Idee 987.                                                


Er zyn demokraten die aan hun grondbeginselen meenen verschuldigd te zyn, het koninkschap te bestryden. [1]

‘Hoe, zeggen zy, zouden wy ons laten regeeren door iemand wiens aanspraken slechts gegrond zyn op 'n naam?’

Ik erken dat dit heel weinig is. Maar gy die aldus spreekt, waarom buigt ge u zoo gewillig onder lieden wier overwicht door niets wordt gerechtvaardigd, zelfs door zoo'n naam niet? Dit is zeer inkonsekwent. Wie aan Koningen hun onbeduidendheid verwyt, heeft waarachtig 't recht niet, tevreden te zyn met even onbeduidende Ministers. [2]

Het getal uitstekende ministers dat de Geschiedenis oplevert zal wel nagenoeg door dat van uitstekende Vorsten worden opgewogen. Over 't geheel genomen is dit 'n onberekenbare kanszaak. [3] Ten-onzent evenwel hebben wy de mogelykheid op 't verkrygen van goede Staatslieden afgesneden, maar de kans dat eenmaal eens 't geboren hoofd van den Staat z'n roeping begrypt, blyft bestaan.

Weelderig is de keus tusschen mogelyk en niet geheel-en-al onmogelyk, voorzeker niet. Maar wie niet ryk is, moet zich met het minst slechte behelpen.

Zelfs op-grond van thorbeckiaans-kieswettige beginselen behoort men te roepen: leve de koning! Ik durf namelyk vragen of er in geheel Nederland één persoonlykheid is, die meer stemmen op zich vereenigt dan Willem III?

Men kan my tegenwerpen dat dit in zekeren zin ook met Thorbecke het geval scheen. Nu ja, maar in veel geringer verhouding altoos, en dan toch altyd slechts in evenredigheid met anderen. Doch ik beweer dat hy deze zeer bestrydbare populariteit juist te danken had aan de verblinding die ik in deze nummers bestryd. Zonder nu te spreken van den valschen grondslag der Verkiezingen - zyn onlogisch werk! - noch van de vervalsching der stemmingen zelf - óók 'n uitvloeisel van zyn gebrekkigen arbeid - vervalt alle beroep van z'n aanhangers op de algemeenheid van dien byval, zoodra men 't oog slaat op de vergissing die daarby 'n rol speelde. Er was behoefte aan 'n ‘Staatsman.’ Men verkeerde in den waan dat Thorbecke ‘staatsman’ was, en koos hem. [4]

De meening nu van de velen die Willem III houden voor 'n afstammeling van 't huis van Oranje, voor 'n koning, voor 't natuurlyk middelpunt waarom zich de natie in gevaar behoort te vereenigen, is géén vergissing. De koning is koning.

Hy is afstammeling van de historische Oranjes. Hy is op dit oogenblik 't natuurlyk middelpunt.

Of nu die koning altyd z'n plicht deed, doet, doen zal? Dit weet ik niet. Maar wèl weet ik dat Thorbecke - niet zyns ondanks geboren met de staatsmanswaardigheid die hy zich liet opdringen en aanleunen, en die hy aannam - z'n daaruit voortvloeiende plicht niet gedaan heeft.

Vergiste hyzelf zich in 't schatten van z'n gaven? De bekrompenheid van geestvermogens, die wy overal in z'n werken en handelingen waarnemen, noopt ons hem deze verlichtende omstandigheid toetekennen. Thorbecke stond intellektueel laag genoeg om ter-goeder-trouw 'n thorbeckiaan te wezen. Maar dit baat de Natie niet.

Het is de vraag of hy voor, in, en na 1848, inderdaad invloed had? Z'n aanhangers en ‘vereerders’ zullen hierop toestemmend antwoorden, doch in myn oog is de zaak niet uitgemaakt. Ik erken dat er in en na dat jaar een-en-ander is geregeld naar zyn wil. Myn staatkunde leert me dat dit wel-eens kon geweest zyn wat de goochelaars carte forcée noemen. We meenen by zoo'n gelegenheid de kaart gekozen te hebben, die ons in de hand geduwd wordt. Het is zeer wel mogelyk dat Thorbecke - die blykens alles wat-i leverde, zeer letterknechterig ònoorspronkelyk was - zich van mouche de coche tot koetsier liet benoemen. In dit geval was hy niet zoozeer voorganger als wel vooropgestuwde persoon, 'n politieke brouwer van Preston. (IIa, blz. 136) Op inwendige gronden kan men hiertoe besluiten uit z'n handelingen die - juist andersom dan z'n lofredenaars beweren - niet den minsten stempel dragen van eigenaardige persoonlykheid, en overal zeer goed het werk konden geweest zyn van 'n kollegie. Thorbecke was niet excentriek, en bezat niet eens de fouten, laat staan de verdiensten van 'n groot man. [5]

Hy was noch artist, noch dichter, noch wysgeer...

In zeer hooge opvatting is dit alles één!

...hy was dus geen Staatsman. [6]


[1] Er zyn demokraten die aan hun grondbeginselen meenen verschuldigd te zyn, het koninkschap te bestryden. 

Nu, dat is dan ook zo gek niet in termen van principes: Een monarchie is geen democratie, althans zoals die termen oorspronkelijk - door Aristoteles - ingevoerd werden in discussies over politiek. 


[2] Wie aan Koningen hun onbeduidendheid verwyt, heeft waarachtig 't recht niet, tevreden te zyn met even onbeduidende Ministers.

Nee, dat ligt nogal verschillend: Koningen plegen te worden geboren; ministers aangesteld.


[3] Het getal uitstekende ministers dat de Geschiedenis oplevert zal wel nagenoeg door dat van uitstekende Vorsten worden opgewogen. Over 't geheel genomen is dit 'n onberekenbare kanszaak.

Dit is ook niet juist geredeneerd. Er zijn namelijk per koning vrijwel altijd en overal meerdere ministers. Het lijkt dus redelijk aannemelijk, te meer daar ministers aangesteld worden, en hun ambten niet plegen te erven, dat er meer kans is op een bekwame minister dan op een bekwame koning.


[4] Men verkeerde in den waan dat Thorbecke ‘staatsman’ was, en koos hem.

Ook al mis. Men verkeerde helemaal niet in die waan: Men dacht het en het was zo, gerekend naar conventionele begrippen. Dat de man volgens M. geen groot staatsman was, of naar Multatuliaanse begrippen niet eens recht had op de naam 'staatsman' kon men niet weten.


[5] Thorbecke was niet excentriek, en bezat niet eens de fouten, laat staan de verdiensten van 'n groot man.

Dit geloof ik graag, maar excentrieke grote mannen plegen geen succes in de politiek te zijn, en als ze dat wel zijn doen ze zelden veel goeds.


[6] Hy was noch artist, noch dichter, noch wysgeer...
     In zeer hooge opvatting is dit alles één!
     ...hy was dus geen Staatsman.

Dit is weer slecht beredeneerd. In de eerste plaats denk ik niet dat artiesten, dichters en wijsgeren hetzelfde zijn, doen, willen of kunnen, of dat nu in hoge of lage zin genomen wordt, en in de tweede plaats is M.'s 'dus' nergens op gebaseerd dan de suggestie dat al wie - in M.'s zeer hoge opvatting dan - zowel artiest als dichter als wijsgeer is, zich daarnee Staatsman zou mogen noemen.

Idee 987.