Idee 992.                                                


Ik sprak reeds in 987 van den lof dien men aan Albert toezwaait over z'n vers. [1] De recensie waarin dit zonderling oordeel voorkomt, is met welwillendheid geschreven. Zelfs waar de schryver daarvan my ‘onbescheiden’ noemt, doet hy dit op de gewone wys uit onkunde, en naar 't my voorkomt, niet met hatelyke bedoeling. Hieraan heeft-i te danken dat ik hem niet noem, en tevens dat ik de bewoordingen niet letterlyk aanhaal, waarmede hy zich aan 't mooivinden van Albert's gerymel bezondigt. Die woorden zyn hoogdravender dan veroorloofd wezen zou, al stònd dat vers - als zoodanig dan - 'n graad of wat hooger. 

Een ander recensent evenwel, heeft niet dezelfde aanspraken op 't goedig verzwygen van z'n woonplaats, of 't bemantelen zyner misdaden. - ‘Woonplaats’ en ‘misdaad’ letterkundiglyk gesproken. - Deze man namelyk is gehuisvest in Onze Tolk, 'n letterkundig weekblad’ en schynt in dat perceel de ‘Leestafel’ gepacht te hebben. Hy bespeurt:

dat de jaren niet ongemerkt over Multatuli's hoofd zyn heengegaan.

Daar we hier schynen te doen te hebben met iemand die zich niet duidelyk weet uittedrukken (13) behooren wy te zoeken naar de bedoeling van deze woorden. Uit het verband blykt dat we hier niet moeten denken aan eigenlyk gezegde sterrekunde. De schryver maakt niet de minste aanspraak op de ontdekking dat de aarde dertig keeren om de zon wentelde sedert '42, schoon ook in dit opzicht z'n scherpzinnigheid lof verdient. Mocht, byv. onze schalke planeet [2] zich verbeelden dat haar vagabundeerende ambitie ontsnapt was aan 't waarnemingsvermogen van de milliarden personen die ze gedurende dien tyd op den rug droeg, dan is de leestafelman van Onze Tolk daar, om de coureuse te-recht te wyzen. In de dagen van de oude Egyptenaars en Chaldeen zou zoo'n opmerker z'n gewicht in schaapskoppen waard geweest zyn. Daar-i nu 'n eeuw of dertig te laat komt om z'n honorarium te ontvangen in chaldeesche munt, stel ik voor, hem te benoemen tot prins-recensent van Denderah. De sterrekundige beteekenis van deze promotie moge de aandacht afleiden van 't litterarisch standpunt dat onze kandidaat inneemt, omdat ik daarvoor geen geschikten titel zou weten uittedenken zonder in 't... heel ordinaire te vervallen.

Prins Denderah namelyk heeft tot die beweging van de aarde weten te besluiten uit de verdiensten van m'n Bruid daarboven boven Vorstenschool. [3]

Lezer, koop u 'n Onze Tolk, en zie daarin dat ik de waarheid zeg. Het staat er!

M'n Bruid daarboven gaf eenige hoop, maar Vorstenschool stelt die hoop te-leur. Het staat er!

Men wordt verzocht als hier ingelascht te beschouwen de korte opsomming van eenige verdiensten in die Bruid. 't Lust me niet, die nateschryven. En 't hoeft ook niet. Sterrekundige hoofdzaak is, dat ik zoo erg afgetakeld ben gedurende de dertig jaren die er verliepen tusschen 't schryven van die twee stukken.

Heel in 't voorbygaan, en in 't belang van de gasten aan de leestafel van 1902, wensch ik onzen prins Denderah in de eerstvolgende dertig jaren wat vooruitgang toe. Deze wensch is zoo heel overbodig niet, naar de blyken van de manier waarop hy de nu verloopene besteedde... indien hy althans zoo'n tydperk beleefd heeft, wat me twyfelachtig voorkomt.

Hy was wel zoo vriendelyk, na de ‘Bruid’ iets goeds van my te ‘hopen.’

Zonder woordspeling, wat en hoe hoopte 't wicht, toen ik in 1842 dat stuk schreef ter afleiding van verdriet? (Zie Havelaar, hoofdst. XII.)

Hy schynt daarin - na ingewonnen raad van z'n min? - dramatische verdiensten ontdekt te hebben...

Dit komt me volstrekt niet vreemd voor. Ze ‘krygen immers elkaar?’ Minnen vinden dit aardig, en deelen haar smaak met de melk aan de zuigelingen mee.

Maar: Vorstenschool...

Let op! Daarin krygen ze elkaar niet [4], en prins Denderah is van de borst. Te vroeg, o ja, maar van de borst is-i! Dit zal blyken.

