Idee 985.                                                


Allerverdrietigst gestoord in m'n voornemen - juist nà Vorstenschool - om met cyfers de verderfelyke gevolgen van de politieke kwakzalvery onzer dagen aantetoonen, moet ik me voor 't oogenblik vergenoegen met 'n paar opmerkingen van algemeenen aard.

Het komt me voor, dat het woord ‘staatkunde’ van lieverlede van beteekenis verandert. Het leveren van 'n definitie zou me blootstellen aan zekere welbekende soort van onvruchtbaar debat, vooral daar ik wel genoodzaakt ben den wrevel optewekken van 't heirleger specialiteiten welker bestaan we te wyten hebben aan de fraaie Kieswet, en de - overigens ook door my toegejuichte - afschaffing van 't zegel op de dagbladen. Zonder my alzoo aan deze definitie te wagen, verwacht ik toch van ieder de erkenning dat het wèl bestudeeren van den Staat 'n vereischte is in den Staatsman, en de daardoor verkregen kennis een der elementen van Staatkunde. [1]

Waarschynlyk zullen sommigen niet zeer veel méér vorderen dan dat. Ik beweer dat ze hierin ongelyk zouden hebben. Doch al ware dit anders, ieder neemt toch 't genoemd element - al zy 't dan volgens my slechts 'n onderdeel van 't gewenschte - voor onmisbaar aan. Eilieve, hoe kan die vereischte kennis blyken uit de proeven die we dagelyks zien geven van zekere handigheid in 't voeren van de pen? Dat nog bovendien deze proeven gewoonlyk zeer gebrekkig uitvallen, ga ik nu voorby. Ik spreek nu niet van hen die zich wel slecht uitdrukken, maar tòch geen kennis hebben van de behandelde zaken. De Natie moet gewaarschuwd worden tegen de onkunde van de meer geoefende fabrikanten van ‘staatkundige artikelen’ en tegen de zonderlinge verwarring van aanspraak op politieken invloed met zoogenaamd schryftalent, iets dat heden-ten-dage de ordinairste zaak ter-wereld is [2], al sta dan ook de frekwentie daarvan niet in behoorlyk omgekeerde verhouding tot het gehalte.

Ook my kent men dat talent toe, naar 't schynt. Welnu, ik verklaar niet in-staat te zyn tot het leveren van de zoogenaamd-staatkundige hoofdartikelen die dagelyks door allerlei onbekende - en dus meestens niet zéér hoog staande - schryvers worden ten-beste gegeven. Daartoe schynt zekere soort van bekwaamheid vereischt te worden, waartoe ik met den besten wil niet onbekwaam genoeg wezen zou. [3]

Behalve de kennis van den Staat, zou er tot het uitoefenen van politieken invloed, kennis noodig zyn van andere Staten. Ook deze schynt in de oogen van Publiek te kunnen worden vervangen door de hebbelykheid van zinsneden maken. [4]

Gesteld echter dat 'n publiekschryver blyk gaf deze beide vakken van wetenschap met vrucht beoefend te hebben, dan nog zou men, vóór 't hechten van waarde aan z'n meeningen, het recht hebben eenig bewys van z'n eerlykheid te vorderen. Wie verzekert ons, dat zoo'n geheel onbekende voorlichter ter-goeder-trouw het algemeen welzyn beoogt? Welken waarborg hebben wy dat de obskure raadgever geen handlanger is van dezen of genen vyand? [5] Geen Trojaansch paard, zwanger van aanslagen tegen de arme res publica?

In de zoogenaamde haute politique doen we sedert lang niet meer. Zonder te beweren dat dit anders zyn moest, wil ik toch in 't voorbygaan vragen of 't zoo ongelukkig voor ons zou geweest zyn, gedurende de laatste tien jaren iemand aan 't hoofd te hebben gehad, die door 'n wel aangelegd en uitgevoerd plan den aanwas van Pruisen belet had?

Doch, voor-zoover men dit voor 'n onmogelykheid houdt, vanwaar toch die onbegrypelyke zorgeloosheid op lager terrein? [6] Telkens worden er by de wetgevende macht van elk Volk zaken behandeld, waarby 't Buitenland belang heeft. Is nu de veronderstelling gewaagd, dat wel-eens deze of gene firma Wy & Comp. de belangen van vreemden kon behartigen?

Om 'n zeer byzondere reden, die ik nu voor me houd, verklaar ik uitdrukkelyk niet te gelooven dat zulks op dit oogenblik met een onzer couranten het geval is. Jazelfs, ik ben byna verzekerd van het tegendeel. [*] Ik geef dan ook de opmerking slechts als waarschuwing tegen blind vertrouwen, daar toch ieder inziet dat zoo-iets het geval wezen kàn, gelyk 't dan ook gedurende den Duitsch-Franschen oorlog waarschynlyk hier-en-daar 't geval geweest is.

