Ook ik ben hoogmoedig: de ad hoc aangenomen titel is onereus. Het zoo gemakkelyk afwyzen - zekere uitdrukkingen in den brief zouden me hiertoe 'n voorwendsel kunnen leveren, en misschien volgens sommigen 't recht - dat afwyzen zou gelyk staan met een - dan juist in òngunstigen zin: meesterachtig - fin de non recevoir.

M'n berusten in de door den heer Post afgebakende verhouding, verbindt me tot ernstige waarheidlievende behandeling van de bedenkingen die de ‘leerling’ voorbrengt. My verzettende tegen 't verder uitstrekken der gelykheid dan stipt noodig is, moet ik betuigen dat z'n oproeping my in de ooren klinkt als 'n plechtig: ‘Rabbi, hoe is dit?’ En ik meen de stem te herkennen van den vurigen driftigen specifiek-menschlyken Petrus, den eenigen discipel wiens fouten de moeite van 't opschryven schynen verdiend te hebben, den eenigen van wiens karakter iets blykt.

Post gaat verder dan deze. De Malchen sparend, hakt-i myzelf naar de ooren. Toch, en juist hierom, geloof ik dat er op hem iets degelyks zal kunnen gebouwd worden. Wie den gedachtenloop die my tot deze slotsom voert, volgen wil, vergelyke deze verwachting met m'n oordeel over zeker soort van ‘mooivinders.’ Wie op dezùlken iets bouwen wilde! [17]

En andere verschillen! Is 't nog noodig, het onderscheid te ontwikkelen tusschen de bruske wys waarop de ‘leerling’ rekenschap vraagt, omdat zyn zoeken naar waarheid hem hier toe dringt, en 't ‘staatkundig’ streven van dien onbekenden: Wy, in den nieuw-rotterdammer? Post zegt: ‘generaal, of je boos wordt of niet, ik zeg u: je doet verkeerd! Die kunstbeschouwer evenwel, houdt zich alsof-i meende de plunje van 'n flankeur te inspekteeren, en niet dan by domme vergissing spreekt-i van de epauletten. Post scheldt my uit, of nagenoeg. Hy schynt er op te rekenen dat ik raad weet met afgehouwen ooren. De ander nadert me vriendelyk, en tracht me ongemerkt 'n narrekap optezetten. Hy is zelfs wel zoo goed een-en-ander van me te pryzen - in dingen van zeer ondergeschikt belang, natuurlyk! - om met 'n ricochet-schot m'n ‘staatkunde’ te treffen, die zyn heeren en meesters in den weg staat. De een is ruw uit bestwil... de ander tracht me zooveel mogelyk te benadeelen met 'n bestudeerd vertoon van gematigdheid. Bovendien, de een heeft 'n naam. Hy stelt zich vierkant voor m'n geweer, loopt gevaar 'n gek figuur te maken in z'n kring - godbewaarme, brave kerel! - de ander is 'n ontastbaar brok: men, dat des-verkiezende handenwryvend kan meepraten over de ‘flinke oorvegen die Multatuli uitdeelde aan prins Denderah, en... aan dien kunstbeschouwer in den nieuw-rotterdammer. De een is loyaal antagonist, opponent, partner en dus malgrê tout 'n vriend... de ander 'n aspirant-bravo. De een is leerling-wysgeer... de ander dilettant q.q. in 't sluipmoorden.

En dit is nòg niet alles. De eerlyke waarheidzoeker die mij ‘meester’ noemt, laadt onmisbaar den toorn van dezulken op zich, die in geheel anderen zin z'n meesters zyn, van hen namelyk, die me liever geïgnoreerd zagen... [18]

De òneerlyke aanvaller wordt door zyn meesters beloond!

't Is waar dat de heer Fransen van de Putte goedgunstig toestaat dat ik me nog eenigen tyd in 't leven houd door het leveren van vertellinkjes. Hy is wel zoo vriendelyk van te laten verzekeren dat ze ‘geestig zyn, en onderhoudend... o, dol!’ Maar ik moet hèm in 't bezit laten van z'n invloed op de publieke zaak, en wie hem in dit doel te-hulp komt, is... 'n kunstbeschouwer die z'n loon waard is.