Helaas! Geen zoogmin is meer daar, om z'n jeugdige smaak te bevruchten met vereering van Hansje's lievigheid! Zelfs de schoonheden van Albert's vers, zoo geschikt anders om als toespys by de melk te worden ingenomen, laten hem finaal onverschillig. O, dat voorbarige spenen!

Zonder voorlichting alzoo overgelaten aan eigen oordeel en... Nieuwe-Rotterdamsche, verzekert onze jeugdige Denderah dat Vorstenschool geen dramatische verdienste heeft, en met z'n bekende sterrekundige stiptheid wyst hy daarvan de oorzaak aan. Gedurende den tyd die - dank zyner waakzaamheid, niet ongemerkt! - over des schryvers hoofd ging: ‘ontwikkelde zich in hem een overheerschend... hm, hm!

Het overheerschend monster dat zich gedurende die dertig jaren in den schryver van Vorstenschool ontwikkelde, zullen we straks by den akeligen naam noemen. De lezer vergeve my 't gebrek aan moed om dat vreeselyk woord op-eenmaal in letters uittedrukken. Er zyn dingen die men niet dan in drieën doet. Ik verzamel kracht. [5]

Een... hm, hm, alzoo! En dat wangedrocht is volgens, prins Denderah:

een gevaarlyk element voor een dramatisch schryver.

De personen die in Vorstenschool voorkomen:

kunnen fraaie en ware zaken zeggen...

Deze fout zou, dunkt me, zoo byzonder groot niet zyn. Met behulp van z'n in den schryver ontdekt “gevaarlyk element” denkt Z.H. prins Denderah hierover anders. Hy laat op die aanklacht volgen:

... maar ze boeien ons zeer weinig.[6]

Om alzoo onzen prins-recensent te boeien, schynt men geen ‘ware of fraaie zaken te moeten zeggen.’ 't Is voor hem te hopen dat de lezers van Onze Tolk denzelfden smaak hebben. Dit zou hen gewis ‘boeien’ aan z'n ‘leestafel.’

In redegevend verband volgt er, op die betuiging van ontevredenheid met het ‘zeggen van ware en fraaie zaken’ dat de personen in m'n stuk:

byna zonder uitzondering verpersoonlykte beginselen zyn, geen menschen van vleesch en bloed.[7]

Dit had gewis m'n vriend Puf niet kunnen droomen! Hy een ‘verpersoonlykt beginsel!’ En Schukenscheuer! En Van Huisde! En Hanna! En de lakeien! En George! Altemaal verpersoonlykte beginselen... sakkerloot!

Dat onze prins, na 't spenen vooral, geen smaak vindt in personen die ‘fraaie en ware zaken zeggen’ komt my, met het oog op de ‘zaken’ die hy ‘zegt’ zoo byzonder vreemd niet voor. Maar wel verwondert my de openhartigheid waarmee hy dit erkent. We zouden zelfs aan 'n drukfout denken, indien niet die zonderlinge afkeer ook uit andere zinsneden bleek. Hy vonnist:

Louise is onmogelyk, maar wat de schryver haar laat spreken, is waardig niet alleen gelezen maar overdacht te worden.[*] [8]

De lezer zal inzien dat m'n toestand, en eigenlyk die van alle schryvers voor 't tooneel, nu zeer moeielyk begint te worden. Met al hun ‘zeggen van fraaie en ware zaken’ die ‘waardig zyn niet alleen gelezen maar overdacht te worden’ kunnen voortaan de dramatis personae niet slagen in 't ‘boeien’ van prins Denderah. Ze zullen, om dit verheven doel te bereiken, hun toevlucht moeten nemen òf tot pantomine, of tot het ‘zeggen van leelyke en onware zaken die niet waard zyn gelezen en overdacht te worden.’ In 't laatste geval is het voor de stumperts te hopen dat er tegen dien tyd 'n vakature zy by de redaktie aan zekere ‘leestafel.

Nu 't ‘overheerschend’ monster dat zich dertig jaren lang in my ontwikkelde. Het deed...

Ja waarlyk, Denderah is van de borst! Wat spreek ik van zog, baker, min en luiermand... Prins Denderah kan al schryven! Hy durft reeds de woorden spellen, die heden-ten-dage den letterman onderscheiden - 't distinktief is zoo heel overbodig niet! - van 't nòg onnoozeler vulgus dat z'n naam teekent met 'n kruisje!

Ziehier alzoo eindelyk den naam van 't na dertig jaren ontwikkeling overheerschend gedrocht, dat zoo wreedaardig ‘vleesch en bloed’ opslikte van ‘byna zonder uitzondering alle personen’ die zich verstouten in Vorstenschool ‘ware, fraaie, lees- en overdenkwaardige zaken te zeggen.