Doch ook zonder nu juist aan die soort van félonie te denken, we weten toch wat partygeest is, niet waar? We weten toch welke voor- of nadeelen er uit zekere wetten kunnen voortspruiten voor 'n provincie, voor 'n distrikt, niet waar? Dit te ontkennen zou te dwazer zyn, daar de meeste organen niet alleen de moeite sparen hun partydigheid te verbergen, maar zelfs aan 'n zonderling soort van konsekwentie meenen verschuldigd te zyn haar op den voorgrond te stellen. [7] Ook de meeste leden van de Kamer erkennen by voorkomende gelegenheid volmondig dat zy de belangen behartigen van 'n deel des Nederlandschen Volks. De vertegenwoordigers der staatkundige begrippen van den dag zien hierin niets kwaads. [8]

Is 't dus wel zoo heel ongepast, aantedringen op 'n juist begrip van 't woord: Staatkunde? [9]

[*] Noot van 1872. Dit wat de redaktie van de Couranten zelf aangaat. De buitenlandsche ‘onz' eigen correspondenten’ zyn dikwyls meer dan verdacht. [10] Wie, byv. met aandacht de ophemelary van 't manneke Thiers, in de N. Rotterdamsche leest, zal dit erkennen. [11] Ze is onhandig genoeg om de meening te wettigen dat we hier met heel iets anders te-doen hebben dan overtuiging.


[1] Zonder my alzoo aan deze definitie te wagen, verwacht ik toch van ieder de erkenning dat het wèl bestudeeren van den Staat 'n vereischte is in den Staatsman, en de daardoor verkregen kennis een der elementen van Staatkunde.

Nee, dat lijkt me een misvatting. Als er iets duidelijk behoort te zijn over staatslieden dan is het dat ze zelden veel weten van relevante wetenschappen als politicologie, sociologie, economie, geschiedenis, of filosofie, en daar ook geen enkele serieuze belangstelling voor hebben.  


[2] De Natie moet gewaarschuwd worden tegen de onkunde van de meer geoefende fabrikanten van ‘staatkundige artikelen’ en tegen de zonderlinge verwarring van aanspraak op politieken invloed met zoogenaamd schryftalent, iets dat heden-ten-dage de ordinairste zaak ter-wereld is

Aangenomen dat we het uitdrukkelijk over zoogenaamd schryftalent hebben, dus het vermogen een aantal zinnen achter elkaar te kunnen schrijven zonder direkt evidente stupiditeit of kromheid, dan is de waarschuwing vandaag de dag nog steeds terecht.

Het dagblad dat ik lees is het NRC/Handelsblad, en wordt al jaren onveilig gemaakt door zogenaamde columnisten, waarvan ik noch de bestaanszin kan begrijpen noch de vermogens kan inzien. Het ontgaat mij waaraan Bas Heijne, Afshin Ellian, Elsbeth Etty, Arnold Heumakers, Paul Scheffer etc. danken dat hun meningen week in week uit gedrukt worden, want ze schrijven niet goed, denken niet behoorlijk, en zijn zelden terzake kundig, maar hebben een mening over van alles en nog wat, en zijn altijd bereid zich daarvan, tegen betaling, publiek te ontlasten.

Ik vermoed dat een deel van hun succes te wijten is aan hun evidente totale talentloosheid en klaarblijkelijk vermogen om over alles waar ze geen kennis of verstand van hebben toch een paar duizend woorden te kunnen schrijven op korte termijn. Ze zijn daarmee geen gevaar voor anderen of voor autoriteiten; ze zijn voorspelbaar; ze zijn te koop; en niemand zal ooit veel zien in hun persoon of proza, maar er ook geen bijzondere aanstoot aannemen. "Hoernaille" noemde W.F. Hermans de soort, en dat is een goede beschrijvende naam van hun aandriften en talenten. 


[3] Ook my kent men dat talent toe, naar 't schynt. Welnu, ik verklaar niet in-staat te zyn tot het leveren van de zoogenaamd-staatkundige hoofdartikelen die dagelyks door allerlei onbekende - en dus meestens niet zéér hoog staande - schryvers worden ten-beste gegeven. Daartoe schynt zekere soort van bekwaamheid vereischt te worden, waartoe ik met den besten wil niet onbekwaam genoeg wezen zou.

Het is niet zozeer bekwaamheid die geëist wordt, afgezien van de minimale bekwaamheid  grammatikaal korrekt Nederlands te kunnen schrijven dat niet al te lomp of bot is, maar een grote mate van brutale hoerigheid: 't Gaat er immers niet om een rationele op kennis gefundeerde mening over een onderwerp te hebben of kunnen verwerven als wel om het vermogen om tegen betaling stukjes over willekeurige onderwerpen te kunnen schrijven in korte tijd die vele anderen, die ook al geen rationele op kennis gefundeerde mening over die onderwerpen hebben, het idee geven iets meer van het onderwerp te weten of begrijpen. Gewoonlijk is dat illusie en gedeelde waan van de dag in de cliché's, kunsttermen en mode-woorden van het moment.


[4] Behalve de kennis van den Staat, zou er tot het uitoefenen van politieken invloed, kennis noodig zyn van andere Staten. Ook deze schynt in de oogen van Publiek te kunnen worden vervangen door de hebbelykheid van zinsneden maken.