De leidsche student spreekt niet eens over schryvery als zoodanig. Hy erkent dat ik waarheid zoek, en tegensprekend plaatst-i zich aan m'n zy, om 'n deel van m'n taak op zich te nemen.

Toch is ook hier alweer alles in alles! In-weerwil van deze verschillen namelyk, bestaat er tusschen den vereerenden aanval van den heer Post, en den smorenden lof van... dat andere ding, 'n eigenaardig punt van overeenkomst, waarvan ik de aantooning voor 't slot bewaar. Zou de lezer kunnen gissen wat ik bedoel? Iets van Staatkunde? Wie weet!

[*] Noot van 1874. Ik breng de aanhalingen van den heer Post in de nieuwe nummering over. Bladzyden zoeke men in laatste uitgaven.

[**] In verband met het voorgaande is publiek hier identiek met gansch Nederland.
(Noot van den heer Post.)


[1] Ik ontvang daar 'n overdrukjen uit de ‘Vox Studiosorum’ 'n studenten-tydschrift te Leiden. Het is een aan my gerichte brief.

We zijn aangeland bij een brief van een theologie-student, David Post geheten, die leefde van 1844-1925, en buiten de in dit idee geciteerde brief door niets bekend is geworden.

M. was nogal gevleid door de brief, maar mij staat het ding tegen, omdat het me voorkomt weinig anders te zijn dan een moderne preek gericht aan Multatuli, met een kennelijk weinig ander doel dan Post enige opgang te verschaffen in eigen kring, namelijk als een persoon die Multatuli durfde tegen te spreken en de moderne predikanten te verdedigen.


[2] Meester! sta mij toe u iets te zeggen. Lang genoeg reeds was ik uw leerling om dat voorrecht van u te mogen erlangen.

M. hield wel van dit soort proza, waarin hij als 'Meester' werd betiteld. Mij staat het tegen, al is het waar: 't is gevlei.


[3] Ik ken u uit uwe werken. Gij hebt veel geleden: gij zijt Multatuli. U is onrecht aangedaan; gij hebt uwe tegenstanders te vergeefs aangeklaagd, uwe zaak vruchteloos bepleit: gij zijt Max Havelaar.

Enigszins terzijde, zij het niet voor mijn persoon, die mijn gehele commentaar op de Ideen geschreven heeft in diepe armoede en met weinig energie en gewoonlijk pijn: Ik kan iets dergelijks over mijzelf zeggen, namelijk dat ik veel geleden heb, dat mij onrecht is aangedaan, dat ik mijn tegenstanders tevergeefs heb aangeklaagd en mijn zaak vruchteloos heb bepleit, en dat ik schrijf als Maarten Maartensz. Zie ME in Amsterdam.


[4] Gij moogt wie achter u gaan aanprikkelen door spot, hen straffen, met sarcasme, maar niet hen beleedigen. Dat is verkeerd en onbillijk, en - dat hebt gij gedaan!

Maar waarom het eerste wel en het laatste niet? En is het dan niet zo dat beledigd worden vooral een kwestie van smaak en opvatting is, in vrijwel alle gevallen?

Hoe het zij - hier en in de héle brief is het Post kennelijk vooral om een ronkende, prekende, imponerende toonzetting te doen, als van een predikant.


[5] Millioenen: mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen - gij klaagt hen allen aan van luiheid en valschheid - Dat is lasteren.

Opnieuw: waarom eigenlijk? Volgens Post en co. - predikanten, dominées, Christenen - is toch het héle mensengeslacht sinds Adam en Eva een ras van zondaars? Als wat Multatuli opwierp laster is, hoe verschilt dit dan van de beweringen van de predikanten dat alle mensen zondaars zijn, en de meesten voorbeschikt voor de hel, door hun almachtig, alwetend, oneindig wijs en goed Christengod?


[6] Gij verwijt aan Nederland wat hare regeering doet, en rekent uit dat die regeering Nederland niet is. (119 - 121.)
Uwe beschuldiging is onbillijk en valsch.