Het heet...

M'n pen bibbert!

Het heet sub.jek.ti.vi.teit!

Ons prinsje heeft dat woord zonder hulp gespeld. Na hem over dezen tour de force op zoo jeugdigen leeftyd, ons welverdiend kompliment gemaakt te hebben, nemen wy voor ditmaal afscheid in de hoop dat z'n lezers by-voortduring mogen tevreden zyn met de ‘ware en fraaie zaken die hy zegt.’

[*] Noot van 1876. Men bedenke dat prins Denderah in '73 nog niet was voorgelicht door de ontdekking die we aan Dr. Van Vloten - een zyner meest waardige opvolgers aan de fameuze onzetolksche leestafel - te danken hebben dat Louiseopgewonden en onbekookte taal’ uitslaat. Evenmin door de openbaring van den heer Alberdingk Thym: dat de ‘kakografie’ Vorstenschool 'n aaneenschakeling is van ‘gemeenplaatsen, zonder de minste oorspronkelykheid.


[1] Ik sprak reeds in 987 van den lof dien men aan Albert toezwaait over z'n vers.

En ik legde reeds daaronder uit dat ik het er niet mee eens ben, zoals ik in mijn Nawoord bij Vorstenschool (en in diverse opmerkingen erbij) uitlegde waarom ik niet onder de indruk ben van Vorstenschool.

Het is dus enigermate aardig dat we in dit idee een tijdgenoot van Multatuli treffen die nogal hetzelfde leek te vinden als ik van Vorstenschool vind.


[2] onze schalke planeet

Ik bezondig mij er weinig aan, al meer dan 3 delen van de Ideen lang, maar moet hier toch weer eens Een Letterkundig Nootje invoegen, lezer! Het is dit: Er stáát in mijn diverse kopieën van de Garmond uitgave 'schalke', zoals kennelijk ook in het origineel dat Multatuli en Funke resp. schreven en lieten drukken, en dat M. regelmatig gecorrigeerd had in diverse edities, en toch mag de lezer met mij aannemen dat M. 'schalkse' bedoelde. Er is dus héél wat keren overheen gelezen.

En het is óók waar dat ik bij gelegenheid dergelijke evidente foutjes vanzelfsprekend gecorrigeerd heb zonder dit te vermelden. (Dit heet onder Letterkundigen 'een diplomatieke uitgave', waar ik een voorstander van ben, was het alleen maar omdat ik weet hoe makkelijk het is over mijn eigen schrijffouten heen te blijven lezen.)

Waarom vermeld ik dit dan? Om aan te geven dat ik mijn best deed een korrekte uitgave van M.'s tekst te doen, voorzover dat mogelijk is in html, en om aan te geven dat perfectie daarin onmogelijk is, en door mij ook niet nagestreefd is.


[3] Prins Denderah namelyk heeft tot die beweging van de aarde weten te besluiten uit de verdiensten van m'n Bruid daarboven boven Vorstenschool.

Eerlijk gezegd: Ik geef hem geen ongelijk! De Bruid daarboven verschijnt ook mij als een beter toneel-stuk dan Vorstenschool. En de mening van de recensent hierover is interessant omdat het een tijdgenoot van M. was, die dus een stuk minder last had van de indruk die beide toneelstukken van M. op mijn tijdgenoten en mijzelf maken: "Anders dan veel van M.'s proza is dit toch wel zeer gedateerd". 


[4] Maar: Vorstenschool...
    
Let op! Daarin krygen ze elkaar niet

Mijn indruk was toch wel degelijk dat ze dat wel doen, al hadden ze elkaar natuurlijk ook al, als getrouwd vorstenpaar. Maar de twee zielen werden aan het eind toch verenigd in één gedachte, dunkt me, wat mij voorkomt als de beste benadering van 'elkaar krijgen' die mogelijk was.


[5] Er zyn dingen die men niet dan in drieën doet. Ik verzamel kracht.

Dit licht ik eruit als aardige uitdrukking.


[6] ... maar ze boeien ons zeer weinig.

"Precies m'n idee, mynheer".


[7] byna zonder uitzondering verpersoonlykte beginselen zyn, geen menschen van vleesch en bloed.

En alweer zoals het mij ook trof!


[8] Louise is onmogelyk, maar wat de schryver haar laat spreken, is waardig niet alleen gelezen maar overdacht te worden.[*]

Ook hier ben ik 't mee eens, ongeacht M.'s voetnoot.

Idee 992.