Ja, dat is zo, en M. heeft herhaaldelijk en terecht opgemerkt dat één van vele manieren waarop hij afweek van de grote meerderheid van z'n mede-Nederlanders van die tijd was dat hij véél meer van de wereld en de omringende staten gezien had.

Of dit werkelijk veel bijdraagt in zinnigheid van oordeel in een mens weet ik niet, maar het is wel een feit dat de grote meerderheid der Nederlanders die menen dat Nederland zo bijzonder voortreffelijk zou zijn vergeleken met andere naties, feitelijk nauwelijk iets weten van het leven in andere landen, en andere landen hooguit van een korte vakantie kennen.


[5] Wie verzekert ons, dat zoo'n geheel onbekende voorlichter ter-goeder-trouw het algemeen welzyn beoogt? Welken waarborg hebben wy dat de obskure raadgever geen handlanger is van dezen of genen vyand?

Belangrijker vragen zijn: Hoe competent zijn dergelijke lieden om te oordelen over de zaken waar ze publiek over oordelen? Waarom zij wel, en geen anderen?


[6] Doch, voor-zoover men dit voor 'n onmogelykheid houdt, vanwaar toch die onbegrypelyke zorgeloosheid op lager terrein?

Omdat het ze niet interesseert, en het interesseert ze niet omdat het hun eigen belang niet raakt.

Er wordt nu zo'n 25 jaar lang ieder jaar minimaal voor 25 MILJARD aan illegale drugs verhandeld op Nederlands grondgebied. Geen Nederlands politicus of Nederlands rechter die er wat aan of tegen doet of er zelfs maar wat van zegt. Waarom niet? Het raakt hun eigen belang niet, en zou wel eens gevaarlijk kunnen zijn, want de drugshandelaars in Nederland zijn de machtigste, rijkste en gevaarlijkste ondernemers die Nederland kent, en Van Traa is ook raadselachtig 'verongelukt'.

En zeer veel ellende zou vermeden zijn als het gelegaliseerd werd, wat bovendien veel belasting op zal leveren: Het betreft feitelijk veel gebruikte genots- en roes-middelen.


[7] Dit te ontkennen zou te dwazer zyn, daar de meeste organen niet alleen de moeite sparen hun partydigheid te verbergen, maar zelfs aan 'n zonderling soort van konsekwentie meenen verschuldigd te zyn haar op den voorgrond te stellen.

Ja, dat is waar, en het is nog steeds overwegend zo. En de doorsnee is trots op z'n meeloperij. Het beginsel is:

"I always voted at my party's call,
And I never thought of thinking for myself at all."
   (W.S. Gilbert )

En waarom? Omdat voor zichzelf denken - een eigen mening durfen hebben, gebaseerd op eigen onderzoek, lezen en nadenken - gezien wordt als verraad van Onze Partij en Onze Leiders.


[8] Ook de meeste leden van de Kamer erkennen by voorkomende gelegenheid volmondig dat zy de belangen behartigen van 'n deel des Nederlandschen Volks. De vertegenwoordigers der staatkundige begrippen van den dag zien hierin niets kwaads.

Nu, ik ook niet. Bovendien zijn ze óók heel wel bereid en in staat met een stalen gezicht te liegen dat hùn partij het algemeen belang op de beste manier behartigd, en véél beter dan andere partijen.


[9] Is 't dus wel zoo heel ongepast, aantedringen op 'n juist begrip van 't woord: Staatkunde?

Nee, maar het heeft weinig zin van een politicus kennis, kunde of integriteit te verwachten. Een politicus is een publiek persoon, zoals een prostituée, en zoals een hoer liefde huichelt om zelf geld te verkrijgen huichelt een politicus over het belang van allen of velen om zelf macht te verwerven. Zo was het altijd, en men vergt van een publieke vrouw ook geen bijzondere kennis van de wetenschap der gynaecologie om een publiek succes te kunnen zijn, en geld te verdienen. Hetzelfde geldt politici en de wetenschap der staat: Politici zijn geen wetenschappers, maar publieksbespelers.


[10] De buitenlandsche ‘onz' eigen correspondenten’ zyn dikwyls meer dan verdacht.

M. wist enigermate waar hij van sprak, want hij was een paar jaren, anoniem en in het geheim, de 'eigen Duitse correspondent' van de konservatieve 'Opregte Haarlemsche Courant' geweest. 

[11] Wie, byv. met aandacht de ophemelary van 't manneke Thiers, in de N. Rotterdamsche leest, zal dit erkennen.

M. had een grote hekel aan Thiers, wellicht omdat deze uiterlijk leek op een hoge ambtenaar waar M. als jong ambtenaar een grote hekel had gehad. En de NRC hemelde Thiers ongetwijfeld op omdat hij de Commune van Parijs in 1871 bloedig had neergeslagen. Dit was natuurlijk zeer verdienstelijk volgens de NRC van die tijd.

Idee 985.