En opnieuw: waarom? Was die regering dan géén regering namens het volk, volgens het volk? En was die regering niet verkozen met meerderheid van stemmen door degenen die mochten kiezen?

Hoe het zij: De verwijzingen naar 119 - 121 zijn interessant, ook vanwege mijn kommentaren erbij, en ik verwijs de lezer verder naar 118 in dit verband van kritiek op parlementarij. 


[7] Er zullen wel slechtaards zin onder de moderne predikanten: zij zijn menschen!

Ja, dat is makkelijk! Mijn weerwoord is: Ze mogen dan mensen zijn, maar het waren predikanten - zelfbeweerde voorgangers, herders, leiders van hun gelovige kuddes. Daar mag wel degelijk wat méér van verwacht en geëist worden, naar hun eigen pretenties en eigen woorden gerekend, in ieder geval, dan van meer gewone mensen, die geen dergelijke pretenties hebben te spreken, denken, doen en willen 'in naam van God', en daar tal van voorrechten aan te ontlenen, zoals levensonderhoud op kosten van de kudde van gelovige volgelingen.


[8] Gij kent niet alle predikanten, evenmin als gij alle Nederlanders kent. Zij zijn niet allen dom, lui en valsch, niet allen hansworsten, huichelaars, schelmen, Japansche-theehuis-bezoekers.
Gij spreekt leugen en laster.

Hè, het wordt wel vermoeiend. Men hoeft ook allerminst 'alle' leden van een groep te kennen om over de groep te kunnen oordelen. Zo kent geen mens meer dan een paar honderd mensen enigermate behoorlijk (hij heeft geen tijd van leven voor meer - er zijn immers, bijvoorbeeld, minder seconden in een mensenleven, tegenwoordig en ook in de 19e eeuw, dan er mensen zijn), maar dat weerhoudt niemand van stellige oordelen over 'mensen', 'de mensen', 'alle mensen', 'de menselijke natuur' etc.

Vervolgens: Men mag alle leden van een groep wel degelijk beoordelen aan de hand van een steekproef uit die groep, aangenomen dat de steekproef enigermate behoorlijk is. Wie bijvoorbeeld, als Multatuli ongetwijfeld, vele honderden preken gelezen heeft in z'n leven, en daarin geen of hooguit een hele kleine minderheid van rationele betogen heeft gevonden, en een overmaat aan onzin, wensdenkerij, schijnheiligheid, valse beloftes etc. mag daarop een gefundeerd oordeel over preken en predikers in het algemeen baseren.

Tenslotte wat dit punt betreft: Mij komt een willekeurige predikant, dominé, priester etc. altijd voor als een eerlijke stommeling of een slimme oplichter, met deze aantekening dat sommigen, als de toekomstige dominé Post, allebei in zich weten te verenigen, waarschijnlijk vooral uit slimheid.


[9] tegenover u staat een jongen, een stamelaar, nog niet door leed tot spreken gedrongen, die nog slechts tegenspreken - maar in dien strijd vertrouwend op zijn schild even als 't uwe: de waarheid.

Dit - een jongen, een stamelaar - was niet geheel eerlijk van Post, minstens: Hij was toen hij z'n brief schreef 27 of 28, wat helemaal in die tijd allerminst jong was. M. verkeerde aanvankelijk in de veronderstelling dat Post rond de 20 was.


[10] Moraal is: de menschheid te dienen.
       Godsdienst is: God te dienen.

Niets moreler dan een hond, kennelijk, want dat zijn dieren die graag mensen mogen dienen. In ieder geval zijn de bepalingen van Post zowel makkelijk als onbruikbaar. Zo zijn er godsdiensten zonder god (Boeddhisme), en moraal-leren zonder dienstigheid aan de mensheid (Nietzsche's Herrenmoral), en is in beide gevallen het feitelijk verschijnsel waar de termen op slaan veel te ingewikkeld om zo eenvoudig te worden afgedaan.


[11] Ik heet modern, omdat ik God niet stel buiten de menschheid; omdat ik de menschheid dienen wil en hierin mijn godsdienst vind; omdat mijn godsdienst moraal, mijn moraal godsdienst is.

't Is glibberig proza, maar suggereert toch de vraag waarom Post zo nodig godsdienst nodig heeft als zijn moraal al godsdienst is. Ik vrees: Vanwege het verwachte dominées-traktement.


[12] Geen beter leer dan een goed leven.

Dit klinkt weer naar een predikanterige tegeltjeswijsheid, en is dan ook weer eens onwaar. Zoals mensen zijn is er nauwelijks samenhang tussen de kwaliteit van hun ideeën en de behoorlijkheid, hoe ook gemeten, van hun leven. Er zijn slechte slimmerds en goede domoren.


[13] Al moest ik een leven ingaan als het uwe, vol van rechtsweigering en miskenning, dan zal uw voorbeeld mij steunen. En niet mij alleen, maar velen.

Eerlijk gezegd geloof ik er niets van. Twee van de dingen die M. zo uitzonderlijk maakten zijn dat hij de moed had zichzelf te zijn en de moed van zijn eigen meningen had. De overgrote meerderheid van de mensen die ik meegemaakt heb had geen van beide.

Vrijwel alle publiek spreken en publiek handelen dat ik heb meegemaakt van mensen was een doen-alsof om bij de groep te mogen horen en diende eigenbelang of was gebaseerd op angst voor de konsekwenties het anders zijn, doen, denken of voelen dan de doorsnee voorgeeft.


[14] Ik begin met de opmerking dat ook in dit stuk de verhouding uit het oog verloren is, tusschen den rang dien de schryver me toekent, en den toon waarop-i my bestraft.

Ja, dat klopt. Zoals ikzelf opmerkte: Post schreef feitelijk een preek.


[15] Hy zendt me z'n brief toe. Loyaler kan het niet.

Ik neem aan dat M. met 'loyaal' bedoelt: Als volgeling, ook gezien Post's frase 'Meester'. Maar ikzelf neig tot de mening dat de brief van Post door deze bedoeld was als een carrière-, aanstellings- en traktement-bevorderende stap. Hij moest immers iets doen om op te vallen, want hij was eerst onderwijzer geweest en pas later gaan studeren, en wilde ongetwijfeld een beter inkomen als dominée dan hem als onderwijzer wachtte.


[16] Volstrekt niet in-stryd met deze betuiging neem ik, in de byzondere verhouding die er door z'n schryven tusschen ons ontstaan is, den titel van ‘meester’ dien-i me geeft, van-harte aan.

Zoals ik al opmerkte: M. hield hier wel van. 't Was een zwakte van hem.


[17] Post gaat verder dan deze. De Malchen sparend, hakt-i myzelf naar de ooren. Toch, en juist hierom, geloof ik dat er op hem iets degelyks zal kunnen gebouwd worden. Wie den gedachtenloop die my tot deze slotsom voert, volgen wil, vergelyke deze verwachting met m'n oordeel over zeker soort van ‘mooivinders.’ Wie op dezùlken iets bouwen wilde!

Nu, in de eerste plaats wist Post natuurlijk heel goed uit Multatuli's Ideen hoe deze over 'mooivinders' van de Max Havelaar dacht, vooral als dit óók nog eens dominées waren. En in de tweede plaats heeft Post kennelijk niets anders in z'n leven verricht dat de moeite van het optekenen voor het nageslacht waard was dan het schrijven van deze brief.


[18] En dit is nòg niet alles. De eerlyke waarheidzoeker die mij ‘meester’ noemt, laadt onmisbaar den toorn van dezulken op zich, die in geheel anderen zin z'n meesters zyn, van hen namelyk, die me liever geïgnoreerd zagen...

Nee, daar geloof ik niets van. Ik denk dat Post zijn meesters een plezier deed. Hij kreeg dan ook een aanstelling als dominée - ook al een 'meester', lezer, volgens de naam! - en heeft daar ongetwijfeld beter van geleefd dan hij als onderwijzer had gedaan, en vrijwel zeker ook dan Multatuli, na z'n 35ste in ieder geval.

Idee 996.